Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:273
Zaaknummer
25-289/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de advocaat van de wederpartij in een geschil tussen ex-partners. Klager is de broer van de vrouw en heeft als haar gemachtigde opgetreden. Hij heeft om die reden geen rechtstreeks belang bij de klacht over het door verweerder opwerpen van een exceptie van onbevoegdheid. Klacht voor dat deel niet-ontvankelijk. Klager is wel ontvankelijk waar het gaat om verweerders stelling dat klager is veroordeeld voor (zware) mishandeling. Verweerder heeft dat mogen omschrijven zoals hij gedaan heeft. Klacht voor dat deel ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 december 2025
in de zaak 25-289/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 16 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 30 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/050 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 november 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 14.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft als gemachtigde van zijn zus opgetreden in een procedure bij de kantonrechter over verdeling van € 30.000,- uit de Catshuisregeling. Verweerder heeft de gedaagde, de ex-partner van de zus, daarin bijgestaan.
2.3 Bij conclusie van antwoord van 16 juli 2024 heeft verweerder het volgende geschreven:
“(…) 7. De echtscheiding is uitgelopen op een strijd tussen partijen. Sinds het begin van de echtscheidingsprocedure zijn de verhoudingen tussen partijen gedaald tot (onder) het vriespunt.
8. Het is ernstig misgegaan tussen partijen. Bij dit conflict tussen hen zijn ook de kinderen betrokken geraakt. Zo zijn [de kinderen] getuigen geweest van de zware mishandeling van hun vader door de broers van hun moeder. Gedaagde vreesde voor zijn leven tijdens voornoemd incident en heeft aangifte gedaan bij de politie van het incident op 01 december 2018 (productie 4). Gedaagde heeft letsel opgelopen, bestaande uit:
1. een gezwollen gezicht;
2. pijnlijke kaken;
3. pijnlijke tanden;
4. blauw oog;
5. zwaar gekneusde ribben en knie.
De broers van moeder zijn voor deze mishandeling zowel door de rechtbank als door het gerechtshof veroordeeld (productie 5). (…)”
Als productie 5 bij de conclusie van antwoord heeft verweerder onder meer gevoegd een kennisgeving van het openbaar ministerie aan zijn cliënt dat het gerechtshof op 1 juni 2021 klager heeft veroordeeld voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (artikel 141 Sr) tot een taakstraf.
2.4 Op 20 november 2024 heeft verweerder de kantonrechter verzocht om de zitting geen doorgang te laten vinden, omdat de kantonrechter niet bevoegd zou zijn, nu de vorderingen zien op een verzoek tot verdeling in het kader van de echtscheiding ex artikel 3:185 BW. Dit is door de kantonrechter afgewezen, waarna de zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2024.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft feiten gesteld waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze onjuist zijn, door te stellen dat klager is veroordeeld voor (zware) mishandeling, terwijl het ging om openlijke geweldpleging.
b) Verweerder heeft, in strijd met gedragsregels 1 en 6, onbetamelijk en ondoelmatig gehandeld door exceptie van onbevoegdheid op te werpen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen.
5.2 Klager heeft in de procedure uitsluitend opgetreden als juridisch gemachtigde van zijn zus. Hij is in privé niet betrokken geweest bij deze procedure. De raad is dan ook van oordeel dat hij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij klachtonderdeel b). Klager is daarin niet-ontvankelijk. De raad komt dus niet tot een inhoudelijk oordeel bij dit klachtonderdeel.
5.3 Dan is anders voor klachtonderdeel a). Dit raakt aan klagers recht op bescherming van zijn eer en goede naam. Onder verwijzing naar vuistregel 3 van de conclusie van 7 november 2018 van de AG (ECLI:NL:CRVB:2018:3474) wordt klager wel als belanghebbende gezien.
Toetsingskader
5.4 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.5 Gedragsregel 1 luidt:
1. Gelet op zijn bijzondere positie in het rechtsbestel is de advocaat gehouden tot betamelijke beroepsuitoefening.
2. Deze plicht geldt jegens zijn cliënt, de overige betrokkenen bij de rechtspleging en zijn beroepsgroep en vindt haar grondslag in het belang van een goede rechtsbedeling.
3. De advocaat laat zich in al zijn handelen leiden door de kernwaarden van zijn beroep en neemt in acht de voor hem geschreven wettelijke bepalingen en verordeningen, de inhoud van zijn eed of belofte en de verplichtingen die voortvloeien uit de opdrachtrelatie met zijn cliënt.
4. De advocaat dient zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur, noch zijn eigen beroepsuitoefening wordt geschaad.
5.6 Gedragsregel 6 lid 1 luidt: De advocaat streeft een doelmatige behandeling van de zaak na en houdt in het oog dat ook ten laste van een wederpartij of andere betrokkenen geen onnodige kosten worden gemaakt.
Beoordeling
5.7 De raad acht de in overweging 2.3 geciteerde passages niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft het incident, mede gelet op de informatie die hij van zijn cliënt heeft gekregen, kunnen omschrijven als, zoals dat in de volksmond vaker wordt gedaan, een ‘(zware) mishandeling’. Niet gebleken is dat verweerder heeft beoogd aan te sluiten bij de strafrechtelijke terminologie. Van het stellen van onjuiste feiten is de raad dus niet gebleken. Daarbij acht de raad doorslaggevend dat verweerder uitdrukkelijk heeft verwezen naar de als bijlage toegevoegde brief van het openbaar ministerie, waaruit exact volgt waarvoor klager is veroordeeld. Verweerder heeft dus met open vizier gestreden en er geen misverstand over laten bestaan waar de veroordeling op zag. Anders dan klager lijkt te stellen, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder niet (ook) het arrest van het gerechtshof als productie heeft bijgevoegd.
5.8 Dat verweerder daarbij heeft gesteld dat zijn cliënte daardoor letsel heeft opgelopen, is evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder mocht van de informatie van zijn cliënt uitgaan dat hij deze verwondingen aan het incident had overgehouden. Overigens heeft hij dat ook ondersteund met de door zijn cliënt gedane aangifte en foto’s van de verwondingen. Voor zover klager heeft bedoeld dat hij niet is veroordeeld voor het slaan of stompen tegen het hoofd en lichaam van verweerders cliënt en het letsel daarom niet aan hem kan worden toegeschreven, geldt dat feiten (bijvoorbeeld over het ontstaan van letsel) in het civiele recht afwijkend gewaardeerd kunnen worden dan in het strafrecht wegens andere bewijsmaatstaven. Verder kan openlijk geweld tegen personen ook letsel opleveren.
5.9 Klachtonderdeel a) is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. N. de Boer en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 december 2025
