Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:264
Zaaknummer
25-703/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klacht is gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk vanwege een gebrek aan rechtstreeks eigen belang. De door verweerder namens zijn cliënte opgestelde conceptdagvaarding is niet aan klagers betekend en dus ook niet uitgebracht. Van (oneigenlijk) procederen is geen sprake. Het stond verweerder vrij om klagers te benaderen over de vordering van zijn cliënte. De omstandigheid dat klagers het niet met die vordering eens zijn en de vordering kansloos vinden, betekent niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Een inhoudelijke beoordeling van de vordering is voorbehouden aan de civiele rechter. De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 17 december 2025 in de zaak 25-703/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
1. klaagster
vertegenwoordigd door klager
en
2. klager
hierna samen te noemen: klagers
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 16 oktober 2025 met kenmerk R 2025/096, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 19.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is bestuurder van klaagster. Klaagster is verwikkeld in een geschil met mevrouw X over de (ver)koop van een aantal percelen in de periode 2012 tot en met 2023. Verweerder staat mevrouw X in dit geschil bij. Bij een deel van de verkoop van deze percelen was een zusterbedrijf van klaagster, Grondontwikkeling Nederland B.V. (hierna: GON) betrokken. GON is begin oktober 2021 failliet verklaard.
1.2 Op 13 november 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat klaagster en klager persoonlijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort van GON. Deze procedure tegen klaagster en klager is gestart door de curator in het faillissement van GON.
1.3 Verweerder heeft de koopovereenkomsten namens mevrouw X buitengerechtelijk vernietigd en klaagster gesommeerd om de koopsommen aan mevrouw X terug te betalen.
1.4 Vervolgens heeft verweerder een conceptdagvaarding opgesteld waarin klaagster en klager zijn opgenomen als aan te spreken partijen. Verweerder heeft deze conceptdagvaarding aan klaagster en klager gemaild.
1.5 Op 26 mei 2025 heeft verweerder klager gemaild:
‘U hebt het in uw e-mail van afgelopen zaterdag steeds over ‘ontbonden’ koopovereenkomsten, maar daarvan is geen sprake. Ter voorkoming van misverstanden: de koopovereenkomsten tussen [klaagster] en mijn cliënte zijn vernietigd (op grond van oneerlijke handelspraktijken c.q. dwaling).
(…)
U bent overtuigd van de waarde en de potentie van de (aandelen in) grond die aan mijn cliënte werden verkocht. Ik verzoek u daarom nog één keer om de grond terug te nemen en daarvoor de aankoopbedragen terug te betalen. Dat zou, als uw redenering juist is, in financieel opzicht voor u voordeling moeten zijn, in ieder geval voordeliger dan het voeren van een procedure. Ik adviseer mijn cliënte nog één week geduld te hebben met het uitbrengen van de dagvaarding.’
1.6 De dagvaarding is uiteindelijk niet uitgebracht, omdat mevrouw X heeft besloten de zaak tegen klaagster en klager niet voort te zetten.
1.7 Op 10 juli 2025 heeft klager mede namens klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Op 15 juli 2025 heeft klager de klacht verder toegelicht.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:
a) verweerder heeft oneigenlijk geprocedeerd en verweerder heeft bewust de curator ontweken door niet de curator van GON te benaderen, maar door klagers aansprakelijk te stellen. Daarmee omzeilt verweerder de faillissementsprocedure;
b) verweerder heeft een grotendeels verjaarde en kansloze vordering ingediend. De dagvaarding betreft aankopen van percelen vanaf 2012 en mevrouw X is daar al jaren bij betrokken. Het zonder onderbouwing instellen van vorderingen van meer dan tien jaar oud is in strijd met de zorgplicht van gedragsregel 8 en artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
c) verweerder heeft zich in de dagvaarding onnodig grievend over klager en klaagster uitgelaten. Verweerder heeft suggestieve, juridisch ongenuanceerde formuleringen gebruikt, enkel met het doel om klager in diskrediet te brengen. Het gaat klagers om de termen ‘grootschalige windhandel’, ‘bewust misleid’, ‘chaos’, ‘waardeloze grond’ en ‘onfrisse handel’;
d) verweerder heeft geweigerd om op verzoek van klager onderbouwende documentatie te delen. Verweerder is overgegaan tot procederen zonder hoor en wederhoor. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met gedragsregel 6;
e) verweerder heeft in correspondentie voorafgaand aan de dagvaarding gedreigd met juridische repercussies en verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan financiële intimidatie door met de toonzetting te impliceren dat klagers gehouden zijn tot betaling;
f) verweerder heeft zijn cliënte benadeeld. De structuur van de dagvaarding wijst erop dat de procedure eerder gericht is op het uitlokken van verweer dan op een reële juridische oplossing. Verweerder is alleen uit op uren schrijven, tijdrekken en valse hoop geven aan een oudere cliënte;
g) verweerder heeft geprobeerd om de bewijslast om te keren door van klagers te verlangen dat zij bewijzen dat mevrouw X voorafgaand aan de koop van de percelen goed geïnformeerd is;
h) de cliënte van verweerder heeft al meerdere uitkeringen ontvangen uit haar belegging. Informatie hierover is aan verweerder overgelegd;
i) verweerder heeft de taxatie van Cushman & Wakefield genegeerd door deze gegevens niet mee te nemen in zijn beoordeling en voorbereiding van de dagvaarding;
j) verweerder heeft juridische actie aangekondigd. Verweerder heeft klagers eerst gesommeerd en heeft vervolgens een conceptdagvaarding opgesteld. De reactie van klagers daarop was verdedigend, niet intimiderend;
k) verweerder heeft de procedure tegen klagers ingetrokken, maar dat doet niets af aan zijn gedragingen. Ook zonder daadwerkelijke procesgang blijft het gedrag van een advocaat toetsbaar;
l) de werkwijze van verweerder bij het opsporen van particuliere grondeigenaren via het Kadaster heeft kenmerken van een SLAPP-aanpak;
m) verweerder is verbonden aan de Stichting Grondhandelclaim, een platform dat actief grondeigenaren en belegger benadert om zicht aan te sluiten bij collectieve claims.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken van klagers ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband wijst verweerder erop dat de conceptdagvaarding niet is betekend, laat staan aangebracht en dat de zaak van mevrouw X gesloten is. Ook wijst verweerder erop dat het niet aan klagers is om ongevraagd namens zijn cliënte te klagen over de dagvaarding. In dat verband doet verweerder een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de klacht vanwege een gebrek aan belang.
3.2 Voor wat betreft zijn inhoudelijke verweer voert verweerder aan dat de rechtbank in het vonnis van 13 november 2024 heeft geoordeeld dat klaagster en klager persoonlijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort van GON en dat het aanspreken van de boedel geen zin heeft omdat de curator niets meer aan de lijst van geverifieerde schuldeisers kan veranderen. De dagvaarding is niet uitgebracht zodat van (oneigenlijk) procederen geen sprake kan zijn.
Verder merkt verweerder op dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor een discussie over het beroep van klagers op verjaring van de vorderingen van mevrouw X. Daarnaast betwist verweerder dat de door klagers bedoelde termen in de dagvaarding onnodig grievend zijn. Volgens verweerder hebben de gebruikte termen een negatieve connotatie maar zijn deze termen functioneel, namelijk om te onderbouwen dat sprake is van oneerlijke handelspraktijken en dat de handel in speculatieve (landbouw)grond uiterst omstreden is.
Ook voert verweerder aan dat klagers niet hebben gevraagd om specifieke stikken, dat dit dus ook niet is geweigerd en dat niet is overgegaan tot het voeren van een procedure. Tot slot voert verweerder aan dat het niet klachtwaardig is om eerst aan te dringen op terugbetaling van de koopsom voordat de conceptdagvaarding aan klagers werd gestuurd.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het handelen van de advocaat waarover wordt geklaagd aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels. De gedragsregels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke normen, wel van belang zijn voor de invulling van de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt echter steeds af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter van geval tot geval beoordeeld.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk
4.3 De voorzitter stelt op grond van de stukken vast dat de door verweerder opgestelde conceptdagvaarding niet aan klagers is betekend en dus ook niet is uitgebracht. Van (oneigenlijk) procederen is dan ook geen sprake. In zoverre is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond.
4.4 Bij het verwijt dat verweerder de curator in het faillissement van GON bewust heeft ontweken door deze niet te benaderen, maar in plaats daarvan klagers aansprakelijk te stellen, hebben klagers geen rechtstreeks eigen belang. In zoverre is klachtonderdeel a) kennelijk niet-ontvankelijk. Daarbij merkt de voorzitter op dat ook als klagers wel een voldoende eigen belang bij dit verwijt zouden hebben, klachtonderdeel a) in zoverre kennelijk ongegrond zou zijn. Op basis van het vonnis van 13 november 2024 stond het verweerder immers vrij om klaagster en klager persoonlijk aan te spreken voor het boedeltekort van GON.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.5 De voorzitter stelt vast dat het verwijt dat klagers verweerder maken over de vordering die hij namens mevrouw X onder de aandacht van klagers heeft gebracht voortvloeit uit het geschil over de (ver)koop van de percelen. Het stond verweerder als advocaat van mevrouw X vrij om klagers te benaderen over de vordering van mevrouw X. De omstandigheid dat klagers het niet met die vordering eens zijn en de vordering kansloos vinden, betekent niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Een inhoudelijke beoordeling van de vordering van mevrouw X is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter heeft daar in het kader van een klachtprocedure geen ruimte voor. De voorzitter kan dan ook niet beoordelen of de vordering van mevrouw X verjaard is. Dat kan alleen (en moet eerst) door de civiele rechter worden vastgesteld. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.6 De voorzitter is op grond van het klachtdossier van oordeel dat van onnodig grievende uitlatingen van verweerder in de conceptdagvaarding geen sprake is. Verweerder heeft de bewuste uitlatingen in de conceptdagvaarding gedaan om de vordering van zijn cliënte toe te lichten. Gelet op deze context zijn de uitlatingen van verweerder functioneel en naar objectieve maatstaven niet onnodig kwetsend. Het is de voorzitter ook niet gebleken dat verweerder de uitlatingen heeft gedaan met het enkele doel om klagers in diskrediet te brengen. De omstandigheid dat klagers de uitlatingen van verweerder als suggestief en juridisch ongenuanceerd hebben ervaren, betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond
4.7 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door bepaalde stukken niet aan klagers te verstrekken. Tegenover het standpunt van klagers dat verweerder ondanks een verzoek daartoe heeft geweigerd onderbouwende documentatie met hen te delen, staat het standpunt van verweerder dat klagers hem nooit om specifieke stukken hebben gevraagd. Klagers hebben dit standpunt van verweerder verder niet weersproken. Daarbij merkt de voorzitter op dat van procederen zonder hoor en wederhoor geen sprake is, omdat het geschil tussen klagers en mevrouw X nooit tot een rechtszaak is gekomen. Klachtonderdeel d) is bij gebrek aan een feitelijke grondslag dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond
4.8 De voorzitter kan op grond van de overgelegde correspondentie niet vaststellen dat verweerder ten opzichte van klagers tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft klagers namens zijn cliënte bericht dat zij de koopovereenkomsten ten aanzien van de percelen buitengerechtelijk vernietigt en verweerder heeft klagers in dat kader gesommeerd om de door zijn cliënte betaalde koopsommen aan haar (terug) te betalen. Daarmee heeft verweerder niet alleen in lijn gehandeld met de gedragsregels maar ook overeenkomstig hetgeen van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De omstandigheid dat klagers de toonzetting van de sommaties als financiële intimidatie ervaren, betekent niet dat verweerder door zijn sommaties klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel e) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) is kennelijk niet-ontvankelijk
4.9 De voorzitter stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.10 De voorzitter is van oordeel dat klager geen rechtstreeks eigen belang heeft bij zijn verwijt over de wijze waarop verweerder zijn cliënte heeft bijgestaan. Het is de cliënte die daarover kan klagen als zij niet tevreden is met de dienstverlening van verweerder. De omstandigheid dat klager het niet eens is met de wijze waarop verweerder mevrouw X bijstaat, levert geen rechtstreeks eigen belang van klager op. Klachtonderdeel f) is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel g) is kennelijk ongegrond
4.11 Het verwijt van klagers dat verweerder heeft geprobeerd om de bewijslast om te keren, is een juridisch standpunt in het geschil tussen mevrouw X en klagers. Het stond verweerder als advocaat van mevrouw X vrij om dit standpunt in te nemen en in de conceptdagvaarding op te nemen. De omstandigheid dat klagers anders over de bewijslast denken, betekent niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Een inhoudelijk oordeel over de bewijslast is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter heeft daarin geen taak. Dit onderdeel van de klacht is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond
4.12 Het verwijt van klagers dat mevrouw X al meerdere uitkeringen heeft ontvangen uit haar belegging is door verweerder betwist, waarbij verweerder heeft verwezen naar de inhoud van de conceptdagvaarding. Zonder feitelijke onderbouwing, die hier ontbreekt, kan de voorzitter de juistheid van het verwijt niet vaststellen. Klachtonderdeel h) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond
4.13 De voorzitter stelt voorop dat het verweerder vrijstaat om zelf te bepalen welke informatie hij noodzakelijk en in het belang van zijn cliënte acht om bij zijn beoordeling en voorbereiding van de dagvaarding te betrekken. Klagers staan hier als wederpartij buiten. In dit geval heeft verweerder ook uitdrukkelijk betwist dat hij een taxatierapport van Cushman & Wakefield heeft ontvangen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder is de voorzitter ook in dit opzicht niet gebleken. Klachtonderdeel i) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel j) is kennelijk ongegrond
4.14 De voorzitter is van oordeel dat het verweerder in het belang van zijn cliënte vrijstond om klagers te sommeren de koopsom terug te betalen en om daarna over te gaan tot het opstellen van een conceptdagvaarding. Van intimiderend gedrag van verweerder is daarbij niet gebleken. De omstandigheid dat verweerder de reactie van klagers op de sommatie en de conceptdagvaarding als intimiderend heeft ervaren en dat ook zo heeft benoemd, levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder op. Klachtonderdeel j) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel k) is kennelijk ongegrond
4.15 Het standpunt van klagers dat het handelen van een advocaat ook buiten een rechtszaak om tuchtrechtelijk toetsbaar blijft is juist. Verweerder heeft dat in zijn verweer tegen de klacht ook niet ontkend. Voor zover klagers hierover klagen, is dit klachtonderdeel dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel l) is kennelijk niet-ontvankelijk
4.16 Klagers verwijten verweerder dat hij particuliere grondeigenaren via het Kadaster opspoort en dat zijn werkwijze daarbij kenmerken heeft van een SLAPP-aanpak, het dreigen met een grensoverschrijdende rechtszaak met de bedoeling om mensen het zwijgen op te leggen. Los van het feit dat klagers dit standpunt niet feitelijk hebben onderbouwd en verweerder deze werkwijze heeft betwist, hebben klagers niet gesteld, laat staan aangetoond, dat zij door deze handelwijze direct in hun belangen zouden zijn getroffen. Klagers komt dan ook geen recht toe om hierover te klagen. Klachtonderdeel l) is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel m) is kennelijk niet-ontvankelijk
4.17 Klagers verwijten verweerder dat hij nauw verbonden lijkt met de Stichting Grondhandelclaim die klaagster recentelijk heeft opgenomen in haar waarschuwingslijst. Los van het feit dat klagers dit standpunt niet feitelijk hebben onderbouwd en verweerder iedere betrokkenheid heeft betwist, is niet gebleken dat klagers hierdoor direct in hun belangen zijn getroffen. Klagers komt dan ook geen recht toe om hierover te klagen. Klachtonderdeel m) is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Overig
4.18 De standpunten die klagers voor het overige nog naar voren hebben gebracht, kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat verweerder als advocaat van mevrouw X in het geschil met klagers tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a) ten aanzien van het verwijt over het ontwijken van de curator in het faillissement van GON, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk, en voor het overige kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdelen b), c), d) en e), g), h), i), j) en k), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdelen f), l) en m), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 december 2025
