Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:258

Zaaknummer

25-690/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft gezien de overeengekomen hoofdelijke aansprakelijkheid zowel klaagster als haar cliënt mogen aanspreken voor de betaling van het volledige bedrag. Klaagster is geen advocaat/advocatenkantoor zodat verweerder de cliënt rechtstreeks mocht aanschrijven. Niet gebleken dat verweerder de belangen van klaagster onevenredig heeft geschaad. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 10 december 2025 in de zaak 25-690/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

gemachtigde: [directeur]

over:

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 9 oktober 2025 met kenmerk R 2025/094 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 23. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 24 oktober 2025 en van verweerder van 28 oktober 2025.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klaagster is een incassobureau. Zij heeft, namens haar cliënt I, het advocatenkantoor van verweerder gedagvaard. Verweerder heeft hiertegen verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld namens zijn advocatenkantoor.

1.2 Op de zitting van 9 januari 2025 bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam is een schikking getroffen. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt dat afgesproken is dat I en klaagster uiterlijk 8 maart 2025 respectievelijk € 1.000,- en € 1.500,- betalen aan verweerder. Bij gebreke van de volledige betaling van € 2.500,- verplichten I en klaagster zich tot hoofdelijke betaling van het totale bedrag van € 6.415,49.

De kantonrechter heeft de procedure vervolgens doorgehaald.

1.3 Blijkens een brief van de huisarts d.d. 16 mei 2025 is de gemachtigde van klaagster, tevens haar directeur, van 30 januari 2025 tot en met 14 februari 2025 opgenomen op de intensive-careafdeling in het ziekenhuis.

1.4 Op 20 februari 2025 heeft zij de griffie van de rechtbank verzocht om een nieuwe zittingsdatum omdat zij fysiek nog niet voldoende hersteld was om daaraan deel te nemen. Daarbij heeft zij aangegeven van de intensive care te zijn overgeplaatst naar een reguliere kamer.

1.5 Op 8 maart 2025 om 13:55 uur heeft de gemachtigde van klaagster via een e mail aan zowel de griffie van de rechtbank als verweerder verzocht om uitstel van betaling gelet op overmacht, zijnde haar ziekenhuisopname.

1.6 Op 10 maart 2025 heeft de griffie van de afdeling kanton van de rechtbank Rotterdam gereageerd op voornoemde e-mail en aan de gemachtigde van klaagster bericht dat de procedure is doorgehaald en de e-mail daarom niet in behandeling wordt genomen.

1.7 Op 10 maart 2025 heeft verweerder klaagster medegedeeld te hebben geconstateerd dat (haar deel van) het schikkingsbedrag niet tijdig is betaald. Het beroep op overmacht heeft verweerder afgewezen, omdat het niet tijdig betalen voor eigen rekening en risico komt, zeker gelet op de zeer ruime betalingstermijn van twee maanden. Ook maakt de beweerdelijke tijdelijke niet-beschikbaarheid van een bestuurder van een B.V. niet dat de B.V. niet aan haar verplichtingen hoeft te voldoen. Verweerder heeft vervolgens aanspraak gemaakt op het volledige bedrag van € 6.415,49 (min de door I betaalde € 1.000,-).

1.8 Op 17 maart 2025 heeft verweerder klaagster en I gesommeerd om betaling.

1.9 Op 26 maart 2025 heeft klaagster een bedrag van € 1.500,- overgemaakt aan verweerder. Daarop heeft verweerder diezelfde dag aan klaagster verzocht het resterende bedrag te betalen. Daarbij meldt verweerder dat over zal worden gegaan tot betekening en executie als op 28 maart 2025 geen volledige betaling is ontvangen.

1.10 Op 11 april 2025 heeft de deurwaarder op verzoek van verweerder de grosse van het proces-verbaal van de minnelijke schikking van 9 januari 2025 betekend en betaling gevorderd van € 4.179,25 (€ 6.415,49 plus € 263,76 aan explootkosten en minus de reeds voldane € 2.500,-). De deurwaarder heeft ditzelfde stuk op 9 april 2025 aan I betekend.

1.11 Op 16 april 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Diezelfde dag heeft zij een klacht over de deurwaarder ingediend bij de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders.

1.12 Op 16 april 2025 heeft verweerder aan klager geschreven:

“Ik begrijp van de deurwaarder dat u een klacht hebt ingediend. Blijft u bezig? Eerst start u een onzinnige gerechtelijke procedure en nu weer onzinnige klachtprocedures? Ons kantoor schort vervolgmaatregelen niet op. Een klachtprocedure maakt dat niet anders. Houdt u daarmee dus rekening. Betaalt u daarom alsnog? Of kom met een voorstel voor een betalingsregeling, want anders worden de maatregelen vervolgd. Uw melding aan de deurwaarder maakte er melding van ook een klacht in te dienen bij de Orde. Het staat u vrij om daar ook een klacht in te dienen, maar op die wijze belast u naast de rechter ook enkel het bureau van de deken onnodig. Maar goed, dan is bij mij nu ook een grens bereikt en zal ik over uw incassobureau en uw handelwijze ook een klacht indienen. Sinds de WKI die per 1 april vorig jaar in werking is getreden, is dat gelukkig aanzienlijk beter geregeld dan voorheen. Wordt dus vervolgd.”

1.13 Op 16 juni 2025 heeft verweerder op grond van de interne klachtenregeling een klacht ingediend over klaagster bij het hoofdkantoor van haar organisatie.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a) Verweerder heeft één en dezelfde onrechtmatige vordering ingesteld jegens zowel klaagster als haar cliënt I. Verweerder heeft, ondanks verzoeken, niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van twee juridische grondslagen voor dezelfde geldvordering;

b) Verweerder heeft de onderbouwde medische overmacht van klaagsters directeur genegeerd, terwijl het kantoor van verweerder op 3 februari 2025 telefonisch op de hoogte is gesteld van de opname van de directeur op de Intensive Care. Enige coulance en ruimte voor overleg was op zijn plaats geweest. Verweerder heeft daarentegen ongepast, kil en moreel verwerpelijk gereageerd op deze situatie, wat in strijd is met de kernwaarden. Ondanks de medische situatie van klaagsters directeur heeft verweerder er vervolgens ook voor gekozen om door te procederen. De medische situatie van de directeur van klaagster had verweerder echter moeten nopen tot een redelijke en proportionele aanpak.

c) Klaagster heeft -onder moeilijke omstandigheden- toch tijdig en volledig betaald, maar dat heeft er niet toe geleid dat verweerder de procedure heeft stopgezet. Hij heeft de zaak daarmee onnodig doen escaleren en dat heeft tot extra kosten en emotionele schade voor de gemachtigde van klaagster geleid;

d) Verweerder heeft klaagsters cliënt I onder druk gezet en gechanteerd en blijft hem ongevraagd benaderen terwijl de factuur al is betaald en de cliënt geen contact met hem wil. Klaagster beschouwt dit als een onrechtmatige daad, zakelijke belaging en een ondermijning van haar zakelijke reputatie;

e) Verweerder heeft tijdens een zitting uitspraken gedaan die de persoonlijke achtergrond van de gemachtigde van klaagster koppelen aan haar huidige beroepsuitoefening, wat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 van de Grondwet en discriminatoir is wat in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling;

f) Verweerder heeft zich in zijn schriftelijke reactie in de procedure bij de deken denigrerend uitgelaten over (de gemachtigde van) klaagster, door te stellen dat zij haar stukken met ‘slechte AI’ zou hebben opgesteld, juridisch onkundig is en ‘maar wat roept’.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Beoordeling

Klachtonderdelen a) en d)

4.2 Uit het proces-verbaal van de kantonrechter volgt dat klaagster en haar cliënt I hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van het bedrag van € 6.415,49 als de (totaal) € 2.500,- niet tijdig was voldaan. Het bedrag van € 1.500,- is door klaagster niet op uiterlijk 8 maart 2025 betaald. Gezien de overeengekomen hoofdelijke aansprakelijkheid heeft verweerder vervolgens zowel klaagster als haar cliënt kunnen aanspreken voor de betaling van € 6.415,49. Dat de cliënt van klaagster zich daardoor onder druk gezet heeft gevoeld, kan niet tuchtrechtelijk worden verweten aan verweerder.

4.3 Voor zover klaagster bedoeld heeft dat verweerder haar cliënt niet rechtstreeks had mogen aanschrijven buiten klaagster om, slaagt ook die klacht niet. Slechts wanneer iemand wordt bijgestaan door een advocaat, is het een andere advocaat op grond van gedragsregel 25 in beginsel niet geoorloofd om de wederpartij rechtstreeks aan te schrijven. (De gemachtigde van) klaagster is geen advocaat/advocatenkantoor, zodat het verweerder vrijstond om de cliënt van klaagster rechtstreeks aan te schrijven.

4.4 Klachtonderdelen a) en d) zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen b) en c)

4.5 Verweerder heeft in zijn schrijven aan klaagster van 10 maart 2025 uitgelegd waarom het beroep op overmacht volgens hem niet slaagt en hij vasthoudt aan betaling van het volledige bedrag. De uitleg die verweerder heeft gegeven acht de voorzitter niet evident onpleitbaar en is ook zakelijk van toon. Daarbij is, anders dan klaagster stelt, niet komen vast te staan dat verweerder, eerder dan 8 maart 2025, op de hoogte was van de ziekenhuisopname van de gemachtigde van klaagster nu verweerder betwist hiervan telefonisch op de hoogte te zijn gesteld en de e-mail van klaagster aan de rechtbank van 20 februari 2025 niet aan verweerder is gestuurd. Evenmin is de voorzitter van oordeel dat verweerder de belangen van klaagster daarmee onevenredig heeft benadeeld. Het is begrijpelijk dat de gemachtigde van klaagster een heftige periode heeft meegemaakt met de ziekenhuisopname. Op 20 februari 2025 en 8 maart 2025 heeft zij echter kennelijk wel weer kunnen e-mailen over de procedure. In dat laatste bericht heeft zij uitgebreid verzocht om uitstel, onder meer door te wijzen op wetsartikelen. Waarom de gemachtigde van klaagster in plaats daarvan geen betalingsopdracht kon geven is niet duidelijk. Bovendien kan van klaagster als professioneel incassobureau worden verwacht dat er adequate

Klachtonderdeel e)

4.6 Klaagster heeft dit klachtonderdeel niet geconcretiseerd. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen of verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel f)

4.7 Tot slot wordt verweerder verweten klaagster te hebben beschuldigd van ‘slecht AI’-gebruik, juridische onkunde en dat zij maar wat zou roepen. De voorzitter acht dit in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Aan verweerder komt een ruime vrijheid toe om zich naar eigen goeddunken te verweren op deze tuchtklacht. Hoewel voorgesteld kan worden dat deze woorden voor klaagster kwetsend over kunnen komen, zijn zij daarmee nog niet onnodig kwetsend. Verweerder heeft dit immers functioneel mogen achten om zich te verweren tegen de tuchtklacht. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.

 

Griffier Voorzitter

 

Verzonden op: 10 december 2025