Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:265
Zaaknummer
25-706/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een procedure over de vaststelling van het vaderschap. Niet gebleken dat verweerster onvoldoende heeft gecommuniceerd of onjuist heeft geadviseerd. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 17 december 2025 in de zaak 25-706/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 17 oktober 2025 met kenmerk R 2025/097 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 25. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 4 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft klaagster vanaf 5 januari 2024 bijgestaan in een hogerberoepsprocedure over de vaststelling van het vaderschap van haar vader over een vermeende halfzus.
1.2 Op 12 januari 2024 heeft klaagster opmerkingen geplaatst op het conceptappelschrift. Daarin heeft zij onder meer geschreven:
“(…) (Tijdens de intake heeft u laten weten dat u bekend bent met mijn voormalige advocate [mr. F]. Wij hebben aangegeven dat wij met [mr. F] verwikkeld zitten in een klachtenprocedure. [Mr. F] heeft nagelaten om bij de rechtbank aan te vechten dat het cruciale processtuk is opgehaald, zodat op mijn verzoek een contra expertise verricht kon worden op het document. Ik vind het vervelend maar wil dit graag benoemd hebben in het beroepschrift). (…)”
1.3 Op 17 januari 2024 heeft verweerster het appelschrift ingediend. Daarin is verzocht om primair een deskundigenonderzoek te gelaste naar de echtheid van een Thais DNA-rapport, op basis waarvan de rechtbank het vaderschap heeft erkend. Subsidiair is verzocht om een Nederlandse DNA-onderzoek te verrichten.
1.4 Op 2 april 2024 heeft de wederpartij verweer gevoerd. Daarbij is een (nieuw) Nederlands DNA-rapport overgelegd van CWZ, waarin wordt geconcludeerd dat de wederpartij zeer waarschijnlijk de biologische dochter is van klaagsters vader.
1.5 Klaagster heeft gesignaleerd dat de bijlagen bij het verweerschrift incompleet waren, omdat het document ‘image001.png’ ontbrak. Verweerster heeft dit op verzoek van klaagster tweemaal opgevraagd (via het gerechtshof) bij de wederpartij. Op 18 april 2024 heeft de advocaat van de wederpartij verduidelijkt dat dit een foto is van het logo van CWZ, waarbij hij een foto van zijn bureau heeft opgenomen waarop zijn beeldscherm met de geopende bijlage te zien is.
1.6 Op 16 en 18 april 2024 heeft klaagster diverse documenten opgestuurd aan verweerster over de tuchtklacht en strafrechtelijke aangifte die zij heeft gedaan tegen de advocaat van de wederpartij. Daarbij heeft zij verzocht om deze stukken in te dienen bij het gerechtshof omdat zij van mening is dat deze advocaat zich wederom schuldig zou maken aan valsheid in geschrifte, smaadschrift en laster.
1.7 Op 17 april heeft verweerster aan klaagster geschreven:
“Ik denk dat er verwarring is ontstaan naar aanleiding van mijn eerdere e-mailbericht over de zitting bij het hof. Het hof zal hoe dan ook overgaan tot het plannen van een zitting. Ik bedoelde in mijn eerdere e-mail dat het alleen op dit moment nog niet te zeggen is of het hof tot een of twee zittingen over zal gaan. Dit hangt samen met het antwoord op de vraag of onze verzoeken in een tussenbeschikking worden toegewezen dan wel dat er gelijk een eindbeschikking komt. Als het hof na de zitting een tussenbeschikking geeft, dan kan het zijn dat er daarna nog een zitting komt (maar dit hoeft niet) en pas daarna de eindbeschikking. Als het hof na de zitting meteen een eindbeschikking geeft, dan blijft het bij één zitting.
Op dit moment ligt de zaak bij het hof stil. Wij vernemen van het hof wanneer wordt overgegaan tot het plannen van een zitting. Dan hebben we tot 10 dagen voor de zitting de tijd om aanvullende stukken in te dienen. Dat is dan ook pas het moment waarop de raadsheren inhoudelijk naar de zaak gaan kijken. (…) Hopelijk is een en ander duidelijker zo. Mijn voorstel blijft dat wij eerst allebei de overgelegde stukken zullen bestuderen en dan de vervolgstappen zullen afstemmen.”
1.8 Daarop heeft klaagster diezelfde dag gereageerd:
“Hartelijk dank voor uw bericht. Er is Inderdaad is enige verwarring ontstaan, mogelijk mede door elkaar lopen van zaken door elkaar en het mis interpreteren van informatie, mijn excuses hiervoor. Uw uitleg is helder. (…)”
1.9 Op 23 april 2024 heeft verweerster aan klaagster geschreven:
“(…) Door indiening van het Nederlandse DNA-rapport zijn beide verzoeken inmiddels achterhaald. (…) Het hof beoordeelt uitsluitend of er sprake is van een DNA-match tussen jouw vader en [de vermeende halfzus] en laat - hoe vervelend ook - al het overige buiten beschouwing en maakt verder geen belangenafweging bij het al dan niet vaststellen van het vaderschap.
Nu inmiddels duidelijkheid is verschaft over de "image" die als bijlage aan de e-mail van het CWZ aan mr. [L] zat gevoegd, verwacht ik dat het hof oordeelt dat het DNA-rapport volledig is. Algemene stellingen over (onder meer) de handelswijze van mr. [L] zijn daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de door jou en jouw moeder gedane strafrechtelijke aangiftes en de door jou toegestuurde stukken uit eerdere (tucht)zaken, waarin mr. [L] zichzelf tegenspreekt (onder meer) voor wat betreft de datum waarop de ziekte bij jouw vader voor het eerst is geconstateerd. Zolang er geen strafrechtelijke veroordeling ligt, zal het hof dergelijke stukken terzijde schuiven. Het overleggen van deze stukken zal jouw zaak mijns inziens dan ook geen goed doen. lk begrijp dat de handelswijze van mr. [L] door jou als zeer vervelend wordt ervaren, waardoor jij zowel tuchtklachten als strafrechtelijke aangiftes tegen hem hebt ingediend. In de procedure bij het hof zal het echter uitsluitend gaan om het overgelegde DNA-rapport en ni
Op basis van het voorgaande meen ik dat het hoger beroep uitsluitend enige kans van slagen heeft, indien wij zeer concreet kunnen maken op grond waarvan het Nederlandse DNA-onderzoek onjuist zou zijn. Dit heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen. Indien wij dit niet concreet kunnen maken, dan verwacht ik dat het hof onze verzoeken zal afwijzen en de uitspraak van de rechtbank zal bekrachtigen. Indien wij het hoger beroep voortzetten, brengt dit uiteraard de nodige (advocaat)kosten met zich. Daarnaast is door [de vermeende halfzus] om een proceskostenveroordeling verzocht. Tenzij wij zeer concreet kunnen aantonen op basis waarvan het Nederlandse DNA-rapport onjuist zou zijn, zou mijn advies aan jou dan ook zijn om het hoger beroep in te trekken en daarmee verdere (advocaat)kosten en een eventuele proceskostenveroordeling te voorkomen. Het hof kan dan immers oordelen dat er nodeloos is doorgeprocedeerd, nadat het Nederlandse DNA-rapport is overgelegd. Dit zijn risico's waar ik jou op dien te wijzen.
lk weet hoe belangrijk deze hele procedure voor jou is en ik kan me voorstellen dat je over het voorgaande goed wil nadenken. Als advocaat dien ik jou echter een realistische inschatting te geven van de kansen in een procedure, die aan de hand van ontwikkelingen in een zaak kunnen worden bijgesteld. (…)
Mijn voorstel is dat jij een en ander eerst laat bezinken en dat we daarna weer contact hebben over of jij de procedure – met inachtneming van het bovenstaande – nog zou willen voortzetten. (…)”
1.10 Klaagster heeft daarop gereageerd het niet met verweerster eens te zijn, dat het verweerschrift nog steeds incompleet is en dat zij het onderzoek van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) wil afwachten. Op 24 april 2024 is de opdracht aan het NFO door klaagster bevestigd.
1.11 Vanaf eind mei 2024 heeft verweersters secretaresse contact gehad met het gerechtshof en met klaagster over een zittingsdatum. Het gerechtshof heeft uiteindelijk een zitting ingepland voor 7 augustus 2024.
1.12 Op 13 juni 2024 heeft verweerster aan klager geschreven:
“(…) Gelet op het voorgaande, kan ik jou niet volgen in jouw suggestie in jouw e-mail dat er van onze kant iets niet goed zou zijn gegaan bij het bepalen van een zittingsdatum (zie jouw e-mail van 11 juni jl. waarin je schrijft: “Blijkbaar is dit niet goed gegaan”). Wij hebben immers jouw verhinderdata opgevraagd, welke vervolgens door ons zijn doorgegeven aan het hof. Hierbij heb ik zelfs een week extra na jouw vakantie als verhinderd opgegeven, zodat er niet direct na jouw vakantie een zitting zou plaatsvinden. Ikzelf ben in deze periode niet op vakantie en ik heb genoeg tijd om de zitting voor te bereiden. Het hof heeft vervolgens, rekening houdend met onze verhinderdata, een zitting ingepland. Dat deze datum jou bij nader inzien niet goed uitkomt, is niet iets waarmee ik rekening had hoeven of kunnen houden. Op jouw verzoek heb ik vervolgens alsnog bezwaar gemaakt tegen de zittingsdatum van 7 augustus a.s. Dit bericht heb ik in concept opgesteld, vervolgens op jouw verzoek herschreven, op jouw verzoek noóg een bericht aan het hof zijn gestuurd, met daarin jouw “spoedverzoek” meegenomen, dan nog had dit niet tot een andere uitkomst geleid. Ook in dat geval zou het hof de zitting op 7 augustus 2024 hebben ingepland, nu dit geen verhinderdata van onze zijde was. Nogmaals: ik ben dan ook van mening dat er door ons steeds correct en in overleg met jou is gehandeld. (…)
Hierdoor bericht ik je dat ik geen gehoor zal geven aan jouw verzoeken in jouw e-mail d.d. 12 juni jl. om het hof te berichten dat a) het verweerschrift onvolledig is en b) mr. [L] zich niet aan de procedureregels houdt. Ik zal dit in het navolgende toelichten.
(…) Het is niet de bedoeling dat advocaten het hof meerdere keren over hetzelfde onderwerp informeren. Het nogmaals informeren van het hof dat jij meent dat het procesdossier onvolledig is, voegt derhalve niets toe aan jouw zaak.
Ook inhoudelijk, meen ik dat mr. [L] opheldering heeft verschaft over de “image” bij het DNA-rapport (…)
Zoals ik eerder bij jou heb aangegeven (zie mijn e-mail van 23 april jl.), kijkt het hof bij de beoordeling van de verzoeken en verweren uitsluitend naar of er een DNA-match is tussen jouw vader en [de vermeende halfzus]. Het hof slaat geen acht op de handelswijze van advocaten, hoe vervelend deze handelswijze ook kan worden ervaren. Nog los daarvan, meen ik dat jij – sinds ik jou als advocaat bijsta – niet bent benadeeld door de handelswijze van mr. [L]. (…)
Tot slot nog het volgende. Ik merk dat de communicatie tussen ons regelmatig stroef verloopt en dat je mij verwijt dat er dingen niet goed zouden zijn gegaan. Als jouw advocaat dien ik jouw belangen te behartigen. Dit betekent echter niet dat ik een doorgeefluik ben van wat jij wilt dat ik aan het hof of aan de wederpartij bericht. ledere keer dien ik een eigen afweging te maken wat in jouw belang is en met welk doel ik het hof of de wederpartij een bepaald bericht stuur. (…) Dit kan dus betekenen dat ik - zoals nu - geen gehoor wens te geven aan bepaalde verzoeken die jij doet. lk voorzie dat voor de "tiendagentermijn" (tien dagen voor de zitting, de laatste dag waarop we aanvullende stukken kunnen indienen) discussie tussen ons zou kunnen ontstaan over welke stukken nog door ons moeten worden ingediend. Hierdoor bericht ik je alvast dat ik - zoals jouw zaak er nu voor staat - uitsluitend voornemens ben de onderzoeksresultaten van het NFO op de kopieën van de DNA-rapporten in te dienen. Je hebt me eerder diverse aangiftes, stukken uit tuchtrechtelijke procedures en stukken waaruit blijkt dat mr. [L] zichzelf zou tegenspreken opgestuurd. Onder verwijzing naar mijn e-mail van 23 april jl., meen ik dat het overleggen van deze stukken jouw zaak geen goed zal doen. lk zal deze stukken dan ook niet overleggen bij het hof. Daarnaast ben ik nog steeds van mening dat het uitsluitend zinvol is het hoger beroep door te zetten indien uit het (indicatieve) onderzoek van het NFO op de kopieën van de DNA-rapporten blijkt dat er redenen zijn om te vermoeden dat deze DNA-rapporten zijn vervalst. Indien dit niet uit het onderzoek naar voren komt, dan blijft mijn advies aan jou om het hoger beroep in te trekken. Dit deel ik jou nu alvast mede, omdat ik niet wil dat er vlak voor de zitting een verschil van inzicht ontstaat over hoe we jouw belangen het beste kunnen behartigen.”
1.13 Op 14 juni 2024 heeft klaagster gereageerd:
“Duidelijk is geworden dat er wat mis is gegaan met betrekking tot het doorgeven van de verhinderdatum. Ik heb het emailbericht aan de heer [M] over het hoofd gezien en meende dat dit hetzelfde formulier was als aan [mr. L] daarvoor, Hiervoor mijn excuses. Dit heeft het een grote rol gespeeld in de verdere gang van zaken van de afgelopen dagen en miscommunicatie veroorzaakt dat betreur ik dan ook.
Zoals u weet is bij mij de diagnose PTSS vastgesteld. Dit is veroorzaakt door alle gebeurtenissen van de afgelopen vier jaar m.b.t. tot de rechtszaken en overlijden van mijn vader. Hierdoor reageer ik soms paniekerig. Net zoals Op 15 April jl. m.b.t. Tot de zitting. (Op dat moment reageerde ik in paniek en heb ik veel onnodige stukken naar u toegezonden m.b.t. Tucht/strafzaak mr. [L]) (…)
Op het moment dat ik met u de samenwerking ben aangegaan is duidelijk geworden dat u bevriend bent met [mr. F] mijn voormalige advocate in de vaderschapsvaststelling. Ik vind het heel vervelend maar zoals u weet is in die procedure veel misgegaan (…)
Het verweerschrift is tot op heden niet compleet. (…) Evengoed heb ik er begrip voor dat u aangeeft dat het nogmaals informeren dat het procesdossier onvolledig is aan het hof op dit moment niets toe voegt, dit is anders wanneer de NFO-onderzoeksresultaten bekend zijn. (…)
Zoals hierboven aangegeven zijn de eerdere stukken tucht/strafzaak in paniek verstuurd en wil ik, in overleg met u opnieuw bekijken welke stukken belangrijk zijn. Ik ben het met u eens dat de uitslag van het NFO-hoofdzaak is, deze wil ik dan ook afwachten. In belang van mijn gemoedsrust en vanwege tussenkomst van mijn vakantie wil ik graag voor 1 juli a.s. De aanvullende stukken indienen.
De communicatie loopt inderdaad ongemakkelijk. Ik meen dat emailcontact daarin ook een rol speelt, echter zoals eerder aangegeven ben ik vanwege persoonlijke omstandigheden genoodzaakt om op deze wijze te communiceren.
Ik hoop dat ik hiermee het e.e.a. nader heb kunnen toelichten. indien ik die indruk gewekt heb verwijtend naar u te zijn geweest, dan bied ik hiervoor mijn excuses aan.”
1.14 Op 17 juni 2024 heeft verweerster aan klaagster geschreven:
“Dank voor jouw uitgebreide reactie van 14 juni jl. Uiteraard heb ik begrijp voor de vervelende situatie waarin jij al jaren verkeert. We proberen het hoger beroep op een voor jou zo goed mogelijke wijze af te ronden, maar daarvoor dienen we wel dezelfde insteek te hebben. Wellicht goed om te weten: ik ben niet bevriend met [mr. F]. Ik heb uitsluitend werk-gerelateerd contact met haar, nu we natuurlijk binnen hetzelfde rechtsgebied werkzaam zijn en elkaar in die hoedanigheid weleens tegenkomen. (…)
- Je schrijft dat er bij een DNA-onderzoek een foto aan het rapport wordt gevoegd van de personen van wie het DNA is afgenomen. Deze informatie is bij mij niet bekend en ik kan dit ook niet vinden op de website van het CWZ. Ik weet dat bij het Thaise DNA-rapport een foto was toegevoegd, maar ik weet niet of dit standaard in Nederland bij ieder DNA-rapport wordt gedaan. Wat jouw zaak zou kunnen helpen, is dat jij zelf het CWZ een mailtje stuurt (…) met deze vraag. (…)”
1.15 Op 19 juni 2024 heeft klaagster aan verweerster geschreven:
“Wat betreft de foto behorende bij het verwantschapsonderzoek verwijs ik u naar de bijlage; patiënten folders CWZ verwantschapsonderzoek. Zoals eerder aangeven blijkt dat de digitale foto van de deelnemers ontbreekt. Hiermee wordt wederom bevestigd dat het verweerschrift incompleet is. Zodra ik het rapport van het NFO heb ontvangen, verzoek ik u de folder bij te voegen en in te dienen bij het Hof, zodat de verweerder de gelegenheid krijgt zich terug te trekken.”
1.16 Op 23 juni 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij verweersters kantoor op grond van de interne kantoorklachtenregeling. Verweerster heeft daarop op 24 juni 2024 kenbaar gemaakt de klacht te hebben voorgelegd aan de klachtenfunctionaris, dat daarmee sprake is van een vertrouwensbreuk en dat zij daarom heeft haar werkzaamheden neerlegt en zich uiterlijk 8 juli 2024 zal onttrekken aan de procedure.
1.17 Op 25 juni 2024 heeft klaagster verweerster verzocht om het hof te berichten dat het DNA-rapport onvolledig is, de patiëntenfolder van het CWZ in te dienen en om uitstel van de zitting te vragen.
1.18 Op 26 juni 2024 heeft verweerster gereageerd het standpunt over de onvolledigheid van het DNA-rapport al eerder kenbaar te hebben gemaakt, klaagsters nieuwe advocaat voldoende tijd heeft om de folder in te dienen en dat zij een uitstelverzoek zou indienen.
1.19 Nadat verweerster daartoe diverse conceptbrieven heeft voorgelegd aan klaagster, heeft zij zich op 1 juli 2024 zich onttrokken aan de procedure en om uitstel van de zitting verzocht. Op 4 juli 2024 heeft het gerechtshof het uitstelverzoek afgewezen.
1.20 Op 9 juli 2024 heeft het NFO een rapport uitgebracht.
1.21 Op 7 augustus 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij het gerechtshof.
1.22 Op 26 januari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft bij aanvang van de samenwerking problematisch gecommuniceerd, mede vanwege vermoedelijk negatieve beïnvloeding door klaagsters voormalige advocate die een bekende is van verweerster en waartegen klaagster een tuchtklacht heeft ingediend. Klaagster vermoedt dat er tegen haar wens in contact is geweest tussen verweerster en de voormalige advocate;
b) Verweerster is terughoudend geweest om de ernstige gedragingen (valsheid in geschrifte, smaad en laster) van de advocaat van de wederpartij aan de orde te stellen;
c) Verweerster heeft niet herkend dat de door de wederpartij ingebrachte DNA-onderzoeken onvolledig waren en heeft daartegen geen of met moeite actie ondernomen;
d) Verweerster heeft misleidende informatie verstrekt over:
- de zitting;
- planningsdata;
- het door verweerster veronderstelde ‘complete’ verwantschapsonderzoek;
- het negeren van de patiëntenfolder CWZ met betrekking tot de digitale foto;
- de standaard DNA-onderzoeken met wel/niet digitale foto van de deelnemers;
e) Verweerster heeft tweemaal onvoldoende onderbouwd geadviseerd om het hoger beroep in te trekken en heeft het NFO-onderzoek niet afgewacht;
f) Verweerster heeft haar werkzaamheden op onzorgvuldige wijze neergelegd;
2.2 In haar aanvullende stukken van 4 november 2025 heeft klaagster aanvullende klachtonderdelen naar voren gebracht, namelijk over het ontbreken van identiteitsbewijzen bij het Thaise DNA-onderzoek en de ‘opmerkelijke’ samenwerking tussen verweerster en het NFO. Deze klachtonderdelen zijn niet in de onderzoeksfase bij de deken naar voren gebracht. Op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet dienen klachtonderdelen bij de deken te worden ingediend. Het is niet mogelijk om nieuwe klachtonderdelen te formuleren op het moment dat een tuchtklacht is doorgezonden aan de raad. Dat betekent dat de voorzitter niet nader ingaat op deze nieuwe klachtonderdelen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster problematisch heeft gecommuniceerd. Er heeft veel e-mailverkeer over en weer plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster, waarbij verweerster steeds uitvoerig heeft gereageerd en uitleg heeft gegeven over de zaak. Dat er communicatieproblemen zijn ontstaan door verweerster, kan de voorzitter op basis van het dossier niet vaststellen. Klaagster heeft daarover ook zelf erkend dat zij e-mails over het hoofd heeft gezien waardoor er verwarring was ontstaan (zie de e-mail van 14 juni 2024).
4.3 Dat er contact tussen verweerster en de voormalige advocaat heeft plaatsgevonden wordt door klaagster vermoed, maar niet voorzien van een onderbouwing. De voorzitter kan dus niet vaststellen of daar sprake van is geweest. Dat verweerster beïnvloed is door de voormalige advocaat is gelet daarop evenmin vast te stellen. Zelfs indien contact heeft plaatsgevonden, betekent dat niet dat sprake is van een gegronde tuchtklacht. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.4 Verweerster heeft in haar e-mails van 23 april 2024 en 13 juni 2024 uitvoerig toegelicht waarom zij van mening is dat het klaagsters zaak geen goed doet om de handelswijze van de advocaat van de wederpartij ter discussie te stellen. Dat deed immers niet ter zake in de rechtsvraag die voorlag bij het gerechtshof. Dat standpunt is goed navolgbaar. Klaagster heeft ook zelf erkend dat de stukken over tuchtklacht en strafrechtelijke aangifte tegen mr. L ‘onnodig’ waren en dat zij die uit paniek had gestuurd.
4.5 Klaagster stelt in haar aanvullende stukken nog de vraag of zij zich niet mag verdedigen tegen onjuiste verklaringen van mr. L, maar ook dan is nog niet gebleken waarom dit in de procedure bij het gerechtshof aan de orde gesteld zou moeten worden. Klaagster had zich daartegen bovendien al ‘verdedigd’ door een tuchtklacht in te dienen en strafrechtelijke aangifte te doen.
4.6 Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.7 Verweerster heeft de door mr. L gegeven uitleg over ‘image001.png’ bij het DNA-rapport als toereikend mogen achten. Klaagster verschilt daarover kennelijk van mening met verweerster, maar dat betekent niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor de duidelijkheid wordt daarbij vermeld dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of het DNA-rapport compleet was, maar dat die vraag voor ligt/lag bij het gerechtshof. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.8 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster misleidende informatie heeft verstrekt. Verweerster is helder geweest over (het inplannen van) de zitting. Voor zover er een miscommunicatie was ontstaan, heeft verweerster zich uitvoerig ingespannen om onduidelijkheden recht te zetten. Welke informatie daarover nog misleidend zou zijn, is niet concreet gemaakt door klaagster.
4.9 Over de (on)volledigheid van het DNA-rapport is in klachtonderdeel c) al geoordeeld. Dat verweerster de uitleg van mr. L voldoende acht, levert geen misleiding op.
4.10 Over het vereiste van een digitale foto voor de geldigheid van een DNA-onderzoek, heeft verweerster slechts gesteld niet bekend te zijn met die eis. Niet valt in te zien hoe dat misleiding inhoudt. Voor zover verweerster de patiëntenfolder van CWZ op dat moment niet meer heeft willen indienen bij het gerechtshof, valt daaruit ook geen misleiding af te leiden. Verweerster had haar werkzaamheden op dat moment al neergelegd vanwege de ontstane vertrouwensbreuk, zodat zij ook niet gehouden was om deze folder nog na te sturen. Daarover heeft zij uitgelegd dat klagers nieuwe advocaat nog voldoende tijd had om dat wel te doen.
4.11 Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e)
4.12 Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat de primaire en subsidiaire verzoeken achterhaald waren, aangezien de wederpartij zich inmiddels op een nieuw Nederlandse DNA-rapport heeft beroepen. Het hoger beroep was volgens verweerster alleen nog zinvol als ook de betrouwbaarheid van dat nieuwe rapport onderuitgehaald kon worden, maar daartoe had zij geen argumenten om aan te dragen. Dat advies had zij ook al kunnen geven voordat het NFO onderzoek had gedaan. Dat heeft verweerster uitvoerig uiteengezet aan klaagster. Dat advies is ook navolgbaar. Verweerster dient als advocaat partijdig te zijn voor de belangen van haar cliënte, maar moet de cliënte ook vanuit de kernwaarde onafhankelijkheid weerhouden van het starten of doorzetten van kansloze procedures, zeker wanneer dit kan leiden tot financieel nadeel zoals een (hogere) proceskostenveroordeling. Verweerster heeft daarmee gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Dat dit een teleurstellende bo
Klachtonderdeel f)
4.13 Niet gebleken is dat verweerster haar werkzaamheden ontijdig of onzorgvuldig heeft neergelegd. Verweerster heeft mogen concluderen dat sprake was van een vertrouwensbreuk nadat klaagster een klacht tegen haar had ingediend. Op het moment dat zij haar werkzaamheden neerlegde, was er nog ruim een maand de tijd voordat de zitting zou plaatsvinden. Daarmee had klaagster voldoende tijd om een nieuwe advocaat te vinden, zelfs al was de vakantieperiode aangebroken. Bovendien heeft verweerster ook nog geprobeerd om uitstel van de zitting te verkrijgen. Zij heeft zich dan ook (overeenkomstig gedragsregel 14 lid 3) voldoende ingespannen om het nadeel dat klaagster daarvan ondervond zo minimaal mogelijk te houden.
Conclusie
4.14 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, in zijn geheel kennelijk ongegrond verklaren.
4.15 Voor zover klaagster bedoeld heeft om te verzoeken verweerster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, ziet de voorzitter daartoe geen reden omdat de klacht in zijn geheel kennelijk ongegrond is. Overigens is de mogelijkheid tot toekenning van schadevergoeding in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 december 2025
