Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:257

Zaaknummer

25-302/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht van vereffenaars van de nalatenschap over de advocaat van vader. Klagers hebben geen rechtstreeks belang bij de klacht die ziet op gedragsregel 15. De klacht is voor dat deel niet-ontvankelijk. De klachten zijn voor het overige ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 december 2025

in de zaak 25-302/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

 

1. […]

2. […]

klagers

gemachtigde: mr. J.J. Vermaat

 

over:

 

verweerder

gemachtigde: mr. A.C. van der Bent

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 4 november 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 7 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025-053 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren klager sub 2 en verweerder met hun respectieve gemachtigde aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 21. Ook heeft de raad kennis genomen van de door verweerder op 26 mei 2025 nagezonden stukken.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 De vader van klagers was enig bestuurder en enig aandeelhouder in AC B.V. De heer S. was de accountant van deze onderneming.

2.3 Op enig moment is de vader van klagers met zijn ex-partner, mevrouw H., in onderhandeling gegaan over de verdeling van zaken na verbreking van hun relatie. Deze onderhandelingen verliepen niet voorspoedig.

2.4 Op 21 februari 2020 heeft de heer S. namens AC B.V. aan verweerder verzocht “mee te denken over de mogelijkheden voor voortzetting door de vennootschap van het gebruik van de schuur en de kas”. Verweerder heeft daarvoor diezelfde dag zijn opdrachtbevestiging gezonden.

2.5 Diezelfde dag heeft verweerder zijn advies uitgebracht aan de heer S. teneinde “bij te dragen aan het (benodigde) plan van aanpak voor de benodigde stappen in het kader van de vergroting van eigendom en verdere afspraken”.

2.6 Op 23 maart 2020 heeft de heer S. aan verweerder laten weten die avond een afspraak te hebben met klagers vader en mevrouw H.

2.7 Op 30 maart 2020 heeft verweerder aan de heer S. zijn factuur gezonden. Deze factuur is geadresseerd aan AC B.V. en vermeldt als dossiernaam “H.-Van S/Advies”.

2.8 Per brief van 26 juni 2020 heeft verweerder aan de heer S. medegedeeld over te gaan tot sluiting van het dossier “H.-Van der S/Advies”.

2.9 Op 21 juli 2021 heeft mevrouw H. zich voor juridische bijstand inzake onder meer de verdeling van de gemeenschap tot verweerder gewend.

2.10 Per e-mail van 9 augustus 2021 heeft verweerder aan de vader van klagers – voor zover van belang – het volgende bericht:

“Vandaag spraken wij over -kort gezegd- de aandachtspunten tot verdeling van de gemeenschap n.a.v. de brief van 28 juli 2021. (…)

Allereerst is van belang dat jij aangaf te begrijpen dat ik mw. H. als advocaat bij sta. Daar vingen wij de bespreking mee aan en jij gaf aan daar, voor zover nodig, mee akkoord te zijn. (…)”

2.11 Verweerder heeft een concept vaststellingsovereenkomst opgesteld en aan de vader gezonden. In artikel 3.2 van deze vaststellingsovereenkomst staat dat mevrouw H. recht heeft op een vergoeding van EURO 75.000,00.

2.12 In een e-mail van 20 september 2021 te 13.03 uur heeft verweerder aan de vader gevraagd welke onderdelen van de vaststellingsovereenkomst voor hem niet akkoord zijn. De vader heeft daar diezelfde dag om 13.14 uur als volgt op gereageerd:

“(…) ze krijgt 75000 euro klaar en kas en oprit zijn mijn probleem los ik gewoon op. (…)

2.13 Per e-mail van 19 oktober 2021 heeft de vader aan verweerder het volgende bericht:

“goedenavond [verweerder] die jongens zijn net wezen kijken en hebben belooft kas is voor 27 oktober gedemonteerd dus maak overeenkomst maar in orde kan ik tekenen dit is pak van me hart hier zat ik mee wie tijd had om het te doen maar er zijn nog echte vrienden gelukkig.”

2.14 De vader van klagers is op 1 november 2021 onverwacht overleden. Klagers zijn vereffenaar van de nalatenschap van de vader.

2.15 Op het moment van overlijden van de vader was er nog geen overeenstemming bereikt over de verdeling met mevrouw H. Mevrouw H. heeft zich vervolgens tot een andere advocaat gewend omdat verweerder geen erfrechtkwesties behandelt.

2.16 Klagers zijn in hun hoedanigheid van vereffenaar over de verdeling van de nalatenschap van de vader in een aantal gerechtelijke procedures betrokken door mevrouw H. Eén van die procedures betreft de bij dagvaardingen van 12 en 15 maart 2024 ingeleide procedure bij de Rechtbank Rotterdam met zaaknummer C/10/676194. In deze procedure is door mevrouw H. onder meer de hiervoor geciteerde e-mailcorrespondentie tussen de vader en verweerder in het geding gebracht.

2.17 In augustus 2024 heeft de heer S. aan verweerder verzocht hem bij te staan bij het verweer tegen de door klagers bij de Raad van Tucht voor Register Belastingadviseurs ingediende klacht.

2.18 Op 27 september 2024 hebben klagers aan verweerder een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Wij hebben begrepen dat u voor het overlijden (1-11-2021) van onze vader (…) als advocaat zijn belangen heeft behartigd.

Klopt dit?

Heeft u weet van het feit dat uw persoonlijke correspondentie met [vader] aangaande de ontvlechting van zijn relatie met [mevrouw H.] wordt gebruikt, is toegevoegd als productie 5 in de zaak C/10/684014 rolnummer 24/698.

Klopt het dat door het toevoegen van deze email correspondentie (productie 5) in de procedure (...) tegen [mevrouw H.] en klagers u aan [mevrouw H.] of aan F&G Advocaten toestemming heeft gegeven om dit in deze zaak bij te voegen?”

2.19 De correspondentie waarop klagers in hun mail van 27 september 2024 doelen is de e-mailwisseling tussen verweerder en vader, die door mevrouw H. is overgelegd in de procedures met nummer C/10/676194.

2.20 In reactie op voornoemde vragen heeft verweerder aan klagers op 9 oktober 2024 het volgende bericht:

“Als advocaat kan ik geen informatie geven over cliënten of over dossiers aan derden.

Daarbij geeft u aan dat er sprake is van een lopende gerechtelijke procedure, terwijl ik als advocaat in die gerechtelijke procedure(s) niet betrokken ben (lees: niet een partij vertegenwoordig in de door u genoemde gerechtelijke procedure). (…)”

2.21 Op 7 mei 2024 hebben klagers een klacht over verweerder ingediend.

2.22 Bij vonnis van 8 januari 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in de zaak met kenmerk C/10/676194 de gemeenschap tussen mevrouw H. en de nalatenschap van vader verdeeld. Bij deze beslissing heeft de rechtbank de door mevrouw H. in het geding gebrachte e-mail correspondentie tussen de vader en verweerder betrokken en geoordeeld dat daaruit blijkt dat de vader van klagers heeft ingestemd met een vergoeding voor mevrouw H. van EUR 75.000,-.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a) onduidelijkheid laat bestaan over welke rol verweerder wanneer aanneemt en in welke hoedanigheid en bovendien probeert te verhullen dat er een cliënt-relatie bestond tussen verweerder en klagers vader;

b) juridische brondocumenten (testament en samenlevingscontract) niet heeft nageleefd waardoor er onjuiste advisering aan klagers vader heeft plaatsgevonden op basis waarvan afspraken zijn gemaakt die niet in het belang van de vader waren;

c) (persoonlijke) correspondentie en documenten van klagers vader, zonder toestemming van klagers (in hun hoedanigheid van erfgenamen), door wederpartijen van klagers in gerechtelijke procedures heeft laten inbrengen;

d) zich ten onrechte als onpartijdige advocaat van de heer S. heeft gesteld in de tuchtzaak van klagers tegen de heer S. waardoor er sprake is van belangenverstrengeling nu verweerder eerder de advocaat van klagers vader was;

e) in de tuchtzaak, als advocaat van de heer S., uitspraken heeft gedaan die door klagers als laster zijn ervaren;

f) in de tuchtzaak zonder toestemming van klagers vader, persoonlijke documenten (aangifte IB) van klagers vader, heeft ingebracht.

4. VISIE VAN DE DEKEN

4.1. De deken heeft in zijn schriftelijke visie op de ingediende klacht van klagers onder meer het volgende overwogen:

“Uit het klachtdossier is mij niet gebleken waarom verweerder de advocaat van mevrouw H. is geworden en later van de heer S. in de door u tegen hem aanhangig gemaakte tuchtrechtelijke procedure. Nu verweerder geen volledige openheid van zaken geeft, beklijft bij mij het gevoel dat niet valt uit te sluiten dat verweerder en de heer S. elkaar beschermen en wellicht ‘iets te verbergen hebben’. Indien die openheid van zaken ook bij de (eventuele) behandeling van uw klacht door de Raad van Discipline achterwege blijft, verwacht ik dat uw klacht op alle onderdelen gegrond zal worden verklaard aangezien er vele kernwaarden – onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, onpartijdigheid, integriteit – lijken te zijn geschonden.”

5. VERWEER

5.1. Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Daarbij heeft de gemachtigde van verweerder in de procedure bij de Raad van Discipline alsnog diverse stukken ingebracht ter onderbouwing van het verweer. Dit betreft onder meer het complete dossier “H.-Van der S/Advies”.

 

4 BEOORDELING

Ontvankelijkheid – tijdsverloop

4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

4.2 Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken twijfelt de raad er niet aan dat de klacht is ingediend binnen drie jaar nadat klagers bekend zijn geworden met de gedragingen die zij verweerder verwijten. Meer concreet blijkt uit die stukken dat zij daarmee pas bekend werden toen in de procedure jegens mevrouw H. door haar de e-mail correspondentie tussen de vader en verweerder in het geding werd gebracht.

Beoordeling klachtonderdelen a, b en d

4.3 Uitgangspunt is dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar slechts aan degene die door een handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Voor zover het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. Verweerder heeft aangevoerd dat klagers geen rechtstreeks eigen belang hebben bij de klacht. De raad volgt verweerder daar ten aanzien van deze klachtonderdelen in en legt hierna uit waarom.

4.4 Verweerder heeft, na verkrijging van de dekenvisie, meer inzicht gegeven in zijn optreden als advocaat in de door klagers aangehaalde kwesties en welke rol hij had. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de raad voldoende duidelijk gemaakt in welke hoedanigheid hij optrad in de diverse procedures.

4.5 Uit het door verweerder ingebrachte dossier “H.-Van der S./Advies” blijkt dat verweerder in die kwestie – via de tussenpersoon de heer S. – heeft geadviseerd aan het bedrijf van de vader van klagers. Daarna heeft verweerder als advocaat opgetreden voor mevrouw H. Tot slot heeft verweerder opgetreden voor de heer S.

4.6 De raad overweegt dat gedragsregel 15, waar klagers aan refereren, ziet op de relatie tussen de advocaat en de cliënt, die gebaseerd is op vertrouwelijkheid en partijdigheid. Nu klagers zelf geen cliënt van verweerder zijn geweest komt aan hen niet het recht toe om over verweerder te klagen op dit punt. Gelet hierop kunnen klagers niet in deze onderdelen van hun klacht worden ontvangen.

4.7 Ten overvloede overweegt de raad dat klagers er gelijk in hebben dat het verweerder, gelet op de verwevenheid tussen AC B.V. en de vader van klagers, niet zonder meer vrij stond om voor mevrouw H. tegen hun vader op te treden. Uit de door verweerder overgelegde e-mailcorrespondentie volgt evenwel dat vader met de bijstand van verweerder aan mevrouw H. met zoveel woorden heeft ingestemd. Die instemming heeft verweerder echter pas gevraagd nadat verweerder mevrouw H. als cliënte had geaccepteerd. Dat was naar het oordeel van de raad te laat. Echter, vader heeft hier zelf destijds niet over geklaagd.

Beoordeling klachtonderdelen c, e en f

4.8 Mevrouw H. heeft de e-mail correspondentie tussen de vader van klagers en verweerder ingebracht in de procedure tegen klagers bij de Rechtbank Rotterdam. Hierover valt verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Mevrouw H. beschikte, als (voormalig) cliënte van verweerder, over die correspondentie. Dit was immers correspondentie die zag op de onderhandelingen die verweerder namens haar met de vader van klagers had gevoerd. Als cliënte van verweerder recht had zij recht op een afschrift hiervan. Hetzelfde geldt voor de aangifte IB die in de tuchtprocedure door verweerder is ingebracht. Verweerder heeft gesteld dat hij dit stuk van de heer S. had ontvangen, hetgeen de raad niet onbegrijpelijk voorkomt nu de heer S. de belastingadviseur van klagers vader was. De klachtonderdelen c en f zijn ongegrond.

4.9 Het verwijt van klagers dat verweerder lasterlijke uitspraken heeft gedaan in de tuchtprocedure waarin hij de heer S. bijstond, volgt de raad evenmin. Als partijdig advocaat heb je veel vrijheid om een standpunt van een cliënt voor het voetlicht te brengen. Je mag als advocaat daarbij alleen geen onnodig grievende uitspraken doen. Uit de door klagers ingebrachte stukken blijkt de raad niet dat hiervan sprake is geweest. Klachtonderdeel e is daarom ook ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klachtonderdelen a, b en d niet-ontvankelijk;

- verklaart de klachtonderdelen c, e en f ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 1 december 2025