Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:266

Zaaknummer

25-708/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over het handelen c.q. nalaten van verweerder als bewindvoerder in een schuldsaneringstraject. Het traject is in december 2024 beëindigd. Klacht is buiten de termijn van drie jaar ingediend. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Klacht niet-ontvankelijk. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 17 december 2025 in de zaak 25-708/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 20 oktober 2025 met kenmerk R 2025/098 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 23. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mails met biljagen van klaagster van 3 november 2025 en 13 november 2025.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klaagster (c.q. haar man) heeft sinds maart 2009 een vordering op B. B was destijds getrouwd met K.

1.2 Bij vonnis van 6 december 2011 is K toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Verweerder is benoemd tot bewindvoerder.

1.3 In oktober 2013 heeft klaagster verweerder gemaild over het schuldsaneringstraject van K, waarbij zij verweerder diverse vragen heeft gesteld en hem onder meer heeft gewezen op een e-mail van K van 8 mei 2009 en op een kwestie van kinderalimentatie.

1.4 Op 29 december 2014 is de schuldsaneringsregeling van K met een schone lei beëindigd.

1.5 In reactie op twee e-mails van klaagster heeft verweerder op 29 januari 2020 aan klaagster onder meer geschreven:

“Uiteraard betwist ik in de schuldsaneringsregeling van [K] tekort te zijn geschoten in mijn werkzaamheden als bewindvoerder.

Zoals u bekend is, kan na beëindiging van de schuldsaneringsregeling met een schone lei de schone lei achteraf door de Rechtbank worden ontnomen. Op grond van art. 358a Faillissementswet kunnen belanghebbenden, waaronder begrepen kan worden een voormalig bewindvoerder, daartoe een verzoek indienen. Indien de Gemeente […], de Belastingdienst en de politie aan mij laten weten dat zij gegevens waarover zij tegen aanzien van [K] en [B] beschikken vanwege privacy redenen niet met mij kunnen delen, hetgeen begrijpelijk is, houdt het voor mij als voormalig bewindvoerder echter op.”

1.6 Op 28 augustus 2020 en 8 oktober 2020 heeft klaagster in e-mails aan onder meer verweerder geschreven dat zij de deken gaat inschakelen met betrekking tot zijn handelen c.q. dat zij de deken gaat verzoeken om onderzoek te verrichten naar verweerders handelen als bewindvoerder in de zaak K.

1.7 Op 9 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a) Verweerder heeft als bewindvoerder geweigerd de onrechtmatigheden/fraude van de schuldenaar te melden bij de rechter-commissaris. Hij heeft een fake werkgever van de schuldenaar gedurende haar WSNP-periode niet herkend (webformulier d.d. 9 juli 2025).

Klaagster licht toe dat haar als schuldeiser haar rechten zijn ontnomen door onder andere verweerder. De schuldenaar is wegekomen met fraude en heeft haar oplichtingspraktijken na het verkrijgen van een schone lei met haar partner voortgezet. Klaagster stelt dat zij onmiddellijk contact heeft gezocht met verweerder en hem heeft gewezen op onder meer de e-mail van K van 8 mei 2009, de kinderalimentatie en het arbeidscontract van K. Verweerder heeft met al die informatie niets gedaan. In december 2014 kreeg K een schone lei. Klaagster heeft verweerder de afgelopen jaren continu op de hoogte gehouden van de oplichtingspraktijken van K en haar partner. Verweerder bleef klaagster negeren en gesprekken weigeren. Klaagster stelt dat verweerder op zijn minst in gebreke is gebleven.

2.2 Klaagster heeft gesteld dat verweerder zich door zijn handelen/nalaten medeplichtig heeft gemaakt aan ‘faciliteren schuldeisers, faciliteren fraude, faciliteren valsheid in geschrifte, faciliteren witwassen, onrechtmatige daden (o.a. persoonlijk faillissement regelen voor [B] terwijl verweerder op de hoogte was van het feit dat de schulden uit misdaad waren ontstaan) en misleiding Rechter Commissaris’.

2.3 In reactie op de dekenvisie heeft klaagster op 5 oktober 2025 aan de deken laten weten dat zij verweerder beschuldigt van:

- misleiding van de rechter-commissaris: verzwijgen van fraude in de echtscheidingsdocumenten m.b.t. de kinderalimentatie;

- het faciliteren van oplichting van de schuldeisers van K;

- het faciliteren van witwassen door middel van het wit maken van de schulden die K uit misdaad had verkregen;

- het niet controleren van de “werkgever” van K gedurende haar schuldsaneringstraject;

- het beschamen van zijn onafhankelijkheid als advocaat (kernwaarde);

- het faciliteren van misdaad door, kennis hebbende van het feit dat de ex-echtgenoot van K (B), schulden uit misdaad had, toch het persoonlijk faillissement van B aan te vragen in februari 2012.

2.4 Klaagster stelt dat niet gesproken kan worden van verjaring: ‘o.a. fraude gepleegd door een advocaat kent geen verjaring.’ Ook witwassen verjaart niet. Klaagster stelt verder dat zij deze zaak niet alleen met verweerder, maar met diverse andere partijen te maken heeft gehad, die allemaal ruimschoots de tijd namen om te reageren. Daar zijn letterlijk jaren overheen gegaan.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de klacht te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).

4.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

Beoordeling

4.3 De klacht ziet op het handelen c.q. nalaten van verweerder als bewindvoerder in het schuldsaneringstraject van K. Verweerder was tot de beëindiging van dit traject op 29 december 2014 bewindvoerder. Klaagster had ten tijde van het schuldsaneringstraject al contact met verweerder over de punten die zij nu in de klacht noemt (zoals de kinderalimentatie). Ook daarna, waaronder in januari 2020, heeft klaagster daarover contact gehad met verweerder. De voorzitter stelt vast dat klaagster in ieder geval in januari 2020 (maar mogelijk veel eerder) bekend was met het handelen c.q. nalaten van verweerder waar zij nu, in 2025, over klaagt. Klaagster heeft haar klacht daarmee ruim buiten de termijn van drie jaar ingediend.

4.4 Klaagster heeft niet betwist dat de klacht buiten die termijn is ingediend. Wel stelt zij dat niet gesproken kan worden van verjaring, omdat fraude en witwassen geen verjaring kent, aldus klaagster. De voorzitter kan klaagster daarin niet volgen. De hiervoor genoemde termijn van drie jaar is een vervaltermijn en daarna vervalt in principe het recht om te klagen op grond van de Advocatenwet. Dat de verjaringstermijn voor dergelijke strafbare feiten in het strafrecht anders is, doet daar niet aan af.

4.5 Ook verder ziet de voorzitter geen reden om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. De voorzitter ziet niet in waarom klaagsters contact met andere partijen tot vertraging heeft moeten leiden. Klaagster was al geruime tijd bekend met het handelen c.q. nalaten waarover zij klaagt. Zij heeft in 2020 zelfs al aangekondigd naar de deken te zullen gaan, maar heeft dat toen – om haar moverende redenen – niet gedaan. Klaagster had haar klacht (veel) eerder moeten indienen.

4.6 De voorzitter verklaart de klacht dan ook niet-ontvankelijk.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.

Griffier Voorzitter

 

Verzonden op: 17 december 2025