Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:260
Zaaknummer
25-702/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een echtscheiding. Niet gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster bij de overdracht van de tas of anderszins. Zij mocht de kwestie van de echtelijke woning aankaarten, in het belang van haar cliënte.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 10 december 2025 in de zaak 25-702/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 16 oktober 2025 met kenmerk R 2025/095 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 21. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 4 november 2025
FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
Klager is gehuwd geweest. Bij brief van 26 april 2024 heeft mr. E, namens klager, de vrouw aangeschreven over het verzoekschrift tot echtscheiding dat op korte termijn zal worden ingediend. Mr. E schrijft in zijn brief onder meer dat de woning en de inboedel niet hoeft te worden verdeeld, omdat die behoren tot het privévermogen van klager.
Op 14 mei 2024 heeft verweerster, namens de vrouw, klager een brief gestuurd over de op te starten echtscheidingsprocedure.
Op 17 mei 2024 heeft klagers advocaat zijn eerdere brief aan verweerster gemaild, omdat de brief door haar cliënte niet in ontvangst was genomen en retour was gezonden.
Op 21 mei 2024 heeft verweerster daarop gereageerd en onder meer geschreven:
“Cliënte verblijft niet op het aders zoals vermeld op uw brief zodat zij daar geen kennis van heeft genomen. Het adres van cliënte is voor uw cliënt ook niet bekend.”
Bij brief van 19 juni 2024 heeft klagers advocaat aan verweerster onder meer geschreven:
“Cliënt wenst niet samen te werken met de wijkagent, die is namelijk nauw betrokken geweest bij hulpverlening ten behoeve van uw cliënte, dat cliënt deze niet onpartijdig acht.”
In juli 2024 heeft klager de politie aangeschreven over een aangifte die op zijn naam was gedaan, terwijl hij geen aangifte had gedaan.
Op 6 augustus 2024 heeft verweerster een verweerschrift ingediend bij de rechtbank. In haar e-mail van diezelfde dag aan klagers advocaat schrijft zij:
“Cliënte is niet op de hoogte van de aankoopdatum van de echtelijke woning waar partijen samen in hebben gewoond. Kunt u daar duidelijkheid over verschaffen?
Uw vraag met betrekking tot het inkomen van cliënte ontgaat mij. Deze informatie is niet relevant voor de lopende procedure en het is mij niet duidelijk waarom uw cliënt meent deze informatie nodig te hebben.”
Op 22 april 2025 heeft de rechtbank de echtscheidingsbeschikking gewezen. De (verdeling van de) woning wordt daarin niet genoemd. In de beschikking staat onder meer:
“De vrouw heeft verklaard dat zij de groene tas in haar bezit heeft. Op de zitting is daarom afgesproken dat de vrouw de tas aan haar advocaat geeft, waarna de man de tas, op een afgesproken tijdstip, ophaalt bij de advocaat van de vrouw.
Op 24 april 2025 heeft verweerster aan klagers advocaat onder meer geschreven:
“Zou u mij een door uw cliënt ondertekende akte van berusting kunnen toezenden? Dan zal ik zorg dragen voor inschrijving van de echtscheiding bij de gemeente.
Voorts is afgesproken dat uw cliënt de groene tas bij mij op kantoor zou komen ophalen tijdens de meivakantie. Cliënte komt maandagochtend de tas bij mij afgeven. Is uw cliënt in de gelegenheid om in de middag op te halen op kantoor? Ik ben namelijk de rest van de week beperkt aanwezig”
Op 25 april 2025 heeft klagers advocaat klager over de beschikking geïnformeerd en hem laten weten dat klager een akte van berusting moet ondertekenen om de echtscheiding af te ronden. Ook schrijft hij aan klager:
“Verder heb ik een bericht ontvangen van de advocaat, zie hieronder. Maandagmiddag kunt u de tas ophalen, lukt dat?”
Klager heeft diezelfde dag aan zijn advocaat laten weten dat hij de tas maandagmiddag kan ophalen.
Op 28 april 2025 heeft verweerster aan klagers advocaat onder meer geschreven:
“Helaas heb ik op onderstaande e-mail nog geen reactie mogen ontvangen.
De tas is in mijn bezit, maar zoals reeds aangegeven ben ik enkel vandaag nog op kantoor (…). Ik verneem graag concreet wanneer uw cliënt de tas wil en kan ophalen zodat wij een concreet ophaalmoment kunnen afspreken.
Cliënte heeft kennis genomen van het feit dat uw cliënt de voormalig echtelijke woning in eigendom heeft verkregen gedurende het huwelijk. Dit betekent dat de woning ook onderdeel is van de beperkte gemeenschap van goederen van partijen en uw cliënt dit heeft verzwegen in de echtscheidingsprocedure. Cliënte maakt aldus aanspraak op in ieder geval de helft van de waarde van de woning.”
Klager is op maandagmiddag 28 april 2025 naar het kantoor van verweerster gegaan om de tas op te halen. De tas is niet overgedragen.
Op 12 mei 2025 heeft klagers advocaat aan klager onder meer geschreven:
“Maar dan het navolgende: in datzelfde bericht, heeft de advocaat mij er (terecht) op gewezen dat de woning door u is aangekocht nadat u in het huwelijk bent getreden. (…) dat wil dus zeggen dat de woning ook in de beperkte gemeenschap valt en zij maakt aanspraak op de helft van de waarde van de woning.”
Op 20 mei 2025 heeft verweerster een e-mail aan klagers advocaat gestuurd met onder meer de mededeling dat ze op haar e-mail van 28 april 2025 geen reactie heeft ontvangen en de vraag naar het standpunt van klager aangaande de woning.
Op 2 juni 2025 heeft klagers advocaat, mr. E, verweerster geïnformeerd over het feit dat hij klager niet langer bijstaat.
Op 10 juni 2025 heeft verweerster in een e-mail aan klager onder meer geschreven:
“[Mr. E] heeft zich, naar ik begreep, onttrokken als uw advocaat (…).
Ik verzoek u vriendelijk mij binnen een week na heden rechtstreeks te voorzien van uw reactie op mijn e-mails. Dat betreft concreet de volgende punten:
gaat u, met tussenkomst van een andere advocaat, een akte van berusting ondertekenen? Dan kan de echtscheiding worden ingeschreven bij de gemeente. (…)
gaat u meewerken aan het maken van afspraken over de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning?
Indien ik geen reactie van u ontvang dan zullen namens cliënte nadere rechtsmaatregelen worden getroffen.”
Op 14 juni 2025 heeft klager gereageerd en aan verweerster geschreven dat hij een nieuwe advocaat zal inschakelen en dat de communicatie uitsluitend via de nieuwe advocaat dient te lopen. Klager schrijft verder:
“Uw dreigement omtrent “nadere rechtsmaatregelen” ervaar ik als ongepast en onnodig intimiderend. Ik laat mij op geen enkele wijze chanteren of onder druk zetten.”
Op 14 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
Op 22 juli 2025 is namens klager hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 22 april 2025.
Uit communicatie in juli 2025 tussen klager en het kantoor van mr. E (naar aanleiding van een klacht van klager) heeft het kantoor aan klager bericht dat in de akte van berusting een onjuistheid stond en dat klager geen nieuwe gecorrigeerde akte heeft ontvangen.
KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
Niet nakomen van afspraken omtrent de overdracht van goederen;
Klager stelt dat verweerster per e-mail heeft aangegeven dat zij tijdens de zitting de groene tas zou overhandigen. Deze afspraak is zij niet nagekomen. Tevens heeft zij aangegeven dat de tas op 28 april 2025 op haar kantoor kon worden opgehaald. Toen klager op de afgesproken dag en tijd bij het kantoor was, weigerde verweerster naar beneden te komen of enig teken van ontvangst te geven.
Ongepaste voortzetting van de discussie over de woning ondanks een uitspraak van de rechter;
Ondanks dat de rechter reeds uitspraak heeft gedaan en er geen sprake is van een openstaand geschilpunt over de eigendomsverhoudingen, blijf verweerster doorgaan met het opvoeren van discussie over de woning. Klagers voormalig advocaat heeft al bevestigd dat de woning volledig op klagers naam staat en niet tot de gemeenschap behoort. Ook komt de naam van haar cliënt in geen enkel document over het huis voor. Verweerster blijft desondanks aandringen. In een recente mailwisseling heeft verweerster aangegeven dat klager een akte moet ondertekenen, waarin wordt gezegd dat haar cliënte nog steeds op klagers adres woont.
Dreigementen en intimidatie via e-mail;
Verweerster heeft in een recente e-mail gedreigd met onmiddellijke rechtsmaatregelen als klager niet binnen een week reageert. Deze toon is in klagers beleving intimiderend, buitensporig dwingend en grenst aan chantage..
Het verspreiden van feitelijke onjuistheden;
Verweerster stelt in haar correspondentie dat klagers eigen advocaat, mr. E. zich zou hebben teruggetrokken, maar dit is feitelijk onjuist. Klager heeft zijn advocaat zelf ontslagen, wat duidelijk is gecommuniceerd. Het zonder verificatie doen van dergelijke mededelingen is misleidend. Verder heeft verweerster tijdens de zitting gesteld dat de wijkagent “onpartijdig” zou hebben gehandeld in een eerdere kwestie, terwijl juist sprake was van partijdigheid. Hiervoor is er zelfs een klacht ingediend tegen deze wijkagent. Tot overmaat van ramp is er zelfs aangifte gedaan op klagers naam, tegen zichzelf, wat evident onhoudbaar is en vermoedelijk voortkomt uit foutieve aansturing.
Slordigheid en onzorgvuldigheid in correspondentie
Verweerster heeft in haar correspondentie de naam van haar cliënte en klagers naam verkeerd gespeld. Dit illustreert een patroon van onzorgvuldigheid.
Klager wil dat verweerster haar zaak intrekt vanwege de door klager genoemde punten. Klager wil dat er daarnaast gekeken wordt naar eventuele compensatie voor de schade en psychische belasting als gevolg van verweerster handelen. Ook eist hij schriftelijke excuses van verweerster.
VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a) Verweerster heeft aan klagers advocaat kenbaar gemaakt wanneer de tas in haar bezit was en gevraagd om een afspraak te maken. Op deze e-mail heeft verweerster geen reactie ontvangen van klagers advocaat. Op 28 april 2025 heeft zij klagers advocaat nogmaals een e-mail gestuurd. Uiteindelijk is gebleken dat klager, zonder dit vooraf aangekondigd te hebben, die dag naar verweersters kantoor is gekomen. Verweerster zat op dat moment in een afspraak. Klager is weer vertrokken. Verweerster heeft daarna niets meer vernomen van klager danwel zijn advocaat voor het maken van een (nieuwe) afspraak over het ophalen van de tas. De tas is nog steeds in verweersters bezit en kan door klager worden opgehaald. Het staat klager vrij daarvoor contact op te nemen en een afspraak te maken.
Klachtonderdeel b) Verweerster heeft in een e-mail aan klagers advocaat kenbaar gemaakt dat is gebleken dat klager een woning in eigendom heeft welke tijdens het huwelijk is aangeschaft. Dit roept de nodige vragen op en had onderdeel moeten zijn van de procedure bij de rechtbank. Verweerster vraagstelling was niet vreemd of onjuist.Van de zijde van klager is hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking en in het hoger beroep is door klager een nieuw c.q. aanvullend verzoek over de verdeling van de woning gedaan.
Klachtonderdeel c) Verweerster heeft, nadat klagers advocaat zich had onttrokken, zich rechtstreeks tot klager gewend en hem gevraagd of hij bereid is de akte van berusting te ondertekenen. Deze akte had verweerster al opgevraagd bij klagers voormalig advocaat. Dat klager van zijn advocaat een verkeerde akte van berusting heeft ontvangen en niet (voldoende) is voorgelicht over de inhoud van de akte en de mogelijkheden van hoger beroep, heeft geen betrekking op de klacht aan verweersters adres. In haar e-mail heeft verweerster geen intimiderende toon aangenomen. Klager heeft op de e-mail gereageerd en verweerster heeft zijn verzoek om bericht van klagers nieuwe advocaat af te wachten gerespecteerd.
Klachtonderdeel d) De mededeling waar klager op doelt is gedaan in een e-mail aan klager zelf. Verweerster kan niet plaatsen waarom het misleiding zou zijn. Van andere acties vanuit verweerster is geen sprake en het is haar onduidelijk waar klager verder op doelt. Verweerster heeft toegelicht dat haar cliënt op een geheim adres woont, zodat het adres niet aan klager wordt verstrekt. Dat zij voor klagers advocaat een keer niet telefonisch bereikbaar was, is niet ongewoon noch klachtwaardig.
Klachtonderdeel e) Indien verweerster de naam in correspondentie onjuist heeft weergegeven, is dat vervelend, maar niet meer dan een kennelijke schrijffout.
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
BEOORDELING
Inhoudelijk toetsingskader
1.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
1.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
het verloop van het geschil tot dan toe en
de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
Dit verwijt ziet op de overdracht van klagers groene tas. Ter zitting is afgesproken dat klager de tas op een afgesproken moment bij verweerster kon ophalen. Dat vooraf per e-mail is afgesproken dat de tas al op de zitting zou worden overhandigd, zoals klager stelt, blijkt niet uit het klachtdossier. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat verweerster maandagmiddag 28 april 2025 heeft voorgesteld als ophaalmoment. Daarover is tussen klager en zijn advocaat gecorrespondeerd, maar niet blijkt dat verweerster ook een bevestiging heeft ontvangen. Zij heeft niet voor niks op 28 april 2025 aan klagers advocaat laten weten dat zij geen reactie had ontvangen, waarbij zij liet weten dat er een concreet ophaalmoment diende te worden afgesproken. Dat daadwerkelijk een afspraak is gemaakt, kan de voorzitter niet vaststellen. Aan verweerster kan dan niet het verwijt worden gemaakt dat zij, toen klager op kantoor verscheen, niet beschikbaar was vanwege een andere afspraak. Verweerster heeft bovendien aangegeven dat klager
Klachtonderdeel b)
Dit verwijt ziet erop dat verweerster de discussie over de woning ongepast zou hebben voortgezet ondanks de uitspraak van de rechter. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de (verdeling van de) woning geen onderdeel was van de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank. Dat de rechter over de woning een uitspraak heeft gedaan, blijkt dan ook niet. Verweerster heeft op 6 augustus 2024 wel per e-mail gevraagd naar de aankoopdatum van de woning. Dat is niet onbegrijpelijk en evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar. De kwestie van de woning is blijkbaar met name gaan spelen kort nadat de beschikking van 22 april 2025 was gewezen. Klagers advocaat heeft naar aanleiding daarvan per e-mail aan klager laten weten dat verweerster er terecht op heeft gewezen dat de woning is aangekocht nadat klager in het huwelijk is getreden en dat de woning inderdaad in de beperkte gemeenschap valt. Inmiddels is de (verdeling van de) woning ook onderdeel van het hoger beroep. Verweerster mocht, in het belang van haar cliënt, de kwestie va
Klager lijkt verweerster ook te verwijten dat zij hem heeft gevraagd een akte van berusting te ondertekenen, terwijl in die akte staat vermeld dat haar cliënte nog steeds op klagers adres woont. Uit de communicatie tussen klager en het kantoor van zijn advocaat in juli 2025 blijkt dat klagers advocaat hem kennelijk een akte heeft doen toekomen met daarin een onjuist adres. Daarvan kan verweerster geen verwijt worden gemaakt. Verweerster is bovendien, als advocaat van klagers wederpartij, niet gehouden hem te informeren over de gevolgen van ondertekening van de akte. Ook op dit punt valt verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Klachtonderdeel c)
Dit verwijt ziet op verweersters e-mail aan klager van 10 juni 2025. De voorzitter ziet in die e-mail geen dreigementen, intimidatie en/of chantage. De e-mail is zakelijk en professioneel van toon. Dat er een reactietermijn is gesteld met de vermelding dat anders rechtsmaatregelen zullen worden getroffen, is niet ongebruikelijk en ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerster heeft bovendien onbetwist gesteld dat zij, naar aanleiding van klagers reactie, gewacht heeft op een reactie van zijn opvolgend advocaat. Ook hier is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
Dit verwijt ziet erop dat verweerster feitelijke onjuistheden zou hebben verspreid. Klager klaagt er allereerst over dat verweerster in haar e-mail van 10 juni 2025 heeft aangegeven dat klagers advocaat zich heeft onttrokken, terwijl duidelijk was gecommuniceerd dat klager zijn advocaat zelf had ontslagen. Dat klager en/of zijn advocaat dat aan verweerster hebben gecommuniceerd, blijkt niet uit het klachtdossier. De voorzitter kan alleen vaststellen dat klagers advocaat verweerster op 2 juni 2025 heeft laten weten dat hij klager niet langer bijstond. Verweersters vermelding in haar e-mail van 10 juni 2025 dat hij zich, naar zij begreep, had onttrokken als klagers advocaat, is daarmee niet onjuist. De mededeling is bovendien gedaan in een e-mail aan klager zelf. Als hij vond dat dit feitelijk onjuist was, had hij dit verweerster kunnen melden in zijn reactie. Dat heeft hij niet gedaan.
Klager verwijt verweerster verder dat zij tijdens de zitting heeft gesteld dat de wijkagent “onpartijdig” zou hebben gehandeld in een eerdere kwestie, terwijl er juist sprake was van partijdigheid en klager een klacht tegen de wijkagent had ingediend. De voorzitter kan niet vaststellen wat op de zitting precies is gezegd. Verweerster stelt dat haar cliënte had voorgesteld de wijkagent te laten bemiddelen en dat dit tijdens de zitting nogmaals is besproken. Verweerster heeft onbetwist aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van klagers klacht tegen de wijkagent. Dat blijkt ook niet uit het klachtdossier. De enkele vermelding van klagers advocaat in zijn email van 19 juni 2024 dat klager de wijkagent niet onpartijdig acht, maakt niet dat verweerster de wijkagent niet mocht benoemen.
Klager verwijt verweerster ook dat er aangifte is gedaan op zijn naam, tegen zichzelf, wat evident onhoudbaar is en vermoedelijk voortkomt uit foutieve aansturing. Klager stelt dat verweerster haar cliënte hierin heeft bijgestaan en tijdens de zitting heeft benoemd dat haar cliënte aangifte tegen klager had gedaan. De voorzitter kan klager niet volgen in zijn stellingen, nu feitelijke onderbouwing ontbreekt. Klager heeft in juli 2024 bij de politie gemeld dat aangifte was gedaan op zijn naam, terwijl dat niet het geval is. Dat deze aangifte door verweersters cliënte is gedaan, blijkt niet. Evenmin blijkt dat verweerster daarbij enige betrokkenheid heeft gehad. Ter zitting heeft verweerster benoemd dat haar cliënte aangifte heeft gedaan. De voorzitter kan niet vaststellen dat dit de eerdere in juli 2024 gedane aangifte betreft.
Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is op al deze punten niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e)
Klager verwijt verweerster dat zij in correspondentie de naam van haar cliënte en klagers naam verkeerd heeft gespeeld. Klager heeft niet concreet gemaakt in welke correspondentie dit verkeerd zou zijn gegaan. Als verweerster al een spelfout heeft gemaakt in de correspondentie, dan levert dat nog geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Tot slot
Klager lijkt verweerster in zijn repliek ook te verwijten dat zij bewust informatie verzwijgt, door bepaalde e-mails niet aan de deken te sturen en door informatie over haar cliënte (bijvoorbeeld haar adres en inkomensgegevens) niet te verstrekken. Wat betreft het verweer in de tuchtprocedure heeft verweerster een grote mate van vrijheid om verweer te voeren en is het niet aan klager om te bepalen welke stukken zij wel of niet dient in te brengen. Als hij vindt dat stukken missen, dient hij deze zelf in te brengen. Wat betreft het niet verstrekken van informatie over haar cliënte, heeft verweerster voldoende toegelicht waarom zij de informatie niet heeft verstrekt. Haar cliënte woonde op een geheim adres en zij achtte de inkomensgegevens niet relevant voor de procedure. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is ook hier niet gebleken.
Klager lijkt verweerster verwijten te maken over haar bereikbaarheid. Dat verweerster niet altijd telefonisch bereikbaar is en/of niet direct heeft gereageerd op e-mails, kan zo zijn, maar levert niet direct klachtwaardig handelen op. Dat verweerster in de klachtprocedure een dag na het verstrijken van de termijn om uitstel heeft gevraagd, is evenmin klachtwaardig. Dat klager door dit alles in zijn belangen is geschaad, is de voorzitter niet gebleken.
Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. Voor de door klager gedane verzoeken (zoals weergegeven onder 2.2) is geen grond vanwege de kennelijke ongegrondheid van de klacht, nog los van het feit dat intrekking van de (echtscheidings)zaak geen onderdeel kan zijn van de tuchtrechtelijke procedure.
Voor zover klager in zijn aanvulling van 4 november 2025 nieuwe klachten indient, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c van de Advocatenwet. In dit artikel wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat nieuwe klachten daarom buiten beschouwing. Hetgeen klager als nadere toelichting in zijn bericht van 4 november 2025 heeft opgenomen, is vanzelfsprekend wel meegenomen.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 december 2025
