Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:280

Zaaknummer

25-348/AL/MN

Inhoudsindicatie

De raad heeft geoordeeld dat verweerster derdengelden heeft aangewend ter voldoening van een eigen declaratie zonder expliciete toestemming van klaagster. Ook heeft zij niet duidelijk genoeg met klaagster gecommuniceerd in een situatie die in meerdere opzichten ingewikkeld was. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Aan de andere kant houdt de raad er rekening mee dat verweerster heeft erkend dat zij bepaalde zaken onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd en dat zij beterschap heeft beloofd op dat punt. Ook houdt de raad er rekening mee dat verweerster niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Rekening houdend met alle omstandigheden, is de raad van oordeel dat de oplegging van een waarschuwing passend en geboden is.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 22 december 2025 in de zaak 25-348/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: mr. F.C. Schirmeister

over

verweerster 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 13 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 26 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2363904 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren klaagster met haar gemachtigde en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Verweerster heeft klaagster vanaf 2019 bijgestaan. 

2.2    Verweerster heeft (de onderneming van) klaagster als schuldhulpverlener op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening bijgestaan.

2.3    Ook heeft verweerster klaagster op betalende basis bijgestaan in verband met verscheidene juridische perikelen.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de aan haar toevertrouwde zaak niet zorgvuldig te hebben behandeld; 

b)    oneigenlijk gebruik te maken van de rekening derdengelden door zonder haar uitdrukkelijke instemming vanuit de derdengelden een van haar declaraties te hebben voldaan. 

c)    niet alle belangrijke informatie en afspraken schriftelijk te hebben bevestigd; 

d)    rechtstreeks met haar contact te hebben opgenomen terwijl zij werd bijgestaan door een advocaat; 

e)    opdrachten van derden aan te nemen op haar kosten; 

f)    vertrouwelijke informatie te delen met derden.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk 

5.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).

5.2    Klaagster heeft haar klacht op 13 augustus 2024 bij de deken ingediend. Voor zover klaagsters klacht zich ook richt tegen gedragingen van verweerster van vóór 13 augustus 2021, is de klacht niet-ontvankelijk omdat deze te laat is ingediend gelet op de hiervoor genoemde termijn van drie jaar. Dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, is de raad niet gebleken.

 

Maatstaf

5.3    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht tot uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Bij klachten anders dan over de kwaliteit van de dienstverlening toetst de tuchtrechter bij de beoordeling van een aan de advocaat verweten handelen of nalaten naar vaste jurisprudentie eveneens aan de in art. 46 Advocatenwet omschreven normen.

5.4    Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdeel a)

5.5    Klaagster verwijt verweerster dat zij de zaak van klaagster niet zorgvuldig heeft behandeld. Ter onderbouwing heeft klaagster (slechts) aangevoerd dat verweerster geen resultaat heeft bereikt en dat zij geen concrete actie heeft ondernomen om haar daadwerkelijk te ondersteunen. De raad volgt klaagster niet in deze verwijten. Uit de omstandigheid dat niet het resultaat is bereikt wat klaagster had verwacht, kan niet de conclusie worden getrokken dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld. Voorts volgt uit het klachtdossier dat klaagster wel degelijk werkzaamheden in deze zaak heeft verricht. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel b)

5.6    Advocaten zijn met betrekking tot de kantoororganisatie gehouden tot naleving van de regels zoals bepaald in de Verordening op de Advocatuur (hierna: Voda). Artikel 6.19 lid 4 Voda bepaalt dat een advocaat met de rechthebbende schriftelijk kan overeenkomen dat derdengelden worden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie. Indien derdengelden zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, bevestigt de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende. Uit de toelichting bij artikel 6.19 lid 4 Voda volgt dat voor verrekening van derdengelden met een eigen declaratie is vereist dat de cliënt hier expliciet mee instemt en dat de instemming schriftelijk is vastgelegd.

5.7    Verweerster heeft derdengelden die in beginsel aan klaagster toekwamen aangewend ter voldoening van haar eigen declaraties. De raad stelt vast dat klaagster met het verrekenen van deze derdengelden met verschillende declaraties expliciet heeft ingestemd. Dat geldt echter niet voor de laatste declaratie. Niet is gebleken dat klaagster met deze verrekening expliciet heeft ingestemd en deze instemming is ook niet schriftelijk vastgelegd. De zogenaamde algemene verrekeningsverklaring, waarnaar verweerster heeft verwezen, is onvoldoende om deze expliciete instemming aan te nemen. Ten aanzien van deze declaratie heeft verweerster dan ook gehandeld in strijd met de bovengenoemde bepaling. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard. 

 

Klachtonderdeel c)

5.8    Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel speelt in het bijzonder gedragsregel 16 een rol. Deze gedragsregel bepaalt dat het de taak van een advocaat is om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Als de advocaat dit nalaat en daarover achteraf onduidelijkheid of een misverstand bij de cliënt ontstaat, dan is dat voor risico van de advocaat. Van een advocaat mag ook op grond van de gedragsregels en de tuchtrechtspraak ook worden verwacht dat hij in een zaak regie voert en zijn cliënt adviseert over de te volgen strategie en de proceskansen.

5.9    Uit het klachtdossier en het verhandelde ter zitting stelt de raad vast dat verweerster de onderneming van klaagster heeft bijgestaan in een saneringstraject op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. De kosten hiervan werden voldaan door de gemeente. Tegelijkertijd heeft verweerster klaagster op betalende basis bijgestaan in verband met verscheidene juridische kwesties.

5.10    Verweerster heeft klaagster zowel zakelijk als privé en zowel op betalende als niet-betalende basis bijgestaan. Gelet op deze complexe situatie en rekening houdend met de kwetsbaarheid van klaagster, had verweerster (schriftelijk) op een overzichtelijke wijze duidelijk moeten maken welke werkzaamheden zij in welke zaak verrichtte en voor wiens rekening die werkzaamheden zouden komen. Een dergelijk overzicht ontbreekt echter. Verweerster heeft daarmee niet overeenkomstig gedragsregel 16 gehandeld. Daarbij neemt de raad mede in aanmerking dat klaagster in de schuldhulpverleningszaak een bedrag van € 25.000 heeft overgemaakt naar de derdengeldrekening van verweerster. Dat bedrag is door verweerster vervolgens aangewend om declaraties te verrekenen die zagen op werkzaamheden die in de andere zaak waren verricht (en dus kennelijk niet ten behoeve van de schuldhulpverlening). Ook die gang van zaken kan de onduidelijkheid bij klaagster hebben vergroot. 

5.11    De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom gegrond verklaard. 

 

Klachtonderdeel d)

5.12    Klaagster verwijt verweerster dat zij rechtstreeks contact met haar heeft opgenomen, terwijl zij op dat moment werd bijgestaan door een (andere) advocaat. Verweerster heeft hierover aangevoerd dat er verwarring was ontstaan omdat enerzijds mr. S. aan verweerster had aangegeven dat klaagster hem had verzocht om haar in een bepaalde zaak bij te staan en haar had verzocht om haar werkzaamheden op te schorten, maar dat anderzijds het kantoor van klaagster een nieuwe opdracht van klaagster had ontvangen. Gelet op deze onduidelijkheid heeft verweerster contact met klaagster gezocht om na te gaan wat de wens van klaagster was. De raad is gelet op deze uitleg van verweerster van oordeel dat het verweerster vrij stond om onder deze omstandigheden contact op te nemen met klaagster. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.   

 

Klachtonderdelen e) en f)

5.13    Klaagster verwijt verweerster ten slotte dat zij opdrachten van derden heeft aangenomen op kosten van klaagster en vertrouwelijke informatie over klaagster met derden heeft gedeeld. De raad is van oordeel dat nu verweerster deze verwijten gemotiveerd heeft betwist, de juistheid daarvan en daarmee de gegrondheid van deze klachtonderdelen niet is komen vast te staan. Dat leidt ertoe dat de raad deze klachtonderdelen ongegrond zal verklaren.

 

6    MAATREGEL 

6.1    De raad heeft geoordeeld dat verweerster derdengelden heeft aangewend ter voldoening van een eigen declaratie zonder expliciete toestemming van klaagster. Ook heeft zij niet duidelijk genoeg met klaagster gecommuniceerd in een situatie die in meerdere opzichten ingewikkeld was. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Aan de andere kant houdt de raad er rekening mee dat verweerster heeft erkend dat zij bepaalde zaken onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd en dat zij beterschap heeft beloofd op dat punt. Ook houdt de raad er rekening mee dat verweerster niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. Rekening houdend met alle omstandigheden, is de raad van oordeel dat de oplegging van een waarschuwing passend en geboden is.  

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster, b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 

7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart onderdelen b) en c) gegrond; -    verklaart de klacht voor het overige ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.E. Mulder, E.J.C. de Jong,  M.M. Kuyp en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 22 december 2025