Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:270
Zaaknummer
24-652/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een geschil over de hoogte van kinderalimentatie. Dat verweerder niet heeft gereageerd op een bericht van de zijde van klaagster, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar omdat hij als advocaat in beginsel niet gehouden is om inhoudelijk te reageren op brieven van de wederpartij. Bovendien was zijn opdracht op dat moment al beëindigd. Niet gebleken is dat verweerder onjuist heeft geadviseerd over de te betalen kinderalimentatie. Verweerder mocht zijn cliënt om informatie vragen, zodat hij zich kon verdedigen tegen de tuchtklacht. Voor zover hierdoor al sprake zou zijn van een schending van klaagsters privacy, geldt dat er in dit geval zwaarder getild kan worden aan verweerder recht om zich te verdedigen tegen een tuchtklacht. Klacht in alle onderdelen ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 december 2025
in de zaak 24-652/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 september 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/86 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 november 2025. Daarbij was verweerder aanwezig. Klaagster is niet gekomen, zoals zij van tevoren heeft gemeld.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 16. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 27 januari 2025 en 16 juni 2025 en van verweerder van 31 januari 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Tussen klaagster en haar ex-man (hierna ook: de man) zijn verschillende procedures gevoerd. Aanvankelijk is de man hierin bijgestaan door een kantoorgenoot van verweerder. Nadat deze kantoorgenoot elders ging werken, heeft verweerder de man bijgestaan op een zitting bij het gerechtshof.
2.3 Op 20 december 2023 heeft het gerechtshof onder meer de kinderalimentatie vastgesteld.
2.4 Met een formulier van 12 januari 2024, ondertekend op 23 januari 2024, heeft de cliënt van verweerder het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) verzocht tot overname van de inning van de kinderalimentatie.
2.5 Op 24 januari 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klaagster geschreven dat klaagster binnen 14 dagen het (door zijn cliënt berekende) bedrag van € 3.458,66 aan zijn cliënt moet betalen en dat zijn cliënt, als dat niet gebeurt, overweegt de beschikking over te dragen aan een deurwaarder ter verdere tenuitvoerlegging, waarbij de kosten voor rekening van klaagster komen.
2.6 Klaagster heeft op 30 januari 2024 een bedrag van € 706,02 betaald aan de man. De man heeft daarop gereageerd dat een bedrag van € 2.752,64 resteert.
2.7 Op 12 februari 2024 heeft de broer van klaagster (haar toenmalige gemachtigde) per e-mail aan verweerder de hoogte van de te betalen kinderalimentatie betwist.
2.8 In april 2024 heeft het LBIO klaagster aangeschreven over een gestelde betalingsachterstand van € 2.405,80.
2.9 Op 16 mei 2024 heeft de cliënt van verweerder op diens verzoek de brieven van het LBIO doorgezonden aan verweerder.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft niet gereageerd op het bericht van 12 februari 2024.
b) Verweerder heeft onjuiste informatie verstrekt over de hoogte van de te betalen kinderalimentatie, waardoor zijn cliënt onnodig het LBIO heeft ingeschakeld en klaagster zich ten onrechte heeft moeten verantwoorden ten overstaan van het LBIO.
c) Verweerder heeft klaagsters privacy geschonden door zijn cliënt erover te informeren dat klaagster een tuchtklacht heeft ingediend tegen verweerder.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
5.3 Volgens vaste jurisprudentie is een advocaat in beginsel niet gehouden om inhoudelijk te reageren op brieven van de wederpartij (zie bijvoorbeeld HvD 15 augustus 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:158, onder 8.8; RvD Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2021, ECLI:NL:TADRARL:2021:51, onder 4.10, en RvD Arnhem-Leeuwarden 16 maart 2020, ECLI:NL:TADRARL:2020:119, onder 4.10). Verweerder heeft bovendien toegelicht dat zijn opdracht op dat moment al was beëindigd. Zonder deze opdracht was er voor verweerder geen taak weggelegd om zich nog met de kwestie bezig te houden. Daarbij betrekt de raad dat de cliënt van verweerder zelf al in contact met klaagster was getreden over de betaling van de kinderalimentatie. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.4 Niet gebleken is dat verweerder onjuist heeft geadviseerd over de te betalen kinderalimentatie. Uit zijn bericht van 24 januari 2024 blijkt dat de cliënt van verweerder zelf dat bedrag heeft berekend. De cliënt heeft ook zelfstandig het LBIO ingeschakeld. Het LBIO heeft daarna ook een bedrag berekend van de gestelde betalingsachterstand. Dat klaagster (of haar broer) daarover andere ideeën heeft, maakt nog niet dat dit verweerder tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Niet gebleken is dat hij daarbij betrokken was, anders dan het enkele bericht van 24 januari 2024. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.5 Verweerder heeft zijn cliënt om informatie mogen vragen, zoals om de brieven van het LBIO, zodat hij zich kon verdedigen tegen deze tuchtklacht. Het is de raad niet gebleken op welke wijze klaagsters privacy zou zijn geschonden doordat verweerder zijn cliënt heeft geïnformeerd over de tegen hem ingediende tuchtklacht. Voor zover daar al sprake van zou zijn, geldt dat er in dit geval zwaarder getild kan worden aan verweerders recht om zich te verdedigen tegen een tuchtklacht. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Conclusie
5.6 De raad zal de klacht in zijn geheel ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. N. de Boer en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 december 2025
