Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:279
Zaaknummer
25-780/DH/RO
Zaaknummer
25-781/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing; klachten over de advocaten van de wederpartij in een incassozaak. Niet gebleken is dat klager onder druk is gezet om documenten te ondertekenen. Evenmin is gebleken dat het leggen van beslag en het entameren van een juridische procedure (dagvaarden) niet proportioneel en onzorgvuldig was gelet op de omstandigheden waarin klager verkeerde. De klachten hierover zijn kennelijk ongegrond. Voor zover klager heeft gesteld dat verweerders met hun handelen zijn ex-partner hebben benadeeld, zijn de klachten kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 24 december 2025 (bij vervroeging) in de zaken 25-780/DH/RO en 25-781/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
1. mr. […] (25-780/DH/RO)
verweerder 1
en
2. mr. […] (25-781/DH/RO)
verweerster 2
hierna samen ook: verweerders
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de twee brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 11 november 2025 met kenmerken R 2025/103 en R 2025/104 en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 6 (A - Klachtdossier) en 7 tot en met 16 (B - Overige correspondentie) in de zaak R 2025/103 (klacht over verweerder 1) en 1 tot en met 6 (A - Klachtdossier) en 7 tot en met 14 (B - Overige correspondentie) in de zaak R 2025/104 (klacht over verweerster 2).
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op de klachtdossiers, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is verwikkeld in een incassogeschil met een bedrijf (hierna: het bedrijf) naar aanleiding van een leaseovereenkomst en een aantal geldleningsovereenkomsten die (onder meer) klager met het bedrijf is overeengekomen. Verweerders zijn de advocaten van het bedrijf en daarmee de advocaten van de wederpartij van klager. De ex-partner van klager is medegedaagde in de door het bedrijf aanhangig gemaakte procedure.
1.2 Op 14 oktober 2024 heeft verweerster 2 namens het bedrijf een sommatiebrief aan klager gestuurd, waarin klager is meegedeeld dat het bedrijf een vordering van in totaal € 785.801,79 op klager had. In de sommatiebrief zijn, onder meer, de volgende alinea’s opgenomen:
“Onder verwijzing van het bovenstaande stel ik u in gebreke en verzoek ik u, en zo nodig sommeer ik u, om alsnog binnen 15 dagen na dagtekening (derhalve uiterlijk op 31 oktober 2024) het tot op heden bekend zijnde schadebedrag ad EUR 785.801,79 te voldoen op de derdengeldenrekening van ons kantoor (…).
Indien geen betaling plaatsvindt binnen de gestelde termijn, bent u in verzuim (voor zover nog benodigd) en zal [het bedrijf] tevens een vergoeding voor de reeds gemaakte en nog te maken (buiten)gerechtelijke incassokosten van u vorderen. Hierbij zegt [het bedrijf] deze kosten aan en wijst u erop dat deze kosten bovenop het reeds gevorderde bedrag zullen komen. Mocht u niet overgaan tot betaling, zal ik tevens [het bedrijf] in overweging geven zonder verdere aankondiging rechtsmaatregelen tegen u te treffen.
[Het bedrijf] is echter evenwel bereid om deze kwestie minnelijk op te lossen. In dat kader heb ik van [het bedrijf] vernomen dat u voornemens bent de woning aan [adres] op korte termijn te verkopen. Op deze woning heeft [het bedrijf] een recht van (tweede)hypotheek gevestigd. [Het bedrijf] ontvangt graag van u zo spoedig mogelijk een voorstel. U kunt daartoe uitsluitend contact opnemen met ondergetekende.”
1.3 Bij e-mail van (eveneens) 14 oktober 2024 heeft klager aan verweerster 2 een reactie gestuurd op de sommatiebrief. Hierin schrijft klager onder meer dat een deel van het bedrag zou worden berekend zonder de rentes, omdat zij failliet zijn. Verder geeft klager aan dat zij door een moeilijke tijd gaan, maar bereid zijn om voor zover haalbaar zoveel mogelijk mee te werken.
1.4 Op 9 december 2024 heeft klager een rappélverzoek gestuurd. In reactie hierop heeft verweerster 2 (eveneens) op 9 december 2025 aan klager geantwoord dat zij van haar cliënte had begrepen dat klager en zijn ex-partner openstonden voor een gesprek op het kantoor van verweerders. Hierop heeft klager op 10 december 2024 contact opgenomen met verweerder 1 en is een afspraak gemaakt om op 17 december 2024 deze kwestie te bespreken samen met zijn ex-partner.
1.5 Op 10 december 2024 heeft verweerder 1 een e-mail van klager ontvangen waarin hij mede namens zijn ex-partner stellingen inneemt. Hij schrijft: “Hierbij wil ik aangeven dat mijn echtgenote (…) eveneens betwist wat u en uw cliënte stellen.” Verder schrijft klager dat hij en zijn echtgenote aanwezig zullen zijn op het afgesproken moment en hij “in ieder geval zelf gegarandeerd”.
1.6 Op 17 december 2024 heeft het gesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerders. Daarbij was de ex-partner van klager niet aanwezig.
1.7 Op 7 mei 2025 hebben verweerders namens hun cliënte beslag laten leggen op de woning van klager en op 20 mei 2025 is een dagvaarding aan klager betekend.
1.8 Op 21 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder 1 en op 22 mei 2025 over verweerster 2.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerders dat zij misbruik hebben gemaakt van zijn kwetsbare positie. Concreet gaat het daarbij om de volgende klachtonderdelen:
ten aanzien van beide verweerders:
a) verweerders hebben misbruik gemaakt van de omstandigheden (in het bijzonder de slechte gezondheidstoestand van klager) teneinde klager ertoe te bewegen toezeggingen te doen en documenten te tekenen;
b) het leggen van beslag en het entameren van een juridische procedure (dagvaarden) is niet proportioneel gelet op klagers omstandigheden;
c) er is geen rekening gehouden met de belangen van de ex-partner van klager;
d) verweerders hebben in strijd gehandeld met gedragsregels 2 en 10.
ten aanzien van verweerder 1:
e) het optreden van verweerder getuigt van dwang, schending van zorgvuldigheid, en een gebrek aan eerbied voor de waarheid.
3 VERWEER
3.1 Verweerders hebben gezamenlijk verweer gevoerd tegen de klachten. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaken betreffen klachten over de advocaten van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Ten aanzien van de klachtonderdelen over beide verweerders overweegt de voorzitter het volgende.
Klachtonderdeel a) - misbruik van omstandigheden
4.3 Klager verwijt verweerders in dit klachtonderdeel dat zij misbruik hebben gemaakt van de omstandigheden teneinde klager ertoe te bewegen toezeggingen te doen en documenten te tekenen. Volgens klager hebben verweerders hem tijdens het gesprek op 17 december 2024 op intimiderende wijze onder druk gezet om een schuld van € 850.000,- te erkennen en toezeggingen te doen, ondanks zijn slechte medische en psychische toestand, waarbij is gedreigd met juridische stappen. Klager heeft tijdens het gesprek gezegd dat hij op een hernia-operatie wachtte en daarom zware pijnmedicatie gebruikte (morfine) en daarnaast dat hij psychisch overbelast is vanwege een complexe privésituatie. Desondanks hebben verweerders het gesprek voortgezet en is de druk verhoogd door te dreigen met beslag op en verkoop van zijn woning. Door zijn medische toestand kon klager niet meteen reageren. Klager betwist de inhoud van de gemaakte afspraken en beklaagt zich over de wijze waarop deze tot stand gekomen zijn en heeft ter onderbouwing van
4.4 Verweerders herkennen zich niet in het beeld van klager dat hij onder druk zou zijn gezet om documenten te tekenen en/of dat er misbruik is gemaakt van zijn omstandigheden. Volgens verweerders is van het tegenovergestelde sprake. Klager heeft alle tijd gekregen om tot betaling over te gaan of tot een regeling te komen. Namens cliënte is hierover uitgebreid meegedacht met klager. Verweerders betwisten de inhoud van de door klager overgelegde transcriptie en hebben hun eigen transcriptie van het gesprek op 17 december 2024 overgelegd. Verder hebben verweerders aangevoerd dat zij ook in de aanloop naar het gesprek klager niet onder druk hebben gezet maar dat klager juist alle tijd heeft gekregen om tot betaling over te gaan of tot een regeling te komen.
4.5 De voorzitter ziet geen aanleiding om het bewuste gesprek, waarvan klager en verweerder een transcriptie hebben ingebracht, zelf te beluisteren. Ook als de voorzitter uitgaat van de transcriptie, zoals die door klager ter onderbouwing van de klacht is ingebracht, blijkt de voorzitter hieruit niet dat klager tijdens het gesprek onder druk is gezet of dat misbruik is gemaakt van de medische en psychische omstandigheden van klager. Het blijkt dat klager zijn medische situatie benoemt. Dat klager echter niet in staat was een gesprek te voeren, blijkt niet. Klager is ook (zelfstandig) op het kantoor van verweerders verschenen na een daartoe gemaakte afspraak. In het klachtdossier bevindt zich de e-mail van klager (rov. 1.5) en daaruit volgt ook niet dat klager onder druk stond om op deze afspraak te verschijnen. Uit de sommatiebrief van 14 oktober 2024 en het verloop van de feiten daarna (zie rov. 1.2 en verder) blijkt dat het bedrijf openstond voor het treffen van een minnelijke regeling en dat om die reden de bespreking was ingepland op 17 december 2024. Dit blijkt ook uit hetgeen verweerder 1 in het gesprek heeft gezegd (hetgeen door de transcriptie van zowel klager als verweerders wordt ondersteund). Anders dan klager stelt, valt uit het klachtdossier niet op te maken dat klager tijdens dat gesprek onder druk is gezet om documenten te ondertekenen. Er is wel gesproken over de hoogte van de schuld die klager zou hebben bij de cliënte van verweerders en hoe de kwestie opgelost kon worden, zodat er geen gerechtelijke procedure hoefde te worden gestart. Ook heeft verweerder 1 benoemt dat een ondertekening van te maken afspraken door de echtgenote van klager noodzakelijk is. Dat klager tijdens het gesprek heeft gezegd niet namens zijn echtgenote te spreken, moge zo zijn, maar is verder niet relevant. Niet blijkt dat klager onder druk is gezet om namens zijn echtgenote toezeggingen te doen. Verder is
Klachtonderdeel b)
4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerders dat het leggen van beslag en het entameren van een juridische procedure (dagvaarden) niet proportioneel en onzorgvuldig was gelet op de omstandigheden waarin klager verkeerde.
4.7 Dit klachtonderdeel treft evenmin doel. De voorzitter overweegt dat het de taak is van verweerders om als partijdig belangenbehartigers de belangen van het bedrijf (klagers wederpartij) te behartigen. Daarin genieten zij, zoals gezegd, een grote mate van vrijheid om te handelen zoals dat hen in overleg met hun cliënte passend voorkomt. Uit de stukken blijkt dat de cliënte van verweerders meent een vordering op klager (en diens ex-partner) te hebben van ongeveer € 850.000,-. Op 17 december 2024 heeft de bespreking plaatsgevonden waarin is gesproken over hoe een en ander opgelost kon worden zonder dat een gerechtelijke procedure in gang gezet hoefde te worden. Uit de stukken begrijpt de voorzitter dat die oplossing niet is bereikt tussen partijen. Het stond verweerders dan ook vrij om in mei 2025 namens hun cliënte beslag te laten leggen op klagers woning en klager vervolgens te dagvaarden. Dat dit kon gebeuren, was ook reeds benoemd in de bespreking op 17 december 2024. Verweerders hoefden daarbij niet af
Klachtonderdeel c) - belangen ex-partner klager
4.8 De voorzitter zal voor dit klachtonderdeel eerst beoordelen of klager (volledig) kan worden ontvangen in dit klachtonderdeel. Hiervoor is relevant dat het klachtrecht niet in het leven is geroepen voor iedereen, maar slechts voor degene die door het handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn (of haar) belang is of kan worden getroffen. Als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig is, kan de deken het klachtrecht uitoefenen.
4.9 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager geen rechtstreeks eigen belang bij dit klachtonderdeel voor zover hij stelt dat zijn ex-partner door het handelen van verweerders in haar belangen is geschaad. Volgens klager is dat gebeurd doordat verweerders haar bij de kwestie hebben betrokken terwijl zij bewust geen contact had opgenomen met verweerders of hun cliënte omdat zij weigerde als schuldenaar beschouwd te worden. De voorzitter is van oordeel dat dit verwijt betrekking heeft op een aangelegenheid tussen de ex-partner en verweerders. Als de ex-partner van mening is dat zij door de handelwijze van verweerders is benadeeld, is het aan haar om hierover een klacht in te dienen. Klager staat hier verder buiten. Nu niet is gebleken dat de klacht mede namens de ex-partner is ingediend, zodat klachtonderdeel c) in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4.10 Voor het overige stelt klager in dit klachtonderdeel dat verweerders hem tijdens het gesprek op 17 december 2024 hebben gevraagd ook namens zijn echtgenote de schulden te erkennen, terwijl hij hiertoe niet bevoegd was. Tegenover de gemotiveerde betwisting van dit verwijt door verweerders, heeft klager dit verwijt onvoldoende onderbouwd, terwijl ook uit de overgelegde stukken (waaronder de transcripties van zowel klager als verweerders) niet blijkt dat verweerders klager tijdens het gesprek hebben gedwongen tot een erkenning van de schuld mede namens zijn ex-partner. In zoverre is de klacht kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.11 Volgens klager is sprake van misbruik van zijn psychische en fysieke gesteldheid en dat is in strijd met gedragsregel 2 (aldus klager eerbied voor de belangen van derden) en gedragsregel 10 (aldus klager het verbod op misbruik van een positie van overmacht of afhankelijkheid). Deze werkwijze is volgens klager niet passend bij een zorgvuldige en integere advocatenpraktijk en rechtvaardigt tuchtrechtelijk ingrijpen.
4.12 Naar het oordeel van de voorzitter hebben de door klager aangehaalde gedragsregels geen betrekking op hetgeen klager hierover naar voren heeft gebracht. Gedragsregel 2 ziet op de onafhankelijkheid en partijdigheid van de advocaat en gedragsregel 10 ziet op de verenigbaarheid van activiteiten van de advocaat. Handelen in strijd met deze gedragsregels, heeft de voorzitter op grond van hetgeen klager heeft aangevoerd niet kunnen vaststellen, zodat ook klachtonderdeel d) kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel e) over verweerder 1
4.13 Voor zover klager verweerder 1 verwijt dat zijn optreden getuigt van dwang, schending van zorgvuldigheid, en een gebrek aan eerbied voor de waarheid, geldt dat de voorzitter de juistheid van dit verwijt niet heeft kunnen vaststellen. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op de rol van verweerder 1 in het gesprek van 17 december 2024, acht de voorzitter dat -zoals hiervoor bij de beoordeling van klachtonderdeel a) reeds is overwogen- niet is komen vast te staan dat verweerder 1 zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Klachtonderdeel e) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond.
4.14 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klachten, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaren. Hetgeen klager verder naar voren heeft gebracht, kan de voorzitter niet tot een ander oordeel leiden.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
in de klacht over verweerder 1 met kenmerk 25-780/DH/RO
- klachtonderdelen a), b), c) (gedeeltelijk), d) en e) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- klachtonderdeel c) (overig) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
in de klacht over verweerster 2 met kenmerk 25-781/DH/RO
- klachtonderdelen a), b), c) (gedeeltelijk) en d) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- klachtonderdeel c) (overig) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 december 2025
