Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:282

Zaaknummer

25-405/AL/GLD

Inhoudsindicatie

De raad heeft geoordeeld dat verweerder zijn cliënte over zijn kosten en over een aspect van processtrategie onvoldoende heeft geïnformeerd. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gelet op de ernst en aard van dit handelen en gezien de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is de oplegging van een waarschuwing passend en geboden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 22 december 2025 in de zaak 25-405/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  vertegenwoordiger: [naam]

gemachtigde: mr. M. Schuring 

over

verweerder gemachtigde: [naam]

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 1 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 20 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24/88 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder, beiden met hun gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klaagster dreef een huisartsenpraktijk. Mevrouw S. Z is via haar persoonlijke houdstervennootschap (indirect) enig bestuurder en aandeelhouder van klaagster. 

2.2    In 2023 heeft klaagster arbeidsovereenkomsten gesloten met mevrouw M. H (hierna: mevrouw H} en de heer B. H (hierna: de heer H). 

2.3    De rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster is ARAG. 

2.4    In september 2023 is mevrouw H op staande voet ontslagen. Bij beschikking van 5 januari 2024 heeft de rechtbank het ontslag vernietigd en is klaagster veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan mevrouw H. 

2.5    Op 20 oktober 2023 heeft klaagster de overeenkomst met de heer H opgezegd. Daar is uiteindelijk door de rechter over geoordeeld dat er sprake is van een ongeldige beëindiging van de overeenkomst tussen partijen. Klaagster is veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan de heer H. 

2.6    Klaagster is bijgestaan door mr. K, advocaat te Nijmegen, in de arbeidsrechtelijke geschillen die waren ontstaan tussen haar en de heer en mevrouw H. 

2.7    Klaagster heeft per 1 januari 2024 haar werkzaamheden gestaakt. Op die datum is een koopovereenkomst gesloten tussen klaagster en G (Arnhem) B.V. (hierna: G), waarbij de activa en passiva van klaagster aan G zijn verkocht voor een bedrag van € 220.000. De heer en mevrouw H hebben daarna conservatoir derdenbeslag gelegd op de vordering van klaagster aan G. 

2.8    Op 29 februari 2024 heeft de vertegenwoordiger van klaagster een gesprek gehad met verweerder. In een e-mail van 1 maart 2024 heeft verweerder aan de vertegenwoordiger van klaagster een opdrachtbevestiging gestuurd. Verweerder heeft klaagster vanaf dat moment bijgestaan met betrekking tot de verbintenis- en vermogensrechtelijke aspecten van de geschillen. Vanaf 1 maart 2024 heeft verweerder werkzaamheden verricht voor klaagster. 

2.9    In een e-mail van 18 maart 2024 aan ARAG (met onder meer de vertegenwoordiger van klaagster en verweerder in de CC) heer mr. K het volgende geschreven:  Ik heb mij, na mij namens verzekerde gesteld te hebben, vandaag, in en na overleg, officieel onttrokken van de door de wederpartij opgestarte procedure. Ik onttrok mij als de eerste advocaat, en wel om zo de eerste viool daadwerkelijk te geven aan mr. T. Mr. T nam mijn plaats in, in de procedure.’’

2.10    Op 2 april 2024 heeft verweerder een declaratie inclusief specificatie ter hoogte van  € 20.060,59 aan de vertegenwoordiger van klaagster gestuurd. 

2.11    In de procedure bij de rechtbank in het geschil tussen klaagster en de heer H was de termijn voor klaagster voor het indienen van de conclusie van antwoord bij de rechtbank op 10 april 2024 gesteld. 

2.12    In een e-mail van 12 april 2024 heeft verweerder aan (onder meer) de vertegenwoordiger van klaagster het volgende geschreven:   

Bijgaand (*) zend ik je een afschrift van het B-formulier, waarmee ik mij zojuist bij de rechtbank stelde als advocaat van N Praktijken B.V. Omdat het roljournaal niet vermeldde dat K zich in de procedure heeft onttrokken, is de zaak ambtshalve voor vonnis gezet. Op grond van het procesreglement zouden wij nog twee weken moeten krijgen. Ik heb daarover zojuist contact opgenomen met de griffie. De dame die ik sprak liet mij weten dat wij inderdaad nog mogen antwoorden. Het roljournaal zal dus nog worden aangepast, maar ik houd dat voor je in de gaten. @K: zou je me een afschrift willen sturen van jouw onttrekking (B-formulier) en bericht aan Van M? Ik meen het gezien te hebben, maar ik vind het zo snel niet terug.’’

2.13    In een e-mail van 12 april 2024 aan (onder meer) de vertegenwoordiger van klaagster heeft verweerder het volgende geschreven:In aansluiting op mijn berichten van vrijdag jl., heb ik helaas slecht nieuws. Ik probeerde je hierover zojuist ook al te bellen, maar kreeg je niet te pakken.  Ik werd er door mr. Van M zojuist op geattendeerd dat, de procedure tegen H ‘voor vonnis’ is gezet. Bijgaand (*) zend ik je een afschrift van het bericht van de rechtbank. De rechtbank heeft besloten om ons niet de gewenste twee weken uitstel te verlenen (voor het stellen van een nieuwe advocaat), omdat dat uitsluitend van toepassing is na onttrekking van een advocaat. In dit geval heeft K zich echter niet onttrokken. Bijgevolg krijg ik geen gelegenheid krijg om mij alsnog te stellen, zodat de uiterlijk termijn voor het indienen van verweer vorige week is verstreken. voor zover ik daar iets anders had kunnen doen, bied ik je daarvoor direct mijn excuses aan. Conclusie is dat de procedure bij de rechtbank binnenkort voorbij is. De uitkomst is niet positief. Daar kan ik helaas niets meer aan veranderen (…). Voor zover je nu al wil voortuitkijken, zijn er desondanks verschillende dingen die wij nog wel kunnen doen. Zo kan bijvoorbeeld in hoger beroep de kwestie (van de vergoeding van H) nog steeds worden beoordeeld en een separate dagvaarding met betrekking tot zijn handelen, is ook nog steeds mogelijk. Daarnaast liet mr. Van M mij overigens zojuist weten nog steeds bereid te zijn tot een schikking. 

2.14    In een brief van 19 april 2024 aan de vertegenwoordiger van klaagster is klaagster door de advocaat van G aansprakelijk gesteld voor de schade die G als gevolg van het niet nakomen van de overeenkomst dan wel verzocht om de volgens G op klaagster rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst alsnog na te komen. 

2.15    Klaagster heeft (in overleg met ARAG) advies ingewonnen bij mr. drs. L, advocaat te Nijmegen, over de situatie die is ontstaan als gevolg van de akte niet-dienen die de rechter op 10 april 2024 heeft verleend. 

2.16    Op 1 mei 2024 heeft verweerder een declaratie inclusief specificatie ter hoogte van  € 11.203,23 aan de vertegenwoordiger van klaagster gezonden. 

2.17    Op 1 mei 2024 heeft de rechtbank een vonnis gewezen over het geschil tussen klaagster en de heer H. Daarin is opgenomen dat de akte niet-dienen is verleend op de rol van 10 april 2024. Ook stelt de rechtbank dat (een deel van) de gronden van de wederpartij van klaagster niet zijn weersproken. Klaagster is vervolgens veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 170.134,52 (te vermeerderen met de wettelijke rente) en de proceskosten aan de heer H. 

2.18    In een e-mail van 6 mei 2024 heeft de advocaat van de heer H het volgende aan verweerder geschreven:  Niet geheel onverwacht is uw cliënte bij vonnis van 1 mei jl. veroordeeld tot betaling van (…)Hierdoor stel ik uw cliënte in de gelegenheid het bedrag van € 183.002,00 uiterlijk voor 11 mei 2024 te betalen door middel van overboeking van dit bedrag op derdenrekeningnummer NL28ABNA0644610646 ten name van Stichting Beheer Derdengelden B Advocaten te Nijmegen onder vermelding van D230587. In geval van niet tijdige en integrale betaling zal ik de deurwaarder opdragen tot betekening en executie van het vonnis over te gaan. De daaraan verbonden kosten zullen alsdan eveneens ten laste van uw cliënte worden gebracht.’

2.19    In een e-mail van 13 mei 2024 heeft de vertegenwoordiger van klaagster het volgende aan verweerder geschreven: Ik betreur het oprecht dat ARAG zich op het standpunt stelt dat de behandeling van de zaak tegen H niet aan jou is uitbesteed alsook dat betaling sowieso niet aan de orde is vanwege de beroepsfout. Bovendien is meerdere malen besproken dat de opdracht van N Praktijken aan jouw kantoor is verleend onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat jouw facturen worden voldaan door ARAG, eenvoudigweg omdat N Praktijken zich deze kosten niet kan veroorloven. Ik verzoek je daarom vriendelijk de declaraties aan N Praktijken te crediteren. Ik ga er vanuit dat jouw schade kan worden verhaald op de verzekeraar van K.

2.20    Verweerder heeft in een e-mail van 13 mei 2024 gereageerd op de bovenstaande e-mail van de vertegenwoordiger van klaagster.

2.21    Op verzoek van de vertegenwoordiger van klaagster heeft verweerder het onderliggende dossier op 14 mei 2024 overgedragen aan mr. L. 

2.22    Verweerder heeft uiteindelijk, na communicatie over de openstaande declaraties, een advocaat ingeschakeld, omdat betaling van de door hem aan klaagster gestuurde declaraties uitbleef. In een brief van 24 juli 2024 is de vertegenwoordiger van klaagster door de advocaat van verweerder aangeschreven en is hem verzocht de declaraties te voldoen. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    onduidelijkheid te laten bestaan over zijn kosten en excessief te declareren; 

b)    ondermaats te presteren en onzorgvuldig te handelen.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Maatstaf

5.1    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.2    Bij de beoordelingen van deze klacht zijn in het bijzonder de gedragsregels 16 en 17 van belang. Gedragsregel 16 bepaalt dat een advocaat zijn cliënt(e) op de hoogte moet brengen van voor zijn cliënt(e) belangrijke informatie, feiten en afspraken en die schriftelijk te bevestigen om onduidelijkheden en misverstanden te voorkomen. Gedragsregel 17 bepaalt dat - zakelijk weergeven - een advocaat een redelijk honorarium in rekening moet brengen en vooraf transparant moet zijn over zijn honorarium, de kosten en de wijze van declareren. Daardoor zal de advocaat veelal een inschatting moeten geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten (honorarium). Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting, stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte.

5.3    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdeel a)

5.4    Klaagster stelt dat verweerder onduidelijkheid heeft laten bestaan over zijn kosten en dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. Klaagster heeft daartoe (onder meer) aangevoerd dat zij de door verweerder aan klaagster gestuurde opdrachtbevestiging heeft afgewezen en dat verweerder de opdracht heeft aanvaard onder de voorwaarde dat zijn kosten door ARAG worden vergoed. Volgens klaagster heeft zij het voorbehoud gemaakt dat de betaling van de factuur van verweerder afhankelijk is van de bereidheid van ARAG om de facturen te vergoeden. 

5.5    De raad is van oordeel dat uit het klachtdossier niet blijkt dat klaagster de door verweerder opgemaakte en aan klaagster gestuurde opdrachtbevestiging van 1 maart 2024 heeft afgewezen. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel wordt er daarom van uitgegaan dat klaagster akkoord is gegaan met de inhoud van die opdrachtbevestiging. 

5.6    De raad stelt vast dat verweerder in de opdrachtbevestiging geen inschatting heeft gegeven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten. Ook daarna heeft verweerder klaagster niet op een andere manier (schriftelijk) op de hoogte gebracht van de te verwachten tijdsbesteding en zijn (oplopende) kosten. Verweerder heeft klaagster op dit onderdeel dan ook onvoldoende geïnformeerd en verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met gedragsregel l 17. Dit onderdeel van dit klachtonderdeel is dan ook gegrond. 

5.7    In de opdrachtbevestiging staat dat verweerder zijn werkzaamheden in rekening brengt op basis van gewerkte uren, tegen een uurtarief van € 295 en dat hij zijn werkzaamheden in beginsel maandelijks factureert. De raad is op grond daarvan van oordeel dat het voor klaagster duidelijk moet zijn geweest dat zij betalingsplichtig was voor de door verweerder te verrichten werkzaamheden. Dat klaagster ten aanzien van te betalen facturen de hierboven genoemde voorwaarde heeft gemaakt, staat niet in de opdrachtbevestiging en blijkt ook onvoldoende uit de rest van het klachtdossier. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond. 

5.8    Klaagster klaagt ook over de hoogte van de declaraties. Ter zake de hoogte van de declaraties beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of er sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt. De raad begrijpt dat klaagster het gedeclareerde bedrag fors vindt, zeker gezien het behaalde resultaat. De raad is echter van oordeel dat op grond van de overgelegde declaraties niet is gebleken dat er sprake is van een wanverhouding tussen de verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren. Ook dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.9    Klaagster verwijt verweerder dat hij ondermaats heeft gepresteerd en onzorgvuldig heeft gehandeld. Als toelichting op dit klachtonderdeel heeft klaagster aangevoerd dat verweerder heeft verzuimd om klaagster tijdig te informeren over belangrijke communicatie en dat verweerder fouten heeft gemaakt, in het bijzonder door niet te controleren of mr. K zich had onttrokken en niet de deadline in te gaten te houden voor het indienen van de conclusie van antwoord.

5.10    Uit de stukken volgt dat mr. K en verweerder hadden afgesproken dat mr. K zich aan de zaak zou onttrekken, waardoor - overeenkomstig het procesreglement van de rechtbank - klaagster uitstel zou krijgen voor het indienen van de conclusie van antwoord. Mr. K heeft echter verzuimd om zich als advocaat aan de zaak te onttrekken. Als gevolg daarvan heeft de rechtbank aan klaagster geen uitstel gegeven voor het indienen van de conclusie van antwoord. De rechtbank heeft op de rol van 10 april 2024 een akte niet-dienen verleend. Vervolgens heeft de rechtbank op 1 mei 2025 een vonnis gewezen over het geschil tussen klaagster en de heer H. De rechtbank heeft in haar vonnis onder meer overwogen dat (een deel van) de gronden van de wederpartij van klaagster niet zijn weersproken. Klaagster is vervolgens veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 170.134,52 (te vermeerderen met de wettelijke rente) en de proceskosten aan de heer H. 

5.11    De raad is van oordeel dat deze gang van zaken niet aan verweerder kan worden toegerekend. Mr. K had verweerder per e-mail laten weten dat hij zich had onttrokken. Verweerder mocht op dat bericht van zijn collega vertrouwen. Het was beter geweest als verweerder voordat de betreffende rolzitting plaatsvond nader bewijs had gevraagd aan mr. K waaruit zou volgen dat mr. K inderdaad bericht van zijn onttrekking aan de rechtbank had verzonden. Maar door dit na te laten heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. 

5.12    De communicatie van verweerder over deze gang van zaken in de richting van klaagster is echter wel onvoldoende geweest. Verweerder had klaagster over deze processuele strategie moeten inlichten en haar moeten voorlichten over de risico’s van die strategie en dit ook schriftelijk moeten vastleggen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Bovendien had hij met klaagster de (on)mogelijkheid om op te komen tegen de beslissing van de rechtbank om de termijn niet te verlengen, moeten bespreken. Door klaagster over deze punten niet te informeren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 16. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat onderdeel van de klacht is daarom wel gegrond.  

6    MAATREGEL

6.1    De raad heeft geoordeeld dat verweerder zijn cliënte over zijn kosten en over een aspect van processtrategie onvoldoende heeft geïnformeerd. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gelet op de ernst en aard van dit handelen en gezien de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, is de oplegging van een waarschuwing passend en geboden. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster, b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.E. Mulder, H. van Katwijk,  M.M. Kuyp en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 23 december 2025