Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:277

Zaaknummer

25-746/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een letselschadekwestie in alle onderdelen ongegrond. Verweerder kan niet worden verweten dat hij niet eerder een voorschot heeft gevraagd,  omdat klager geen inzicht heeft gegeven in zijn schadeposten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op het gebied van bereikbaarheid, communicatie en overdracht van het dossier is niet gebleken.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 24 december 2025 in de zaak 25-746/DH/DH

 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 31 oktober 2025 met kenmerk K114 2025 ia/nm en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klager van 25 november 2025.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Op 4 januari 2023 heeft klager als gevolg van een verkeersongeval letsel opgelopen.

1.2 Klager heeft zich daarna tot advocaat mr. A gewend voor rechtsbijstand. Op 9 januari 2023 heeft mr. A heeft namens klager de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval, Nationale Nederlanden (hierna ook: NN), aansprakelijk gesteld. Mr. A heeft op enig moment de opdracht neergelegd. NN heeft het dossier van klager gesloten.

1.3 Op 14 februari 2024 heeft klager verweerder gevraagd om zijn belangen in de letstelschadekwestie verder te behartigen. Op 27 februari 2024 heeft bij verweerder op kantoor een bespreking tussen hen plaatsgevonden.

1.4 Op 26 juli 2024 heeft NN de aansprakelijkheid erkend met als voorbehoud dat nog een beroep op de eigen schuld van klager kan worden gedaan indien nog te ontvangen informatie daartoe voor NN aanleiding zou geven. Verweerder heeft deze e-mail aan klager toegestuurd.

1.5 Op 22 oktober 2024 heeft op het kantoor van verweerder een gesprek plaatsgevonden met een schaderegelaar van NN om de gevolgen van het ongeval en de schadeposten in kaart te brengen. Klager was hierbij aanwezig. De schaderegelaar van NN heeft van dit gesprek een verslag gemaakt. Dat verslag heeft verweerder op 23 oktober 2024 aan klager gestuurd.

1.6 In zijn e-mail van 3 december 2024 heeft klager bij verweerder zijn zorgen geuit over het aspect van de eigen schuld. Verweerder heeft klager daarop uitgelegd dat dat argument door NN was aangevoerd toen de toedracht nog niet duidelijk was.

1.7 In zijn e-mail van 4 december 2024 heeft verweerder aan klager gevraagd om bij zijn behandelaren - huisarts en psycholoog - aan te dringen om de eerder door verweerder opgevraagde medische informatie te verstrekken. In deze e-mail heeft verweerder aan klager in overweging gegeven om opnieuw een doorverwijzing naar een psycholoog te vragen gezien de mentale toestand van klager op dat moment.

1.8 In een e-mail van 19 februari 2025 heeft klager onder meer aan verweerder laten weten dat zijn huisarts door toedoen van verweerder geen informatie verstrekte en verweerder verweten geen voorschot voor klager bij NN te hebben gevraagd. Ook heeft klager daarin afgevraagd of hij niet op zoek moest naar een andere advocaat.

1.9 Hierop heeft verweerder met een e-mail van 20 februari 2025 gereageerd. Hij heeft klager onder meer uitgelegd dat hij al op 24 februari 2024 een duidelijk verzoek om informatie aan de huisarts van klager had gestuurd. Ook heeft verweerder toegelicht waarom een verstrekking van een voorschot nog niet speelde.

1.10 Op 12 maart 2025 heeft klager via een e-mail aan verweerder laten weten dat hij emotioneel was geweest, maar de zaak toch verder wilde laten behandelen door verweerder. In overleg met klager heeft verweerder daarna onder meer een voorschot gevraagd voor klager en medische informatie aan NN gestuurd.

1.11 Op 6 mei 2025 heeft klager via WhatsApp en telefonisch aan verweerder zijn ongenoegen over het rapport van de schaderegelaar gemeld. Diezelfde dag heeft verweerder de telefonisch al aangekondigde beëindiging van zijn werkzaamheden schriftelijk aan klager bevestigd en toegelicht dat hij het dossier aan de nieuwe belangenbehartiger van klager zal sturen.

1.12 Op 7 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) in de letselschadezaak geen voorschot te vragen, terwijl klager daar wel recht op had;

b) niet goed bereikbaar te zijn voor klager, hem niet terug te bellen en een telefoongesprek abrupt te beëindigen;

c) vanaf het begin grof, brutaal en snel kwaad te zijn en klager niet serieus te nemen onder meer niet nadat hij verweerder had gewezen op onjuistheden in het rapport van NN over eigen schuld van klager;

d) tijdens het gesprek met de schaderegelaar niet naast klager maar naast de schaderegelaar te gaat zitten, wat ongemakkelijk voor klager voelde;

e) het dossier niet op verzoek van klager te willen verstrekken.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

3.2 Een voorschot op het smartengeld is pas aan de orde als er duidelijkheid is over de aard en omvang van het letsel. Klager heeft aanvankelijk, ondanks vragen van verweerder, geen opgave gedaan van de omvang van zijn schadeposten. Ook tijdens het gesprek op 22 oktober 2024 met de schaderegelaar heeft klager daarin geen concreet inzicht verschaft. Door het ontbreken van medische informatie van de behandelaren van klager was het daarom niet mogelijk om eerder een voorschot te vragen. In maart 2025 heeft klager alsnog kosten in verband met het ongeval doorgegeven, te weten die betreffende zijn eigen risico van € 385,-. Daarvoor heeft verweerder een voorschotbetaling aan NN gevraagd.

Klachtonderdeel b)

3.3 Verweerder betwist dat hij of zijn kantoor niet goed bereikbaar zijn geweest voor klager.

3.4 Tijdens het telefoongesprek op 6 mei 2025 heeft hij op stellige en enigszins geïrriteerde wijze klager van repliek gediend toen klager op geagiteerde toon opnieuw zijn inspanningen voor hem in twijfel trok. Toen klager riep dat hij zijn dossier wilde hebben en een andere belangenbehartiger zou zoeken, heeft verweerder daarop gezegd dat dat goed was en toen aangekondigd het gesprek te beëindigen omdat voortzetting hem dan niet zinvol voorkwam. Daarna heeft hij het gesprek gestopt en zijn onttrekking als advocaat van klager schriftelijk bevestigd.

Klachtonderdeel c)

3.5 Volgens verweerder zijn de contacten met klager tijdens de twee persoonlijke ontmoetingen en spaarzame telefonische contacten op harmonieuze wijze verlopen. Verweerder betwist dat hij klager daarbij onheus zou hebben bejegend of dat hij hem niet serieus zou hebben genomen. Hij verwijst in dat kader naar de met klager gevoerde correspondentie, zoals deels opgenomen onder de feiten hiervoor.

Klachtonderdeel d)

3.6 Bij aanvang van het gesprek op 22 oktober 2024 zat verweerder tegenover klager. De schaderegelaar van NN, die later binnenkwam, is vervolgens aan dezelfde zijde van de tafel gaan zitten als verweerder. Klager heeft zich daarover toen niet beklaagd.

Klachtonderdeel e)

3.7 Verweerder betwist dat hij zou hebben geweigerd om het dossier aan klager te geven. Hij heeft dat dossier op 16 mei 2025 aan klager verstrekt.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt per geval beoordeeld.

Klachtonderdeel a)

4.4 Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat klager vanaf het begin van de rechtsbijstand aan verweerder heeft gevraagd om een voorschot bij NN te vragen. Evenmin is uit de stukken gebleken dat klager aan verweerder, of tijdens het gesprek met de schaderegelaar, inzicht heeft gegeven in zijn schadeposten. In die situatie was het naar het oordeel van de voorzitter ook niet mogelijk om voor klager een voorschot te vragen. Dat voorschot heeft verweerder alsnog bij NN opgevraagd toen klager in maart 2025 de door hem gemaakte schadepost betreffende de eigen bijdrage aan verweerder had doorgegeven.

4.5 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder hierin tuchtrechtelijk niet verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel b)

4.6 Verweerder heeft weersproken dat hij voor klager slecht bereikbaar is geweest. Hij heeft aangevoerd dat hij altijd reageert op terugbelverzoeken van zijn secretariaat of op voicemailberichten. Uit de overgelegde e-mails blijkt niet van (eerdere klachten van klager over) het tegendeel. Van een advocaat kan niet worden verlangd, zoals klager betoogt, dat deze standaard terugbelt bij een gemiste oproep. Klager had bovendien de mogelijkheid om de voicemail van verweerder in te spreken maar heeft dat om hem moverende redenen niet gedaan. In deze omstandigheden is van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder naar het oordeel van de voorzitter geen sprake geweest.

Klachtonderdeel c)

4.7 De voorzitter constateert dat de spanning tijdens het telefoongesprek van 6 mei 2025 tussen klager en verweerder kennelijk is opgelopen als gevolg van wederzijdse irritaties en woordkeuze. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder met zijn opstelling tijdens dat gesprek echter niet de grenzen van het betamelijke overschreden. Verweerder heeft klager bovendien uitgelegd dat en waarom hij dat telefoongesprek ging beëindigen, zodat dat voor klager niet als een verrassing kan zijn gekomen.

4.8 Nu dit verwijt verder niet wordt ondersteund door stukken, is naar het oordeel van de voorzitter ook in dit opzicht van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake.

Klachtonderdeel d)

4.9 Niet valt in te zien in welke zin verweerder in dezen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De schaderegelaar van NN heeft tijdens het gesprek op 22 oktober 2024 op eigen initiatief plaatsgenomen naast verweerder en als gevolg daarvan tegenover klager. Dat klager hierdoor in zijn belangen is geschaad of dat verweerder zich in dat opzicht onprofessioneel heeft gedragen, is de voorzitter niet gebleken. Klager had tijdens het gesprek ook kunnen melden dat hij de positionering aan de tafel niet prettig vond. Dat hij dat heeft gedaan, is de voorzitter niet gebleken. Gelet op het voorgaande treft verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt.

Klachtonderdeel e)

4.10 Indien een (voormalig) cliënt aan een advocaat om afgifte van een afschrift van een dossier vraagt is die advocaat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline in beginsel gehouden dat aan die cliënt te verstrekken. Uit het klachtdossier volgt dat klager voor het eerst tijdens het telefoongesprek op 6 mei 2025 met verweerder om een afschrift van zijn dossier heeft gevraagd. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat hij het dossier op 16 mei 2025 aan klager heeft verstrekt. Nu dit binnen een redelijke termijn is gebeurd, is de voorzitter van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk hierin geen verwijt treft.

Tot slot

4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.

 

Griffier Voorzitter

 

Verzonden op: 24 december 2025