Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:274
Zaaknummer
240350
Zaaknummer
240351
Inhoudsindicatie
Het betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder niet heeft gehandeld als een behoorlijk advocaat betaamt doordat hij de gezamenlijke woning van zijn cliënte en de wederpartij niet heeft verlaten nadat hem dat verzocht was. De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 29 december 2025
in de zaken 240350 en 240351
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
(klager)
en
(klaagster)
klagers
gemachtigde: mr. A. Kouwenaar-De Coninck
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder niet heeft gehandeld als een behoorlijk advocaat betaamt doordat hij de gezamenlijke woning van zijn cliënte en de wederpartij niet heeft verlaten nadat hem dat verzocht was. De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-371/AL/GLD) en in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer 24-372/AL/GLD) op 4 november 2024 een gezamenlijke beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klagers gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:268 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 2 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van klagers; de e-mail van verweerder van 20 oktober 2025 met als bijlagen (producties 1 tot en met 9); de e-mail van de gemachtigde van klagers van 21 oktober 2025 met twee bijlagen.2.5 Het hof heeft de zaken mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 31 oktober 2025. Daar zijn klagers, bijgestaan door gemachtigde, en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Verweerder heeft de moeder van klagers (hierna: moeder), in de verdelingsprocedure aangaande de onverdeelde nalatenschap van de vader van klagers, bijgestaan. De gemachtigde van klagers heeft klagers in die procedure bijgestaan.
3.3 Op 10 december 2021 is door partijen tijdens een comparitie overeengekomen dat moeder de inboedelzaken, die zich in de gemeenschappelijk eigendom toebehorende woning bevinden, toegewezen zou krijgen.
3.4 Vanaf november 2022 woonde klager alleen in deze woning, omdat moeder toen naar een door haar aangekocht appartement was verhuisd. Moeder had nog wel de sleutel van de woning en zij verbleef daar af en toe. Zowel klager als moeder had een aantal eigen kamers in gebruik.
3.5 Op 31 augustus 2023 is verweerder, met moeder en de partner van moeder naar deze woning gegaan. Klagers zijn vervolgens ook naar de woning gegaan. Zij hebben verweerder verzocht om de woning onmiddellijk te verlaten. Ook de gemachtigde van klagers heeft verweerder - telefonisch - verzocht de woning meteen te verlaten. Verweerder heeft dat in eerste instantie geweigerd. Op enig moment hebben verweerder, zijn cliënte en haar partner de woning verlaten.
3.6 Op 4 september 2023 stond er in de procedure tussen klagers en moeder een zitting gepland.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij onaangekondigd naar de zich in gemeenschappelijk eigendom toebehorende woning is gegaan. Verweerder heeft vervolgens geweigerd om op verzoek van klagers en de advocaat van klagers te vertrekken.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft geoordeeld dat het verweerder vrijstond om samen met moeder de woning binnen te gaan, omdat moeder daartoe als mede eigenaar gerechtigd was. Volgens de raad was verweerder echter wel gehouden om de woning te verlaten op het moment dat klagers en hun gemachtigde hem daartoe verzochten en de situatie escaleerde. De raad acht daarbij van belang dat verweerder weliswaar in die woning mocht zijn, maar dat alleen klager, de wederpartij van zijn cliënte, daar feitelijk woonde en dat verweerder er van op de hoogte was dat de verhoudingen tussen klagers enerzijds en zijn cliënte anderzijds zeer gespannen waren en dat bij een eerdere confrontatie tussen hen de politie was gebeld. Tot slot is volgens de raad van belang dat verweerder daar alleen was omdat zijn cliënte het leuk vond om hem de woning te laten zien terwijl er geen andere (voor de zaak relevante) reden was om daar te zijn en het kort voor de volgende zitting was. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder escalerend gehandeld door niet te voldoen aan de verzoeken om de woning te verlaten, hetgeen in strijd is met wat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De raad concludeert dan ook dat dit onderdeel van de klacht gegrond is.
5.2 De raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerder niet heeft gehandeld als een behoorlijk advocaat betaamt. De raad is van oordeel dat gelet op de ernst van dit handelen en gezien de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, de oplegging van een waarschuwing passend en geboden is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Volgens verweerder heeft moeder hem gevraagd om in de woning te blijven wachten zolang zij daar bezig was, nadat verweerder het verzoek kreeg om de woning te verlaten. Met het oog op de veiligheid van moeder en zijn vrees dat klagers fysiek geweld tegen haar zouden kunnen gaan uitoefenen, was de inschatting van verweerder dat zijn voortgezette aanwezigheid de-escalerend, althans niet escalerend zou werken. Volgens verweerder heeft hij dan ook de juiste afweging gemaakt om in de woning te blijven en handelde hij daarmee in het belang van zijn cliënte en diende hij daarmee ook een redelijk doel, terwijl het belang van klagers niet onnodig of onredelijk werd geschaad.
6.2 Daarnaast kan volgens verweerder getwijfeld worden of de raad zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de toestemming van moeder volstond en dat niet valt in te zien dat er daarnaast een goede reden voor zijn aanwezigheid moest bestaan.
Verweer klagers
6.3 Klagers hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel.
7.3 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.
Overwegingen hof
7.4 Op basis van het onderzoek in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich dan ook aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Daaraan voegt het hof toe dat de cliënte van verweerder hem heeft uitgenodigd om naar de woning te gaan omdat zij het leuk vond hem de woning te laten zien en dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat toen hij met zijn cliënte de woning ging bezoeken, zijn aanwezigheid noodzakelijk was in verband met dreiging van geweld tegen zijn cliënte. Verweerder heeft in hoger beroep dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanwezigheid in de woning een redelijk doel had. Het gaat hier om een jarenlang slepende familieruzie, met hoog oplopende emoties en waarbij het hof van discipline ter zitting heeft waargenomen dat de noodzakelijke professionele distantie, niet alleen bij verweerder maar ook bij de advocaat van klagers de nodige vraagtekens opriep. In die omstandigheden is een bezoek zonder reden en vooraankondiging aan de woning van de tegenpartij aan de vooravond van een zitting een zinloze provocatie, zelfs als moeder tot dat bezoek gerechtigd was.
7.5 Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen over de door de raad opgelegde maatregel. Ook het hof acht de maatregel van waarschuwing passend.
Slotsom
7.6 Het hof verwerpt het hoger beroep van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 PROCESKOSTEN
8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klagers (forfaitair);
b) € 1.050,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klagers;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klagers binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 4 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummers 24-371/AL/GLD en 24-372/AL/GLD;
9.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
9.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, D. Wachter, J.H. Brouwer en G.J.K. Elsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 december 2025 .
