Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:273
Zaaknummer
240317
Inhoudsindicatie
Het betreft een klacht tegen een (voormalig) kantoorgenoot van de (voormalige) eigen advocaat van klagers. Verweerder is betrokken geraakt bij het incasseren van een vordering op klagers betreffende de fiscaal-strafrechtelijke kwestie van klagers waarin de (voormalig) eigen advocaat van klagers bijstand heeft verleend. Verweerder heeft gedreigd de bijstand aan klagers te beëindigen indien klagers achterstallige declaraties niet zouden voldoen en hij heeft zekerheden van klagers geëist ter dekking van deze declaraties. Toen de betalingen uitbleven, heeft hij rechtsmaatregelen getroffen. Volgens klagers heeft verweerder hen hiermee ernstig geïntimideerd en ontoelaatbaar onder druk gezet. Het betreft een hoger beroep van verweerder. Het hof komt – net als de raad – tot een gegrondverklaring van de klachtonderdelen en legt aan verweerder de maatregel op van een voorwaardelijke schorsing van zes weken met een proeftijd van twee jaar.
Uitspraak
Beslissing van 29 december 2025
in de zaak 240317
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde:
mr. H. Dulack
advocaat te Utrecht
tegen:
klager
zowel in persoon als in hoedanigheid van directeur van
klaagster
klagers
gemachtigde:
mr. K.J.G. Hilderink
advocaat te Arnhem
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht tegen een (voormalig) kantoorgenoot van de (voormalige) eigen advocaat van klagers. Verweerder is betrokken geraakt bij het incasseren van een vordering op klagers betreffende de fiscaal-strafrechtelijke kwestie van klagers waarin de (voormalig) eigen advocaat van klagers bijstand heeft verleend. Verweerder heeft gedreigd de bijstand aan klagers te beëindigen indien klagers achterstallige declaraties niet zouden voldoen en hij heeft zekerheden van klagers geëist ter dekking van deze declaraties. Toen de betalingen uitbleven, heeft hij rechtsmaatregelen getroffen. Volgens klagers heeft verweerder hen hiermee ernstig geïntimideerd en ontoelaatbaar onder druk gezet. Het betreft een hoger beroep van verweerder.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 24-208/AL/GLD) op 30 september 2024 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klagers voor wat betreft de klachtonderdelen a) tot en met d) gegrond verklaard en is klachtonderdeel e) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:236 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 24 oktober 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van klagers.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 31 oktober 2025. Daar zijn klagers, bijgestaan door gemachtigde en mr. P.J.A. Plattel, en verweerder, bijgestaan door gemachtigde, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1 Een, inmiddels voormalig kantoorgenoot van verweerder heeft klagers bijgestaan vanaf 2013 tot eind 2020. Het betrof bijstand in een fiscaal-strafrechtelijke aangelegenheid. Vanaf mei 2019 is verweerder als bestuurder van het kantoor en collega-advocaat bij de zaak betrokken geraakt vanwege openstaande declaraties van zijn toenmalige kantoorgenoot.
3.2 Op 7 mei 2019 heeft verweerder, namens het kantoor in een brief aan klagers geschreven dat een akte van schuldbekentenis met aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid door klager in privé noodzakelijk was om te voorkomen dat zijn toenmalige kantoorgenoot de reeds opgeschorte werkzaamheden definitief zou neerleggen. Klager heeft daarop gereageerd dat hij de opstelling van verweerder immoreel vindt gezien zijn twintigjarige relatie met de kantoorgenoot. Verweerder heeft klager vervolgens gehouden aan zijn toezegging dat hij hoofdelijke aansprakelijkheid voor de openstaande vorderingen heeft toegezegd. In juni 2019 heeft klager, na verdere e-mailwisseling met de toenmalige kantoorgenoot van verweerder, namens klaagster een notariële akte van schuldbekentenis ten gunste van het kantoor van verweerder ondertekend. Daarin is geen hoofdelijke aansprakelijkheid van klager opgenomen.
3.3 Op 22 september 2020 heeft de toenmalige kantoorgenoot in een brief aan klagers gewezen op de betalingsachterstand, die op dat moment ruim € 157.000,-, te vermeerderen met rente, bedroeg.
3.4 In een brief van 27 oktober 2020 is door verweerder namens het advocatenkantoor aan klagers meegedeeld dat incassomaatregelen zouden worden getroffen voor de openstaande declaraties van zijn toenmalige kantoorgenoot, tenzij klagers met een passend betalingsvoorstel komen. Daarop is niet gereageerd door klagers; wel volgde op 2 november 2020 de indiening van deze klacht.
3.5 Bij brief van 16 november 2020 heeft verweerder overleg met de deken gezocht voor het indienen van een faillissementsverzoek tegen klaagster en het leggen van beslag onder klagers.
3.6 Bij beschikking van 17 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op basis van een verzoekschrift van 15 november 2020, ingediend door verweerder, verlof verleend aan het kantoor van zijn toenmalige kantoorgenoot en verweerder tot het leggen van conservatoir beslag onder klager en derden. In het rekest is onder meer vermeld:
’73. [Het kantoor van de toenmalige kantoorgenoot] zijn primair van mening, dat het totaal van de thans openstaande bedragen, vermeerderd met rente, door [klager] persoonlijk dienen te worden betaald op grond van de door hem in het verleden gedane toezeggingen om in te staan voor de betaling.
74. Subsidiair is hij aansprakelijk, omdat hij [toenmalige kantoorgenoot], respectievelijk [het kantoor van toenmalig kantoorgenoot] heeft bewogen om niet in een eerder stadium maatregelen te treffen, waardoor klager de gelegenheid heeft gehad om als bestuurder van [klaagster] – kennelijk – alle activa aan de holding te onttrekken.’
3.7 Bij e-mail van 19 november 2020 aan verweerder heeft de deken verzocht vooralsnog geen gebruik te maken van het beslagverlof.
3.8 Op 1 december 2020 heeft op verzoek van klagers een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van de waarnemend deken, waarbij aanwezig waren klager en diens nieuwe raadsman mr. P, de toenmalige kantoorgenoot en diens raadsman mr. D en de waarnemend deken. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
3.9 Bij e-mail van 16 december 2020 heeft verweerder aan de deken verzocht om bevestiging dat het overleg in de zin van gedragsregel 17 heeft plaats gehad.
3.10 Na rappel van verweerder heeft de deken op 18 december 2020 aan verweerder laten weten dat zij de handelwijze van verweerder ongepast vindt. Zij verwijt verweerder dat hij het overleg met de deken als een hinderlijke formaliteit beschouwt en dat hij zijn eigen gang wenst te gaan. Zij heeft aangevoerd dat verweerder terughoudend moet omgaan met een faillissementsaanvraag.
3.11 Bij beschikking van 22 december 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland opnieuw, dit keer op basis van een door verweerder ingediend verzoekschrift van 22 december 2020, verlof verleend aan het kantoor van de toenmalige kantoorgenoot en verweerder tot het leggen van conservatoir beslag onder klager en zijn echtgenote, voor een bedrag van€ 175.000,-. In dit verzoekschrift is verwezen naar de al verleende beslagvergunning en verder vermeld:
’In dat rekest wordt melding gemaakt van schuldigerkenning bij notariële akte door [klaagster]. [X B.V en Y N.V. [hierna: het kantoor van verweerder].] hebben na verzuim van klaagster de deurwaarder opdracht gegeven tot het treffen van executiemaatregelen op grond van de notariële akte. Bij gelegenheid van betekening van de akte en bevel tot betaling heeft [klager] aan deurwaarder (…) meegedeeld, dat hij op korte termijn het faillissement van [klaagster] zou gaan bewerkstelligen.’
3.12 De rechtbank Zutphen heeft op 9 maart 2021, op basis van een daartoe door verweerder namens het kantoor ingediend verzoek, het faillissement van klaagster uitgesproken.
3.13 In een vonnis van 23 november 2022 heeft de rechtbank Gelderland de incassovordering van het kantoor van verweerder op klager en zijn echtgenote afgewezen. Het kantoor van verweerder heeft hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is bij arrest van 24 september 2024 afgewezen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door
a) na overname van het dossier van de toenmalige kantoorgenoot rond mei 2019 meteen de confrontatie te kiezen en niet het belang van klagers maar het (financiële) kantoorbelang voorop te stellen;
b) intimiderende en schadelijke rechtsmaatregelen richting klaagster, klager en zijn echtgenote te treffen, waaronder conservatoir en executoriaal beslag op vastgoed, bankrekeningen en op andere vennootschappen, zonder daarover overleg met de deken te hebben gehad;
c) zonder overleg met de deken een civiele procedure bij de rechtbank Gelderland tegen
klager en zijn echtgenote te starten en daardoor intimiderend en schadelijk richting klagers te handelen;
d) zonder overleg met de deken het faillissement van klaagster aan te vragen en zodoende intimiderend te handelen en misbruik te maken van zijn mogelijkheden als advocaat, met alle gevolgen van dien;
(…).
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdelen a) t/m d)
5.1 De raad heeft de verwijten onder klachtonderdelen a) tot en met d) gezamenlijk beoordeeld. Volgens de raad heeft verweerder in de onder de feiten geschetste omstandigheden ontoelaatbare druk op klagers uitgeoefend om tot betaling van de declaraties over te gaan of daarvoor zekerheid te stellen en daarbij heeft hij onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klagers. Verweerder heeft vanaf het moment dat hij in mei 2019 betrokken raakte bij de zaak meteen gedreigd met rechtsmaatregelen en door die vervolgens ook te effectueren heeft verweerder klagers met de rug tegen de muur gezet. Het was vanwege de nog lopende fiscale zaak voor klagers van belang om bij het kantoor van verweerder te blijven, temeer omdat klagers al aanzienlijke
bedragen voor de werkzaamheden van de toenmalige kantoorgenoot hadden betaald. Bovendien hadden klagers zich al vanaf 2017 herhaaldelijk beklaagd over de hoogte van de declaraties van de toenmalige kantoorgenoot, afgezet tegen het financiële belang van de zaak en de tegenvallende resultaten. Verweerder wist dit of had dit als bestuurder van het kantoor kunnen weten. Verweerder heeft de kwestie als een doorsnee incasso aangemerkt en heeft daarbij alle middelen ingezet die hij had. Bovendien ging hij voorbij aan het feit dat het om een cliënte ging die reeds veel had betaald, die nog een lopende zaak had, voor wie de beslagleggingen bij het bedrijf en in privé tot veel schade leidde, en voor wie de faillissementsaanvraag van klaagster desastreuze gevolgen had. Niet blijkt dat verweerder zich hiervan rekenschap heeft gegeven. De raad betrekt daarbij ook dat het de declaraties van de toenmalige kantoorgenoot in de parallelle zaak 24-209/AL/GLD als excessief heeft aangemerkt. De raad concludeert dat verweerder niet heeft gehandeld jegens klagers zoals een behoorlijk advocaat betaamt en dat hij daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klagers heeft gehandeld. De klachtonderdelen a) tot en met d) zijn dan ook gegrond.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder benadrukt dat hij is opgetreden voor het kantoor en niet als advocaat van klagers, zodat de maatstaf geldt voor een advocaat van de wederpartij en hem in die hoedanigheid een grote mate van vrijheid toekomt in de behartiging van de belangen van cliënten. Volgens verweerder stuiten klachtonderdelen a) en c) alleen al hierom af op deze norm.
6.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a) was volgens verweerder geen sprake van overname van het dossier, maar van overname van de debiteurenbewaking. Verweerder benadrukt dat medio 2019 in de strafzaak een regiezitting was gepland, maar dat in de fiscale procedure geen proceshandeling aan de orde was. Daarbij was het niet onbetamelijk om meer zekerheid te vragen dan wel om een notariële schuldbekentenis te vragen nu klager had aangekondigd dat er een herfinanciering zou plaatsvinden en dan volledige betaling zou geschieden, terwijl daarover geen duidelijkheid werd geboden.
6.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b) stelt verweerder dat de door de cliënt getekende notariële akte van schuldbekentenis geen zekerheidsverschaffing in de zin van gedragsregel 17 betreft en dat het tenuitvoerleggen van een dergelijke akte evenmin op grond van de gedragsregels overleg met de deken behoeft.
6.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d) stelt verweerder dat wel degelijk contact is opgenomen met de deken voor overleg, maar dat de deken dit uit de weg is gegaan, terwijl klager voortdurend tijd rekte en intussen duidelijk werd dat hij een waardevol privé-object op naam van zijn vrouw had gezet om dat aan verhaal te onttrekken. Onder die omstandigheden was het gerechtvaardigd het faillissementsrekest in te dienen.
6.5 Voorts stelt verweerder dat niet begrijpelijk is dat de raad oordeelt dat klager met de rug tegen de muur is gezet nu er op korte termijn geen proceshandelingen aan de orde waren en klager door verweerder is uitgenodigd voor overleg om een regeling te treffen, waarop hij niet heeft gereageerd. Bovendien is niet geklaagd over de hoogte van de declaraties en door het ondertekenen van de notariële akte zijn de declaraties ook als juist geaccepteerd. Daar komt bij dat de werkzaamheden van de toenmalige kantoorgenoot niet alleen betrekking hadden op de fiscale zaak, maar ook op de strafzaak. Bovendien ging het daarbij niet uitsluitend om een financieel belang, maar ook om de dreiging van een vrijheidsstraf, en is onvoldoende gemotiveerd dat de faillissementsaanvraag van klaagster desastreuze gevolgen had. Ook is onduidelijk waarom aan verweerder wordt aangerekend dat de toenmalige kantoorgenoot op excessieve wijze gedeclareerd heeft.
6.6 Voor wat betreft de opgelegde maatregel is het verweerder onduidelijk op welke wettelijke bepaling en/of gedragsregel het verwijt onder r.o. 7.2 is gebaseerd van de raad dat verweerder als kantoorbestuurder onvoldoende afstand heeft genomen van de situatie tussen mr. W. en klagers. Daarbij dwingen de wet noch de gedragsregels tot overleg over het treffen van rechtsmaatregelen. Het verwijt dat verweerder onvoldoende zelfreflectie heeft getoond is paradoxaal als hij meent een pleitbare zaak te hebben. Tot slot wijst verweerder erop dat voor het ontbrekend overleg met de deken ten aanzien van het in de notariële akte opgenomen pandrecht direct en ruiterlijk excuses zijn aangeboden door mr. W. en verweerder.
Verweer klagers
6.7 Klagers hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid klacht
7.1 Verweerder heeft in hoger beroep de ontvankelijkheid van de klacht aan de orde gesteld. Daartoe is namens verweerder aangevoerd dat klaagster gefailleerd is en het de vraag is of klager als bestuurder van klaagster in de appelprocedure nog wel op kan komen en verweer kan voeren.
7.2 De klacht is op 2 november 2020 mede ingediend namens klaagster. Op het moment van indiening van de klacht verkeerde klaagster nog niet in staat van faillissement. Klaagster was op het moment van indiening van de klacht bij de deken daarin ontvankelijk.
Indien een klager als rechtstreeks belanghebbende ontvankelijk is in een klacht over een gedraging van een advocaat, dient naar aanleiding van die klacht door de deken en vervolgens, na doorzending van de klacht, door de raad en het hof te worden onderzocht of de advocaat de norm neergelegd in artikel 46 Advocatenwet heeft geschonden. De Advocatenwet biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat, in een geval de rechtspersoon namens wie de tuchtklacht is ingediend na de indiening ervan bij de deken als gevolg van een faillissement ophoudt te bestaan, de behandeling niet kan worden voortgezet (zie Hof van Discipline, 3 februari 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:67). Het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht wordt derhalve verworpen.
Maatstaf
7.3 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Bij de beoordeling van de handelwijze van verweerder, die de belangen heeft behartigd van zijn kantoor, stelt het hof voorop dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn kantoor te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Ook bij de behartiging van zijn eigen belangen geldt, a) dat de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag stellen waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen en c) de advocaat bij de behartiging van zijn eigen belang (of kantoorbelang) de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. De advocaat moet zich tevens onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn kantoor strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Het hof beoordeelt het handelen van verweerder aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven.
Klachtonderdeel a): opstelling in mei 2019
7.4 De grote mate van zorgvuldigheid die van een advocaat mag worden verwacht, die de belangen behartigt van zijn kantoor in een (incasso)procedure tegen een cliënt (klagers) die eerder door een advocaat van datzelfde kantoor zijn bijgestaan, heeft verweerder onvoldoende in acht genomen. Verweerder heeft vanaf het eerste moment na de overname van de debiteurenbewaking van zijn toenmalige kantoorgenoot in mei 2019 direct maatregelen genomen vanwege het uitblijven van de betaling van achterstallige declaraties door klagers. Daarbij heeft hij gedreigd de relatie van het kantoor met klagers onmiddellijk te beëindigen als klagers niet zouden betalen, terwijl er nog een zaak liep waar het kantoor bijstand in verleende, en is hij overgegaan tot het treffen van rechtsmaatregelen richting klagers zonder daarbij rekening te houden met de jarenlange relatie tussen klagers en zijn toenmalige kantoorgenoot en het reeds tot dan toe betaalde forse honorarium. Daarmee heeft verweerder het belang van de cliënt uit het oog verloren en ten onrechte enkel het (financiële) kantoorbelang vooropgesteld. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
7.5 Het hof verklaart klachtonderdeel a) gegrond.
De klachtonderdelen b) en c): beslaglegging en incassoprocedure
7.6 Het hof ziet aanleiding de klachtonderdelen b) en c) gezamenlijk te behandelen. Volgens verweerder was er herhaald overleg geweest over de betaling van de openstaande declaraties en gaven klagers voortdurend als voorstelling van zaken dat de betalingen er aan zaten te komen. Nu de betalingen uitbleven, bestond op dat moment een noodzaak om beslag te leggen, aldus verweerder. Naar het oordeel van het hof heeft verweerder echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op dat moment een dringend belang bestond voor het kantoor van verweerder om de door hem genomen maatregelen te nemen. Daarbij heeft verweerder geen gehoor willen geven aan het klemmend beroep van de deken af te zien van het nemen van rechtsmaatregelen en heeft hij ook geen overleg hierover gevoerd met de deken. Verweerder heeft dan ook jegens klagers gehandeld zoals een behoorlijk advocaat niet betaamt en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In het verlengde daarvan acht het hof het starten van een civiele procedure, zoals verweerder die bij de rechtbank Gelderland tegen onder meer klager is gestart, onder deze omstandigheden eveneens tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hoewel het starten van een dergelijke procedure op zichzelf niet in strijd is met de gedragsregels en voortvloeide uit de beslaglegging, heeft verweerder in het licht van de escalatie van het conflict waar verweerder en klagers zich in bevonden en in het verlengde van het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen van verweerder onder b) hiermee de belangen van de wederpartij onnodig geschaad. Zoals de raad ook heeft overwogen heeft verweerder zich geen rekenschap gegeven welke desastreuze gevolgen dit allemaal had voor klagers.
7.7 Het voorgaande maakt dat de klachtonderdelen b) en c) gegrond zijn.
Klachtonderdeel d)
7.8 Het standpunt van verweerder dat hij voorafgaand aan het aanvragen van het faillissement wel degelijk contact heeft opgenomen met de deken voor overleg, maar dat de deken dit uit de weg zou zijn gegaan, volgt het hof niet. Uit het dossier leidt het hof af dat verweerder in november en december 2020 contact heeft gezocht met de deken, waarin hij het voornemen kenbaar maakte om conservatoire en executiemaatregelen te nemen tegen klaagster, waarbij hij op zeer korte termijn een reactie wenste en hij er zonder reactie vanuit zou gaan dat het overleg afdoende had plaatsgevonden. De deken heeft in verband met haar volle agenda hier niet binnen de door verweerder gestelde termijn op kunnen reageren, maar heeft hem wel op verschillende momenten duidelijk kenbaar gemaakt dat pas op de plaats gemaakt diende te worden en dat verweerder moest wachten met het ondernemen van acties, ook gelet op het op 1 december 2020 geplande bemiddelingsgesprek. Vervolgens heeft verweerder in februari 2021 het faillissement aangevraagd van klaagster en de rechtbank Gelderland heeft op 9 maart 2021 het faillissement uitgesproken.
7.9 Verweerder heeft dan ook zonder overleg met de deken het faillissement aangevraagd en daarmee gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 6. Dit klemt temeer nu een advocaat ter zake van zodanige vorderingen extra behoedzaamheid moet betrachten bij het hanteren van een zo zwaar middel als het aanvragen van het faillissement. Het hof is niet gebleken dat verweerder die behoedzaamheid en daarmee de nodige zorgvuldigheid heeft betracht.
Slotsom
7.10 Het hof komt net als de raad tot een gegrondverklaring van de klachtonderdelen a) tot en met d).
8 MAATREGEL
8.1 Verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit en aldus niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet. Gelet op de aard van de gedragingen is het hof van oordeel dat de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening op zijn plaats is. Het vertrouwen van klager in de advocatuur is door de handelwijze van verweerder ernstig geschaad. Dat rekent het hof verweerder aan. Het hof sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de raad voor wat betreft de duur van de op te leggen maatregel en legt aan verweerder op de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van zes weken met een proeftijd van twee jaar.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klager;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 bekrachtigt de beslissing van 30 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-208/AL/GLD voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, D. Wachter, J.H. Brouwer en G.J.K. Elsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 december 2025 .
