Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:269
Zaaknummer
25-717/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht deels niet-ontvankelijk omdat deze te laat is ingediend en deels kennelijk niet-ontvankelijk omdat klager daarbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 17 december 2025 in de zaak 25-717/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 20 oktober 2025 met kenmerk K204 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende reactie van klager van 26 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft de ex-partner van klager bijgestaan in de echtscheidingsprocedure op basis van een toevoeging. Aanvankelijk wenste de ex-partner geen viergesprek plaats te laten vinden. Op enig moment heeft zij daarmee toch ingestemd, waarna een viergesprek voor 21 december 2021 is gepland. Dit viergesprek is niet doorgegaan.
1.2 Op 23 juni 2022 is het echtscheidingsverzoek door de rechtbank op een zitting behandeld. Voorafgaand aan de zitting heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen, wat niet heeft geleid tot overeenstemming.
1.3 Bij beschikking van 19 september 2022 is de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft het verzoek van de ex-partner om alimentatie afgewezen. De echtscheiding is daarna ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.4 Op 14 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, door zijn zorgplicht jegens de ex-partner onbehoorlijk uit te voeren met als gevolg een ‘vechtscheiding’. De ex partner en klager hebben hierdoor onnodige (advocaat)kosten moeten maken en de ex partner loopt alimentatie mis;
b) Verweerder heeft de ex-partner misleid door zich te adverteren als mediator;
c) Verweerder heeft misbruik gemaakt van het recht door een aan te sturen op een vechtscheiding, terwijl gesubsidieerde rechtsbijstand daar niet toe mag dienen;
d) Verweerder heeft een onrechtmatige daad gepleegd jegens klager, met als gevolg substantiële materiële (onnodige advocaatkosten) en immateriële schade (twee hartoperaties) voor klager.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klachtonderdelen a) en b)
Toetsingskader
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen.
Beoordeling
4.2 De eerste twee klachtonderdelen gaan (hoofdzakelijk) over de kwaliteit van de bijstand die verweerder aan de ex-partner heeft gegeven. Daarbij heeft alleen de ex-partner zelf een eigen, rechtstreeks betrokken belang. Klager kan hierover dus niet klagen. Dat is anders voor zover de klacht gaat over de onnodige advocaatkosten die klager stelt te hebben moeten maken. Omdat klachtonderdeel d) daar ook over gaat, zal de voorzitter dit (uitsluitend) daar bespreken. Dat betekent dat klager kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard in klachtonderdelen a) en b).
Klachtonderdelen c) en d)
Toetsingskader
4.3 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
Beoordeling
4.4 De voorzitter stelt vast dat de laatste twee klachtonderdelen gaan over de wijze waarop verweerder de echtscheidingsprocedure inhoudelijk heeft behandeld. Volgens klager zou verweerder namelijk hebben aangestuurd op een ‘vechtscheiding’. De werkzaamheden van verweerder zijn (inhoudelijk) geëindigd met de zitting van 23 juni 2022. Dat betekent dat de termijn van drie jaar om een klacht in te dienen op dat moment uiterlijk is ingegaan. Klager heeft zijn klacht pas op 14 augustus 2025 en dus ná deze termijn ingediend. De klacht is daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet. Uit het dossier volgt geen aanknopingspunt om toepassing te geven aan het tweede lid. Dat betekent dat de voorzitter geen oordeel zal geven over de inhoud van de klacht.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen c) en d), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 december 2025
