Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:278
Zaaknummer
25-750/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat wederpartij. Klacht over misbruik van toevoeging kennelijk niet-ontvankelijk vanwege een gebrek aan rechtstreeks belang. Klacht over misbruik van procesrecht kennelijk ongegrond. Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een evident kansloze processtrategie of dat onjuistheden zijn opgenomen in de dagvaarding.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 24 december 2025 in de zaak 25-750/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 31 oktober 2025 met kenmerk K116 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 25 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een geschil met G over door klager (via zijn rechtspersoon H) aan G geleende geldbedragen. Op 16 juni 2022 heeft klager, mede namens H, G gedagvaard.
1.2 Op 31 januari 2023 heeft G aangifte gedaan tegen klager. De aangifte maakt geen onderdeel uit van het klachtdossier.
1.3 Op 22 februari 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank vonnis gewezen (ECLI:NL:RBMNE:2023:874) en G veroordeeld tot betaling aan H. in het vonnis is onder meer vermeld:
“3.1. Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat [H] (en niet [klager] ) de partij is die in totaal € 4.400,- heeft geleend aan [G].
De kantonrechter (…)
4.2. veroordeelt [G] in de proceskosten, aan de zijde van [klager] c.s. tot dit vonnis vastgesteld op [bedrag]”.”
1.4 Verweerder heeft klager bijgestaan in het hoger beroep tegen dit vonnis. Op 1 maart 2023 heeft verweerder een toevoeging aangevraagd voor bijstand aan klager in deze zaak.
1.5 Op 16 mei 2023 is de appeldagvaarding aan klager betekend. Deze dagvaarding maakt geen onderdeel uit van het klachtdossier.
1.6 Op 26 oktober 2023 is de zaak door het gerechtshof mondeling behandeld.
1.7 Op 5 december 2023 heeft het gerechtshof arrest gewezen (ECLI:NL:GHARL:2023:10358) en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het arrest is onder meer vermeld:
“2.2. [G] komt met één grief (bezwaar) op tegen dit vonnis.
2.3. Het hoger beroep richt zich ook tegen [klager] omdat de proceskostenveroordeling in het vonnis ten gunste van zowel [H] als [klager] is uitgesproken.”
1.8 Bij brief van 24 april 2025 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld.
1.9 Op 9 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Misbruik van toevoeging: verweerder heeft onterecht en op onjuiste wijze medewerking verleend aan het verkrijgen van een toevoeging bij de Raad voor Rechtsbijstand van 6 maart 2023 ten behoeve van G.
b) Misbruik van procesrecht:
Gedragsregel 5: verweerder heeft ervoor gekozen om tot rauwelijkse dagvaarding over te gaan.
Gedragsregel 6: Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat partijen het erover eens zijn dat H (en niet klager) de partij is die geld aan G heeft geleend. Mede hieruit blijkt dat de aangifte van 31 januari 2023 door G met vooropgezet doel op basis van loze, althans geconstrueerde beschuldigingen en onjuiste verklaringen is opgemaakt en dat daarmee rauwelijks is gedagvaard, hetgeen misbruik van procesrecht oplevert. Daarnaast worden zowel de rechtspersoon als de bestuurder gedagvaard terwijl reeds in het vonnis van de rechtbank werd vastgesteld dat slechts de rechtspersoon als geldlener werd aangemerkt. Ook dit levert misbruik van procesrecht op.
Gedragsregel 8: Verweerder heeft de aangifte van G ingebracht in de procedure met het uitsluitende doel, zonder dat dit tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekt, onevenredig nadeel aan de wederpartij toe te brengen. Ook heeft verweerder feitelijke informatie in de dagvaarding vermeld waarvan hij wist of had kunnen en moeten weten dat die informatie onjuist is. Dit geldt temeer omdat verweerder heeft aangegeven G al vele jaren te kennen, waaruit valt te concluderen dat er sprake is van een innige relatie tussen G en verweerder.
Gedragsregel 12: G heeft met zich met indienen van de aangifte van 31 januari 2023 schuldig gemaakt aan smaad en laster, chantage en afpersing en verweerder heeft hiertegen niets ondernomen. Verweerder heeft hier niet tegen geadviseerd en weshalve heeft hij zich als advocaat medeschuldig gemaakt aan onrechtmatige daad.
2.2 Klager stelt dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat verweerder en zijn cliënt met het voeren van de procedure de intentie tot benadeling van (een van de) schuldeisers hebben gehad. Verweerder heeft een evident kansloze processtrategie gehanteerd en daarmee kenbaar onredelijk gebruik van procesrecht gemaakt. Verweerders handelen heeft geleid tot materiële en immateriële schade, waarvoor klager onder meer verweerder aansprakelijk houdt. Klager verzoekt vergoeding van de ontstane schade.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, omdat klager de tuchtrechter gebruikt voor een civiele schadevergoedingsactie. De tuchtrechter is daarvoor niet de plaats.
3.2 Voor zover klager ontvankelijk is, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de klacht ongegrond moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd met bewijs. Verweerder stelt dat klager zich bedient van vooronderstellingen welke niet geverifieerd zijn.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klacht
4.1 Verweerder heeft aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, omdat klager de tuchtrechter gebruikt voor een civiele schadevergoedingsactie. Hoewel de klacht ook een aansprakelijkstelling c.q. verzoek om vergoeding van schade bevat, ziet de klacht in de kern op het handelen c.q. nalaten van verweerder als advocaat van G. Klager kan zich daarover beklagen.
Klachtonderdeel a – misbruik van toevoeging
4.2 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.3 De vraag of verweerder wel of geen toevoeging(en) voor zijn cliënt mocht aanvragen, is geen onderwerp waarbij klager een eigen, rechtstreeks belang heeft. Dat rechtstreeks belang is er alleen voor degene namens wie de toevoeging wordt aangevraagd of voor de Raad voor Rechtsbijstand als verlener van de toevoeging. Ook kan de deken daarover zo nodig in het algemeen belang klagen (zie onder meer RvD Amsterdam 3 maart 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:44 en RvD 2 juli 2025, ECL:NL:TADRSGR:2025:125). Klager heeft slechts een afgeleid belang. Dit klachtonderdeel is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b – misbruik van procesrecht
4.4 Klager is, anders dan door verweerder bepleit, wel ontvankelijk in dit klachtonderdeel. Deze verwijten ziet op verweerders handelen c.q. nalaten als advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.5 De kern van klagers verwijt is dat verweerder een evident kansloze processtrategie heeft gehanteerd en daarmee misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Klager stelt dat het hoger beroep gedoemd was te mislukken en dat hij door het hoger beroep is benadeeld en onnodig op kosten is gejaagd.
4.6 De voorzitter kan klager hier niet in volgen. Dat sprake is van een evident kansloze processtrategie c.q. een hoger beroep dat gedoemd was te mislukken, kan de voorzitter niet vaststellen. Klager heeft dat gesteld, maar niet (met stukken) onderbouwd. Het enkele feit dat het gerechtshof verweerder(s cliënt) in het ongelijk heeft gesteld, is daarvoor onvoldoende. Het is niet aan klager om zijn wederpartij af te houden van een hoger beroep. Dat verweerder ook klager (en niet alleen H) in het hoger beroep heeft betrokken, is gelet op de door de rechtbank opgelegde proceskostenveroordeling niet onbegrijpelijk. Verweerders cliënt werd door de rechtbank namelijk veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van klager (c.s.). Van misbruik van procesrecht is de voorzitter niet gebleken.
4.7 Van rauwelijks dagvaarden is geen sprake geweest. Een procespartij heeft tot de laatste dag van de appeltermijn de gelegenheid om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis. Dat verweerder (pas) in de week voor het verstrijken van de beroepstermijn de appeldagvaarding heeft uitgebracht, is geen rauwelijks dagvaarden en ook overigens niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.8 Het is niet aan de tuchtrechter om een oordeel te geven over de inhoud van de door verweerders cliënt gedane aangifte. Die aangifte maakt overigens geen onderdeel uit van het klachtdossier. Verweerder heeft die aangifte kennelijk bij de dagvaarding van 16 mei 2025 gevoegd. Dat verweerder wist of behoorde te weten dat die aangifte onjuist was, is door klager gesteld, maar niet (met stukken) onderbouwd. De voorzitter kan dat niet vaststellen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de aangifte is ingebracht met het uitsluitende doel om onevenredig nadeel aan de wederpartij (klager) toe te brengen. Niet kan worden vastgesteld dat verweerder zich, met het indienen van de aangifte, medeschuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige daad, zoals klager stelt. Dat verweerders dagvaarding onjuistheden bevat, kan de voorzitter ook niet vaststellen, omdat klager ook dit niet heeft geconcretiseerd en (met stukken) heeft onderbouwd.
4.9 De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder misbruik heeft gemaakt van procesrecht. Ook van schending van de door klager genoemde gedragsregels is niet gebleken. Deze klacht is kennelijk ongegrond.
Tot slot
4.10 Voor zover klager zijn klacht in zijn nagezonden stuk van 25 november 2025 aanvult c.q. uitbreidt met nieuwe klachten, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c van de Advocatenwet. Daarin wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat nieuwe klachten daarom buiten beschouwing. Hetgeen klager als nadere toelichting in zijn bericht van 25 november 2025 heeft opgenomen, is vanzelfsprekend wel meegenomen.
4.11 De voorzitter wijst klagers verzoek om vergoeding van (materiële en immateriële) schade af, omdat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond wordt verklaard. Klager heeft zijn verzoek bovendien niet gespecificeerd en onderbouwd en de mogelijkheden voor toewijzing van (schade)vergoedingen zijn in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 december 2025
