Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:259
Zaaknummer
25-696/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over het neerleggen van de opdracht door de eigen advocaat. Duidelijk is dat klager en verweerder een andere visie hadden over de aanpak en het vervolg van klagers zaak. Klager heeft vervolgens een klacht ingediend bij het kantoor. Verschil van inzicht dat uiteindelijk onoverbrugbaar is gebleken. Verweerder kon zich dan ook terugtrekken. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 10 december 2025
in de zaak 25-696/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 14 oktober 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K135 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klager van 30 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een conflict (gehad) met een aannemer over gebreken aan een gebouwde schuur. Klager is eerst bijgestaan door mr. K en vervolgens door mr. O. Op 16 april 2025 heeft mr. O aan klager laten weten dat hij de zaak vanwege gezondheidsredenen aan verweerder overdraagt.
1.2 Op 22 april 2025 heeft een eerste telefonisch contact tussen klager en verweerder plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft klager twee e-mails met diverse bijlagen naar verweerder gestuurd.
1.3 Op 23 april 2025 heeft verweerder onder meer als volgt gereageerd:
“Ik ga aan de slag met het opstellen van een conceptbrief aan de wederpartij. (…) In de brief zal ik jouw standpunt omtrent het benodigde herstel uiteen zetten. (…)
In dat kader is het rapport van [expert] van waarde: het laat duidelijk zien dat er op meerdere punten sprake is van gebrekkig werk, maar niet zodanig dat sloop van de gehele schuur gerechtvaardigd zou zijn. (…)
We bespraken ook jouw wens om een hoger schadebedrag in te zetten dan de door [expert] geraamde EUR 26.000 (los van de expertisekosten). Uiteraard staat het je vrij dat voorstel te doen. Ik zal jouw schikkingsvoorstel opnemen in de brief, maar ik heb ook aangegeven dat het niet waarschijnlijk is dat de wederpartij een hoger bedrag zal accepteren dan de door de expert genoemde herstelkosten.
Tot slot: mocht er geen schikking worden bereikt, dan blijft alleen procederen over. Zoals besproken: [kantoor] voert geen gerechtelijke procedures wanneer wij de kans van slagen te laag inschatten. Omdat wij werken met vaste tarieven – en dus zelf een proceskostenveroordeling dragen – is het risico voor ons simpelweg te groot. Ik wil daar graag vanaf het begin transparant over zijn. (…) In het geval procederen toch noodzakelijk wordt, zal je dan ook een ander advocatenkantoor moeten benaderen.”
1.4 Op 25 april 2025 heeft klager in een e-mail aan verweerder onder meer geschreven:
“Eerlijk gezegd voel ik mij behoorlijk misleid. Als je goed hebt opgelet, heb je gemerkt dat ik erg verbaasd reageerde toen jij, tijdens ons eerste gesprek, tussen de regels door liet vallen dat [kantoor] de rechtszaak misschien helemaal niet ging voeren. Ik kan je verzekeren; die informatie was voor mij geheel nieuw. (…)
Maar er is mij nooit verteld dat het nog voorwaardelijk was of de fase van procederen wel door [kantoor] zou worden ingezet. Sterker nog, ik heb tijdens mijn communicatie met [mr. O] heel erg duidelijk gemaakt dat ik sowieso wilde gaan procederen indien de tegenpartij niet op het schikkingsvoorstel van € 55.000,- wilde ingaan en ons daarmee dwong om de expertisekeuring te gaan verrichten en verdere moeite te moeten doen. [Mr. O] heeft nooit enige indicatie gegeven dat dit misschien geen optie was. Ik heb daarop ook mijn hele houding jegens de tegenpartij gebaseerd.”
1.5 Op 28 april 2025 heeft klager bij het kantoor van verweerder een klacht ingediend over de behandeling van zijn zaak, onder meer inhoudende:
“Vorige week werd onze zaak overgenomen door [verweerder]. Tijdens het gesprek hoorde ik – voor de eerste keer (!) – dat [kantoor] deze zaak voor ons waarschijnlijk helemaal niet voor de rechter gaat brengen. Dat was volledig nieuw voor mij (…). Daarvan is voorheen NOOIT sprake geweest door [mr. K] of [mr. O]. (…)
Ik wist niet beter dan dat ik slechts de eerste noodzakelijke stappen nam, onderweg naar de rechtszaak die noodzakelijk is om [wederpartij] te dwingen om zijn verantwoordelijkheid te nemen.
Nu zit ik, een klein jaar later, opeens met een [kantoor]-advocaat ([verweerder]) die mij vertelt dat hij niet van plan is om te procederen. Het hoogst haalbare dat hij aanbiedt is dat hij ‘handjeklap’ wil gaan doen met de tegenpartij, om een paar Euro’s. Als ik dat had geweten hadden jullie voor mij nooit aan deze zaak mogen beginnen.”
1.6 Op 29 april 2025 heeft klager aan verweerder onder meer als volgt bericht:
“Ik had een mail ontvangen van de advocaat van de tegenpartij. Onderstaand antwoord zou mijn reactie zijn geweest, maar we hebben afgesproken dat jij verder de communicatie voert.
Wil je daar trouwens alstjeblieft even mee wachten. Zoals je hebt gezien heb ik gisterne mijn klacht m.b.t. deze zaak verstuurd. Om nu verder te overleggen met de tegenpartij – in de duidelijke veronderstelling dat er toch niet geprocedeerd gaat worden – is volledig in strijd met mijn wensen en het is mij een jaar lang niet verteld. (…)
Aub wel graag onmiddellijk de rekening van de expertisekeuring doorsturen aan de tegenpartij.”
1.7 Op 10 mei 2025 heeft klager aan verweerder onder meer als volgt bericht:
“Maar deze mail gaat over de kosten van de expertisekeuring. Ik heb je al gevraagd om die alvast terug te vorderen van de tegenpartij. Aan alle voorwaarden is voldaan. (…)
Bij onderzoek op basis van ongelijk betekent dat zij moeten betalen. Ik heb je al gevraagd om dit te regelen. Graag onmiddellijke actie.”
1.8 In mei en juni 2025 is er veelvuldig contact geweest tussen klager en klachtbehandelaar B en later E. Op 17 mei 2025 heeft klager aan E onder meer gemaild:
“Wat mij in ieder geval mateloos irriteert is dat ik [verweerder] al minstens drie keer heb verzocht om alvast te beginnen de onderzoekskosten terug te vorderen van de tegenpartij en dat hij zelfs niet eens antwoord.”
1.9 Op 3 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.10 Op 11 juni 2025 heeft mr. D, manager en advocaat bij het kantoor van verweerder, aan klager onder meer geschreven:
“Hierbij deel ik u namens [verweerder] mee dat hij zich als advocaat aan uw zaak onttrekt nu er sprake is van een onoverkomelijke vertrouwensbreuk. Deze vertrouwensbreuk bestaat erin dat er onenigheid bestaat over de te volgen koers in uw zaak.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij weigert klagers belangen nog langer te behartigen.
2.2 Klager heeft toegelicht dat verweerder de zaak heeft overgenomen van zijn kantoorgenoot (mr. O), maar weigert om klager te vertegenwoordigen op een manier waardoor klager de vergoeding kan krijgen waar hij recht op heeft. Omdat klager niet wil meegaan in zijn benadering heeft verweerder er nu voor gekozen om klager helemaal niet meer te vertegenwoordigen. Verweerder antwoordt niet eens meer.
2.3 Klager stelt dat verweerder in het eerste telefoongesprek, tot klagers verrassing en verbazing, zei dat hij niet bereid was om te procederen tegen de tegenpartij, terwijl er een NIVRE-expertiserapport ligt dat klagers schade en kosten aantoont en kwalificeert. De kosten van sloop en herbouw werden begroot op € 58.000,- (en niet € 50.000,- zoals in een tussenversie van het rapport foutief is opgenomen). Klager heeft vanaf het begin de verwachting uitgesproken dat de tegenpartij niet vrijwillig zou meewerken en dat dwang daarom noodzakelijk is. Verweerder liet weten dat hij slechts voor klager wil gaan proberen om met de tegenpartij te gaan onderhandelen op basis van de laagste schatting, waarbij hij liet doorschemeren dat hij zich daarbij significant ‘naar beneden zal laten praten’. Effectief vroeg verweerder klager om akkoord te gaan met een onderhandelingsresultaat dat significant lager zal zijn dan de daadwerkelijke schade. Klager is daarmee niet akkoord. Klager heeft geen andere mogelijkheden. Verweerder laat de zaak nu doodbloeden, terwijl de klachtenafdeling van zijn werkgever klager bezig houdt met ineffectieve en vertragende dialoog.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat hij als advocaat niet gehouden is een procedure te voeren die hij als kansloos inschat, met als enkel doel om de wederpartij dwars te zitten. Verweerder heeft toegelicht dat kort voor het kennismakingsgesprek op 22 april 2025 een expertiserapport was opgemaakt. De deskundige oordeelde daarin dat forse gebreken aanwezig waren, maar dat volledige sloop en herbouw van de schuur, waarvan de kosten op € 50.000,- beraamd werden, disproportioneel waren. Met gedeeltelijk herstel en extra onderhoud gedurende de levensduur van de schuur werd de reële schade door de deskundige beraamd op € 26.000,-. Verweerder heeft het rapport tijdens het gesprek uitgebreid besproken met klager. Klager maakte duidelijk dat hij uitsluitend genoegen zou nemen met sloop en volledige herbouw en daarom in de onderhandelingen wilde uitgaan van een schadebedrag van minimaal € 50.000,-. Hij wilde een procedure beginnen met als inzet de sloop en herbouw van de schuur. Verweerd
3.2 Op 28 april 2025 diende klager een interne klacht in bij het kantoor. Op 29 april 2025 ontving verweerder van klager nog een e-mail met allerlei verwijten, waarin klager ook de eenzijdige instructie gaf om alvast de kosten van het deskundigenrapport op de wederpartij te verhalen. Verweerder heeft geen contact opgenomen met de wederpartij en gewacht wat de uitkomst van de interne klachtenprocedure zou zijn. Indien verweerder contact zou hebben opgenomen met de wederpartij en daarbij slechts zou ingaan op de deskundigenkosten zou dit ook vragen oproepen bij de wederpartij. Dit was niet in het belang van klager.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Overweging vooraf
4.1 De voorzitter stelt verder voorop dat de tuchtrechter slechts oordeelt over de vraag of de beklaagde advocaat, verweerder, zich heeft gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De voorzitter oordeelt in deze zaak niet over het handelen en/of nalaten van klagers eerdere advocaten. Evenmin zal de voorzitter een oordeel geven over de behandeling van klagers klacht door het kantoor.
Toetsingskader
4.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets.
4.4 In gedragsregel 14 staat het volgende:
1. De advocaat draagt volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opdracht. De advocaat kan zich niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken met een beroep op de van zijn cliënt verkregen opdracht. Hij mag evenwel geen handelingen verrichten tegen de kennelijke wil van de cliënt.
2. Indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken.
3. Wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dient hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
Beoordeling klacht
4.5 De klacht ziet erop dat verweerder heeft geweigerd om klager te vertegenwoordigen op de wijze die klager wilde en dat verweerder er uiteindelijk voor heeft gekozen om klager helemaal niet meer te vertegenwoordigen. Uit de e-mailcorrespondentie tussen klager en verweerder in april 2025 blijkt duidelijk dat klager en verweerder een andere visie hadden over de aanpak en het vervolg van klagers zaak. Verweerder zag gelet op het recent verschenen expertiserapport alleen mogelijkheden om met de wederpartij te gaan onderhandelen over de hoogte van het schadebedrag. Hij heeft direct duidelijk gemaakt dat hij geen procedure zou voeren, omdat hij de kansen hiervoor te laag inschatte. Het stond hem naar het oordeel van de voorzitter vrij om dat te doen; verweerder heeft immers de leiding over de zaak en dient vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt het best zijn gediend.
4.6 Klager is kennelijk overvallen door de mededeling dat een procedure geen reële optie (meer) was, was het hier niet mee eens en heeft vervolgens een klacht ingediend bij het kantoor. Duidelijk is dat tussen klager en verweerder een verschil van inzicht bestond over de aanpak van de zaak dat uiteindelijk onoverbrugbaar is gebleken. Verweerder kon zich dan ook als advocaat onttrekken aan klagers zaak, zeker nadat klager een klacht tegen verweerder had ingediend bij de deken.
4.7 De voorzitter acht niet onbegrijpelijk dat verweerder, nadat klager een interne klacht had ingediend, niet meer heeft gereageerd en geen actie heeft ondernomen in klagers zaak. Van een advocaat kan niet verwacht worden dat hij werkzaamheden verricht op het moment dat er een klacht tegen hem is ingediend en de procedure nog loopt, zeker als er geen dringende werkzaamheden zijn die verricht moeten worden.
4.8 De voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De voorzitter zal de klacht dan ook kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 december 2025
