Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:271
Zaaknummer
25-225/DH/DH
Inhoudsindicatie
Ongegrond verzet.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 22 december 2025 in de zaak 25-225/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 4 juni 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 31 augustus 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K212 2024 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 4 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 1 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 10 november 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, gelet op zijn toelichting op zitting en zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klager heeft het idee dat de voorzitter het dossier niet heeft gelezen en alleen heeft gekeken naar het dekenstandpunt. De voorzitter heeft in zijn beslissing geoordeeld dat een advocaat altijd een opdracht mag weigeren, maar klager is het daar niet mee eens. Verweerder was bekend met de voorgeschiedenis van de zaak en klager had erop vertrouwd dat verweerder hem behulpzaam zou zijn. Klager had niet de bedoeling dat verweerder de zaak inhoudelijk zou behandelen, maar hem zou helpen om de zaak naar de kantonrechter te verwijzen zodat klager daarover zelf kon procederen.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Voor het oordeel dat de voorzitter het dossier niet heeft gelezen bestaat geen aanleiding. Als klager daarmee heeft bedoeld dat er niet is ingegaan op de inhoud van het verzoekschrift dat hij wenste in te (laten) dienen, geldt dat de voorzitter daar ook niet op in had hoeven gaan omdat die inhoudelijke vragen niet voorlagen in de tuchtrechtelijke procedure. De raad is van oordeel dat in redelijkheid niet hoeft te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. N. de Boer en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 december 2025
