Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:276
Zaaknummer
25-723/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk omdat deze klachten al in eerdere procedures naar voren gebracht konden worden. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond. Misbruik van recht-bepaling.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 24 december 2025 in de zaak 25-723/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: [kantoorgenoot]
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 17 oktober 2025 met kenmerk K119 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 3 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure. Verweerster heeft zijn ex-partner daarin bijgestaan als advocaat, onder meer in een hogerberoepsprocedure bij het gerechtshof Den Haag. Daarin heeft verweerster namens de ex-partner het standpunt ingenomen dat er een rentenadeel is geleden van € 70.220,- ten voordele van klager. Daarbij is verwezen naar een berekening van een hypotheekadviseur.
1.2 Op 27 maart 2024 heeft het gerechtshof een agenda voor de zitting van 5 april 2024 verzonden. Op 5 april 2024 heeft de zitting plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgesteld. Daaruit volgt onder meer:
“(…) [een raadsheer]: Kunt u leven met de agenda? Goed dan stel ik voor dat we het per punt behandelen.
(…)
mr. A.N. Labohm (raadsheer): Komt u er achter dat die bankrekening wel bestaat en het geld buiten de verdeling is gehouden, dan heeft mevrouw het saldo verbeurd. Al zit het in Amerika. Het hof is geen detective. Wij moeten het doen met de informatie die partijen ons geven. Meneer stelt er is nog een bankrekening en mevrouw ontkent. Bewijslast ligt bij meneer. U verdient genoeg om weer een spaarpotje te vormen. Dat geldt voor u beiden. Sluit het af en blijf bij wat u nog verbindt: de kinderen.
Man: Ik begrijp wat u zegt.
Mr. A.N. Labohm (raadsheer): Ik ga niet in discussie. Ga er eens even met uw ervaren advocaat over nadenken. (…)”
De procedure is vervolgens na een schorsing van de mondelinge behandeling geëindigd in een schikking.
1.3 Op 21 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Dit is de vierde tuchtklacht die klager over verweerster heeft ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft een schadeberekening van rentenadeel ingebracht in de hogerberoepsprocedure, die aantoonbaar onjuist, selectief en doelbewust misleidend is opgesteld en waarmee een onjuist financieel beeld aan het gerechtshof is voorgehouden;
b) Verweerster heeft misbruik van het recht gemaakt door een raadsheer te vragen om deel te nemen aan de behandeling van het hoger beroep vanwege diens deskundigheid over het rentenadeel;
c) Verweerster heeft niet geprotesteerd, een proceshandeling verricht of bezwaar gemaakt dat twee grieven die de kern van het geschil vormden door de voorzitter expliciet buiten de behandeling zijn gehouden. Zij heeft hiermee in strijd met de zorgplicht jegens de rechtspleging gehandeld, geweigerd waarheidsvinding toe te laten, de rechterlijke beslissing laten beïnvloeden, ernstige inbreuk gemaakt op het beginsel van hoor en wederhoor en een eerlijk proces.
2.2 Klager heeft daarnaast gesteld dat verweerster zich met haar handelen eveneens schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en oplichting. De voorzitter zal daar niet verder op ingaan, omdat alleen de strafrechter daarover mag oordelen.
2.3 Daarnaast maakt klager nog verwijten aan het adres van de klachtenfunctionaris en plaatsvervangend klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerster. Omdat in deze tuchtklacht enkel het handelen van verweerster voor ligt, zal de voorzitter daar ook niet op ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.2 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.3 Klachten over het optreden van een advocaat dienen verder zoveel mogelijk te worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111).
4.4 De voorzitter stelt vast dat klager al eerder heeft geklaagd over wat verweerster volgens hem in de hogerberoepsprocedure onjuist zou hebben gesteld. Daarover heeft hij al geklaagd in zijn tweede klacht (RvD Den Haag 23 juli 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:147) en, specifiek over de ‘rentecompensatie’ in zijn derde klacht (RvD Den Haag 13 augustus 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:164). In deze laatstgenoemde beslissing zijn klagers klachten al kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde, omdat hij die klachten al eerder had kunnen indienen. Dat geldt ook hier (opnieuw). De voorzitter zal klager daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel a).
Klachtonderdeel b)
4.5 Klager heeft zijn klacht niet onderbouwd anders dan te stellen dat hij dit van zijn advocaat heeft gehoord. Er bestaat ook geen enkele aanleiding om klager hierin te volgen. Gerechtshoven bepalen zelf, mede aan de hand van de Code Zaakstoedeling, welke raadsheren deelnemen aan een zitting. Daarop heeft een partij geen invloed. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.6 Als klager de twee door hem gewenste onderwerpen had willen bespreken op de zitting van het gerechtshof, dan had hij dat via zijn eigen advocaat aan het gerechtshof kenbaar kunnen maken toen de agenda van de zitting werd besproken. Het is niet de taak van verweerster – die de wederpartij bijstaat – om te waken voor klagers belangen. Ook is het niet aan haar, maar aan de raadsheren om de beginselen van een eerlijk proces en hoor en wederhoor te waarborgen op een zitting. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Misbruik van recht
4.7 Klager heeft tot op heden vier tuchtklachten ingediend tegen verweerster. Deze klachten zijn tot op heden allemaal (kennelijk) ongegrond of (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. In de derde tuchtklacht heeft een voorzitter van deze raad reeds geoordeeld dat de klacht in strijd is met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde door voor de derde keer verwijten naar voren te brengen die in de kern zien op hetzelfde als in de eerdere zaken (RvD Den Haag 13 augustus 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:164, zaaknummer 25-390/DH/DH). Dat heeft klager met deze klacht weer geprobeerd.
4.8 De grenzen aan het tuchtrecht zijn daarmee bereikt. Klager dient er rekening mee te houden dat nieuwe tuchtklachten over de echtscheidingsprocedure met zijn ex-partner niet meer in behandeling worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht. Dit geldt voor zowel verweerster als andere personen die haar hebben bijgestaan in tuchtprocedures.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen b) en c), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 december 2025
