Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:272
Zaaknummer
240305
Inhoudsindicatie
De klacht betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft de vennootschap bijgestaan en volgens klagers heeft hij haar belangen niet op deskundige en zorgvuldige wijze behartigd en buitensporig veel in rekening gebracht. Het betreft een hoger beroep van verweerder. Volgens het hof is verweerder tekortgeschoten in zijn zorgplicht en heeft hij gehandeld in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit. Het hof legt aan verweerder een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk op voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaar.
Uitspraak
Beslissing van 29 december 2025
in de zaak 240305
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde:
mr. H. Dulack
advocaat te Utrecht
tegen:
klager
zowel in persoon als in hoedanigheid van directeur van
klaagster
klagers
gemachtigde:
mr. K.J.G. Hilderink
advocaat te Arnhem
1 INLEIDING
1.1 De klacht betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft de vennootschap bijgestaan en volgens klagers heeft hij haar belangen niet op deskundige en zorgvuldige wijze behartigd en buitensporig veel in rekening gebracht. Het betreft een hoger beroep van verweerder.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 24-209/AL/GLD) op 30 september 2024 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klager deels niet-ontvankelijk verklaard, deels ongegrond verklaard en deels gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van acht weken voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:238 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 29 oktober 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van klagers; de brief van verweerder van 2 oktober 2025 met als bijlagen producties 4 t/m 14; de e-mail van verweerder van 6 oktober 2025 met bijlage 13; de e-mail van de gemachtigde van klagers van 17 oktober 2025 met bijlage 3.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 31 oktober 2025. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigden, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Begin april 2013 heeft in de woning van klager een huiszoeking plaatsgevonden. Op verzoek van klager is verweerder als advocaat van klaagster naar de woning gegaan. Verweerder heeft zich daar verstaan met de FIOD en de rechter-commissaris. Een aantal in een loods bij de woning aanwezige voertuigen is meegenomen. In mededelingen van het Openbaar Ministerie op internet en via de media is aanvankelijk gesteld dat sprake was van een benadeling van de fiscus door klaagster van meer dan € 700.000,-.
3.2 In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft klager in juni 2013 een depot van € 100.000,- aan de Staat verschaft als zekerheid voor voldoening van een eventuele strafrechtelijke boete voor klaagster en klager in privé.
3.3 De door de belastingdienst/douane aan klaagster opgelegde aanslag is in 2014 gesteld op€ 190.000,-. In door verweerder daartegen gevoerde bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures is deze aanslag in 2017 om formele redenen vernietigd. Direct daarna werd een nieuwe aanslag voor € 189.000,- opgelegd.
3.4 Verweerder heeft, vanuit de verschillende kantoren waaraan hij achtereenvolgens verbonden was, in totaal voor een bedrag van ruim € 342.350,- aan klaagster gedeclareerd. Dit door toezending van maandelijkse declaraties met urenspecificatie. Daarvan is in de loop der jaren € 212.882,- door klaagster betaald. Een bedrag van € 37.721,- is in overleg opgeschort. Voor het overige heeft klaagster vanaf 2017 de declaraties deels onbetaald gelaten. In dit totaalbedrag is het hierna onder 3.5 genoemde bedrag van € 57.581,95 begrepen.
3.5 Op 18 en 19 april 2018 heeft de behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. Klagers werden daarin bijgestaan door mr. N. Mr. N heeft voor zijn werkzaamheden in de strafzaak een bedrag van in totaal € 123.439,- gedeclareerd, welk bedrag door klaagster volledig is voldaan. Verweerder staat daar buiten. Verweerder heeft zelf voor werkzaamheden in de strafzaak 117,2 uren in rekening gebracht, stellende dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het pleidooi. Klagers hebben zich over (de hoogte van) die in rekening gebrachte uren beklaagd. Verweerder heeft daarop creditering van de desbetreffende factuur met een bedrag van € 15.000,- aangeboden mits klaagster de openstaande declaraties direct zou betalen dan wel een schuldbekentenis zou tekenen.
3.6 In de strafzaak heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat aan klaagster een boete van € 189.000,- zou worden opgelegd en is tegen klager een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden geëist.
3.7 In het vonnis van 3 mei 2018 in de strafzaak heeft de rechtbank aan klaagster een boete van € 100.000,- opgelegd, waarvan € 50.000,- voorwaardelijk, en klager veroordeeld tot het verrichten van 240 uren dienstverlening.
3.8 Op 9 april 2019 heeft klager als diagnose gekregen dat hij aan een ongeneeslijke ziekte lijdt.
3.9 Enkele weken daarna heeft verweerder aan klager geschreven dat door zijn kantoor extra zekerheden werden geëist voor de openstaande declaraties. Na discussie hierover is afgesproken dat klaagster een pandrecht zou vestigen ten gunste van het kantoor van verweerder op het onder 3.2 genoemde bedrag dat bij de Staat in depot werd gehouden. Daarnaast heeft verweerder van klagers verlangd dat zij zouden meewerken aan het passeren van een notariële akte van schuldbekentenis, met daarin ook een aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid van klager in privé. Klagers hebben dit geweigerd.
3.10 In mei 2019 heeft een kantoorgenoot van verweerder, mr. B, namens het kantoor in een brief aan klagers geschreven dat een akte van schuldbekentenis met aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid door klager in privé noodzakelijk was om te voorkomen dat verweerder de reeds opgeschorte werkzaamheden definitief zou neerleggen. Daarop heeft klager namens klaagster in juni 2019 een notariële akte van schuldbekentenis ten gunste van het kantoor van verweerder ondertekend. Daarin is geen hoofdelijke aansprakelijkheid van klager opgenomen.
3.11 Op 8 oktober 2019 hebben klagers het hoger beroep in de strafzaak ingetrokken, nadat dit in een second opinion door een andere strafrechtadvocaat, mr. F, was aangeraden. Wegens de medische omstandigheden van klager is hem gratie verleend. De belastingdienst heeft onder het Openbaar Ministerie derdenbeslag gelegd op het vrijgevallen deel van het depot, zijnde € 50.000,-, wegens vorderingen op klaagster.
3.12 Over de ontstane betalingsachterstand van klaagster is in de periode 2017-2020 veel gesproken en gecorrespondeerd tussen klagers en verweerder. Over een bedrag van tenminste 56.000,- van de declaraties van 2018 en 2019 hebben klagers concreet hun twijfels uitgesproken. Ook hebben klagers vanaf begin 2019 de verhouding tussen de totale advocaatkosten, het belang van de zaak en de door verweerder bereikte resultaten ter discussie gesteld, waarop verweerder heeft gereageerd. Klagers hebben in de correspondentie met verweerder herhaaldelijk gemeld dat de declaraties voor de vennootschap te hoog waren om te dragen, maar ook dat werd gewerkt aan mogelijkheden om te komen tot betaling van de declaraties, bijvoorbeeld door het aantrekken van externe financiering. Daarbij heeft klager steeds het belang bij continuïteit van (de bedrijfsvoering van) klaagster benadrukt. Ook hebben klagers erop gewezen dat het kapitaal van klaagster mede een pensioenvoorziening voor klager en zijn gezin bevatte, dat gewaarborgd diende te blijven. Van de zijde van verweerder is herhaaldelijk de vrees uitgesproken dat zou worden overgegaan tot liquidatie van klaagster, waardoor de declaraties onbetaald zouden blijven. Steeds werd aangedrongen op het inlopen van de achterstand in betaling.
3.13 Om de betalingsachterstand in te lopen is onder meer:
- sinds najaar 2018 met klaagster afgesproken dat maandelijks een bedrag van € 2.000,- aan het kantoor van verweerder werd betaald;
- in een e-mail van 19 juni 2018 door klager voorgesteld om de door de Inspecteur van de belastingdienst aan klaagster te betalen (deel van de) proceskosten van ruim € 16.000,- te verrekenen met declaraties van verweerder, hetgeen vervolgens ook is gebeurd;
- op 28 juni 2019 een notariële akte van schuldbekentenis ten laste van klaagster en ten gunste van het kantoor van verweerder ondertekend. Bij die gelegenheid is ook het eerder genoemde pandrecht ten gunste van het kantoor van verweerder gevestigd op het door klaagster onder de Staat gestorte bedrag van € 100.000,-.
3.14 Op 22 september 2020 heeft verweerder in een brief aan klagers gewezen op de betalingsachterstand, die op dat moment ruim € 157.000,-, te vermeerderen met rente, bedroeg.
3.15 In een brief van 27 oktober 2020 is namens het kantoor van verweerder aan klager meegedeeld dat incassomaatregelen zouden worden getroffen, tenzij klager met een passend betalingsvoorstel komt. Daarop is niet gereageerd door klagers; wel volgde op 2 november 2020 de indiening van deze klacht.
3.16 Bij beschikking van 17 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op basis van een verzoekschrift van 15 november 2020 verlof verleend aan het kantoor van verweerder tot het leggen van conservatoir beslag onder klager en derden.
In het rekest is onder meer vermeld:
73. [Verweerder c.s.] zijn primair van mening, dat het totaal van de thans openstaande bedragen, vermeerderd met rente, door [klager] persoonlijk dient te worden betaald op grond van de door hem in het verleden gedane toezeggingen om in te staan voor de betaling.
74. Subsidiair is hij aansprakelijk, omdat hij [verweerder], respectievelijk [het kantoor van verweerder] heeft bewogen om niet in een eerder stadium maatregelen te treffen, waardoor [klager] de gelegenheid heeft gehad om als bestuurder van [klaagster] – kennelijk – alle activa aan de holding te onttrekken.
3.17 Op 1 december 2020 heeft op verzoek van klagers een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van de waarnemend deken, waarbij aanwezig waren klager en diens nieuwe raadsman mr. P, verweerder en diens raadsman mr. D en de waarnemend deken. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
3.18 Bij beschikking van 22 december 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland opnieuw, dit keer op basis van een verzoekschrift van 22 december 2020, verlof verleend aan het kantoor van verweerder tot het leggen van conservatoir beslag onder klager en zijn echtgenote, voor een bedrag van € 175.000,-. In dit verzoekschrift is verwezen naar de al verleende beslagvergunning en verder vermeld:
4. In dat rekest wordt melding gemaakt van schuldigerkenning bij notariële akte door [klaagster]. [Het kantoor van verweerder] hebben na verzuim van [klaagster] de deurwaarder opdracht gegeven tot het treffen van executiemaatregelen op grond van de notariële akte. Bij gelegenheid van betekening van de akte en bevel tot betaling heeft [klager] aan deurwaarder (…) meegedeeld, dat hij op korte termijn het faillissement van [klaagster] zou gaan bewerkstelligen.
3.19 De rechtbank Zutphen heeft op 9 maart 2021, op basis van een daartoe door het kantoor van verweerder ingediend verzoek, het faillissement van klaagster uitgesproken.
3.20 In een vonnis van 23 november 2022 heeft de rechtbank Gelderland de vordering van het kantoor van verweerder op klager en zijn echtgenote afgewezen. Het kantoor van verweerder heeft hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is bij arrest van 24 september 2024 afgewezen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door
a) (…);
b) (…);
c) (…);
d) (…);
e) (…);
f) (…);
g) (…);
h) klagers nooit te informeren over het feit dat na vernietiging van de aanslag UTB (douane) op formele gronden een nieuwe aanslag zou kunnen volgen;
i) (…);
j) een fiscaal pleidooi voor te bereiden voor de strafzitting en daarvoor ruim € 57.000,-, te declareren, zonder daarvoor vooraf een kostenbegroting aan klagers te sturen, terwijl de rechtbank die fiscale aspecten niet of nauwelijks heeft meegewogen;
k) te hoge en onredelijke declaraties te sturen, en ondanks herhaalde verzoeken van klagers onduidelijkheid over de gedeclareerde uren te laten bestaan en geen gehoor te geven aan het verzoek tot correctie en/of matiging van de declaraties;
l) (…);
m) (…);
n) op ongeoorloofde wijze van klager extra zekerheden te eisen voor voldoening van openstaande declaraties, zonder overleg met de deken daarover;
o) (…).
5 OMVANG HOGER BEROEP/ONTVANKELIJKHEIDSKWESTIES
5.1 Verweerder heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat het hoger beroep enkel ziet op de door de raad (gedeeltelijk) gegrond verklaarde klachtonderdelen h, j, k en n. Het hof zal zich in zijn beoordeling hiertoe beperken. Daarmee is de (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van de klachtonderdelen a), b), c), e), g) en j) en de (gedeeltelijke) ongegrondverklaring van de klachtonderdelen c), d), e), f), i), j), l), en o) door de raad onherroepelijk.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft ten aanzien van de klachtonderdelen h, j, k en n, waartegen het hoger beroep zich richt, het volgende overwogen:
Klachtonderdeel h
6.2 Verweerder kan niet aan de hand van een e-mail of gespreksverslag aantonen dat hij klager heeft gewezen op de mogelijkheid van een tweede aanslag na vernietiging van de aanslag UTB, maar is ervan overtuigd dat hij dit wel tegen klager heeft gezegd, terwijl klager betwist dat dit met hem is besproken. De raad heeft, gelet op die betwisting en het ontbreken van een schriftelijk stuk van verweerder daarover, niet kunnen vaststellen dat klagers door verweerder voldoende zijn geïnformeerd over de risico’s van een tweede aanslag UTB. Volgens de raad betekent dit dat verweerder daarin niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Nu verweerder deze voor klagers belangrijke informatie niet schriftelijk heeft vastgelegd, heeft de raad klachtonderdeel h) gegrond verklaard.
Klachtonderdeel j
6.3 Voor wat betreft het verwijt aan verweerder dat hij niet vooraf een kostenbegroting heeft gemaakt voor zijn werkzaamheden in de strafzaak heeft de raad voorop gesteld dat van een advocaat wordt verwacht dat hij een cliënt vooraf informeert, en blijft informeren, over de te verwachten werkzaamheden en kosten daarvan in een zaak. De raad heeft niet kunnen vaststellen of verweerder in de strafzaak van klagers een ureninschatting heeft gemaakt en daarin duidelijkheid heeft gegeven over de verdeling van werkzaamheden tussen hem en mr. N omdat stukken die dat zouden kunnen onderbouwen in het dossier ontbreken. Daarbij komt het voor rekening en risico van verweerder dat hij dat dan blijkbaar niet schriftelijk heeft vastgelegd en volgens de raad is verweerder op dit punt dan ook tekortgeschoten in zijn zorgplicht richting klagers. Voor zover klachtonderdeel j) ziet op het ontbreken van een kostenbegroting in de strafzaak heeft de raad dit klachtonderdeel dan ook gegrond verklaard.
Klachtonderdeel k
6.4 Volgens de raad komt u it de uitgebreide stukken en het verhandelde tijdens de zitting een beeld naar voren dat verweerder over langere tijd vooral reactief heeft gehandeld en dat bij hem de regie lijkt te hebben ontbroken, evenals een plan van aanpak dat telkens aan nieuwe situaties werd aangepast. Ondanks herhaalde verzoeken van klagers over de kosten in verhouding tot de omvang van de fiscale zaak, heeft verweerder niet telkens opnieuw gewaarschuwd voor de snel oplopende omvang van de kosten en het risico van te hoge kosten. Het gaat daarbij niet alleen om de strafzaak, waar een andere advocaat voor was aangetrokken die zelf ook € 123.439,- heeft gedeclareerd, maar betreft ook de aanpak van de fiscale kwestie. De raad vindt het toesturen van maandelijkse declaraties met specificatie alleen onvoldoende. De omstandigheid dat uit die urenspecificaties blijkt dat buitengewoon veel overleg tussen verweerder en klager heeft plaatsgevonden en verweerder ook daarvoor zijn uren in rekening heeft gebracht, bevestigt het oordeel van de raad dat het bij verweerder ontbrak aan de nodige regie en doelmatige behandeling van de zaak.
6.5 Verweerder heeft twee bezwaarprocedures en een beroepsprocedure in de fiscale kwestie voor klagers gevoerd, daarnaast in de strafzaak voor de zitting een pleidooi voorbereid, is een kort geding gestart en heeft daarnaast veel met derden gecommuniceerd. Voor zijn werkzaamheden in de fiscale zaak heeft verweerder tegen een uurtarief van € 250,- exclusief btw in totaal voor een bedrag van € 342.350,90 aan klaagster gedeclareerd. Na betaling door klaagster resteert daarvan nog een bedrag van € 129.468,90, waarvan een bedrag van € 37.721,- in overleg is opgeschort. Verweerder is onvoldoende transparant geweest richting klagers over de aard en noodzaak van de werkzaamheden, de gevolgen daarvan en de (snel oplopende) kosten daarvoor. De door verweerder gedeclareerde uren stonden niet in een redelijke verhouding tot de opgedragen werkzaamheden, aldus de raad.
6.6 De raad is dan ook tot de conclusie gekomen dat de declaraties van verweerder als excessief zijn te beschouwen in die zin dat een gelet op alle omstandigheden onredelijk honorarium aan klagers in rekening is gebracht. Daarbij heeft verweerder tegenover klagers ook niet aannemelijk kunnen maken dat zijn werkzaamheden de zeer hoge declaraties rechtvaardigden. Dat rekent de raad verweerder tuchtrechtelijk aan, zodat klachtonderdeel k) gegrond zal worden verklaard.
Klachtonderdeel n
6.7 De raad heeft uit de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de zitting afgeleid dat er bij herhaling signalen waren dat klagers niet tevreden waren over de totale hoogte van de kosten van verweerder en daarover met hem in gesprek wilden. Verweerder was ervan op de hoogte dat klager in die periode medio 2019 een ernstige diagnose kreeg. Klager heeft betwist dat verweerder hem uitleg heeft gegeven over het effect van het notarieel laten verlijden van een akte en de executiemogelijkheden en stukken die dat zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. Volgens de raad had het op de weg van verweerder gelegen dat hij zich ervan had vergewist dat tenminste de door verweerder ingeschakelde notaris klager zou wijzen op de gevolgen van ondertekening van de akte, zeker gezien het hoge bedrag waarvoor klager zekerheid zou stellen. Het is de raad niet gebleken dat dat is gebeurd. Volgens de raad heeft dit alles samen geleid tot een ontoelaatbare druk op klager, hetgeen een advocaat niet betaamt. Dat kan hem ook tuchtrechtelijk worden verweten. Klachtonderdeel n) is dan ook gegrond.
Maatregel
6.8 Aangezien de klachtonderdelen h), j), k) en n) (gedeeltelijk) door de raad gegrond zijn verklaard heeft de raad aan verweerder een maatregel opgelegd. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet en daarbij ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de kernwaarden deskundigheid en financiële integriteit te schenden. Daarbij rekent de raad verweerder aan dat hij geen zelfreflectie heeft getoond of ook maar enigszins is gaan beseffen dat hij steken heeft laten vallen. Daar staat tegenover dat verweerder niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Alle omstandigheden samen maken dat de raad een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor acht weken heeft opgelegd met een proeftijd van twee jaar.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 Verweerder heeft in zijn beroepschrift het navolgende aangevoerd:
Ten aanzien van klachtonderdeel h)
7.2 Verweerder wijst erop dat hij op 10 april 2017 een brief ontving van de inspecteur Douane als vervolg op een brief van 7 februari 2017 dat een ‘nieuwe’ tweede UTB was verzonden en dat klaagster hier bij brief van laatstgenoemde datum van op de hoogte is gebracht. Nu klagers op 30 november 2020 een klacht hebben ingediend bij de deken dat verweerder klagers niet over deze mogelijkheid heeft geïnformeerd en deze klacht dus meer dan drie jaren na de dag waarop klagers met deze mogelijkheid bekend werden, is ingediend, is deze klacht te laat ingediend. Volgens verweerder dient klachtonderdeel h) dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden.
7.3 Indien het hof wel tot een inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel komt, is het volgens verweerder zo dat (hoewel daar geen schriftelijke vastlegging van is) een tweede UTB wel degelijk is besproken. Bovendien was een schriftelijke vastlegging daarvan niet noodzakelijk gelet op de zeer intensieve en veelvuldige besprekingen met klager die zelf zeer deskundig is.
Ten aanzien van klachtonderdeel j)
7.4 Verweerder wijst erop dat de voorbereiding van de zittingen in de strafzaken veel tijd heeft gekost en dat de fiscale inbreng in de pleidooien zeker van belang was, nu het niet uitsluitend ging om een financieel belang, maar ook om de dreiging van een vrijheidsstraf. Er werden uitvoerige pleitaantekeningen overgelegd die uitvoerig met klager zijn besproken, evenals het zeer uitvoerig feitenrelaas dat klager voorafgaande aan het opstellen van de pleitaantekeningen had opgesteld. Verweerder heeft tot en met het intrekken van het hoger beroep in de strafzaak intensief doorgewerkt.
Ten aanzien van klachtonderdeel k)
7.5 Verweerder wijst er in dit verband op dat de door hem verrichte werkzaamheden veel meer waren dan twee fiscaal-juridische bezwaarschriften en een beroepsprocedure. Daarbij was het belang voor klagers bij de diverse procedures/geschillen waarvoor bijstand werd verleend heel groot. Uit de beslissing van de raad blijkt niet dat de raad alle relevante uitgevoerde werkzaamheden en activiteiten in zijn overwegingen en beoordelingen heeft betrokken. Volgens verweerder heeft hij voldoende regie gevoerd en tijdig initiatieven genomen. Voor zover sprake zou zijn van reactief handelen, was de oorzaak daarvan dat moest worden gereageerd naar aanleiding van acties, publicaties, beslagen en aanslagen, waardoor heel veel overleg met klagers noodzakelijk was. Van verwijtbaar reactief optreden is niet gebleken. Voordat actie werd ondernomen, werd alles met klagers besproken en ook over de te maken kosten werd met klagers gecommuniceerd, veel achteraf, maar ook vooraf. Volgens verweerder heeft de raad geoordeeld op onbewezen stellingen, indrukken en aannames en is van excessief declareren dan ook geen sprake. Verweerder wijst daarbij op twee uitspraken. Een uitspraak van de raad van discipline, ressort Arnhem-Leeuwarden van 23 oktober 2023, waarin de raad aanzienlijk nauwkeuriger te werk is gegaan met betrekking tot het verwijt van excessief declareren en tot afwijzing van de klacht komt, en een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 5 september 2023, waarin het hof het noodzakelijk acht dat klachten met betrekking tot excessief declareren nauwkeurig en grondig worden onderbouwd.
Ten aanzien van klachtonderdeel n)
7.6 Verweerder stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom een advocaat zou moeten doorgaan met het verrichten van werkzaamheden en niet zou mogen staan op betaling of zekerheid als er al sprake is van een heel forse achterstand en de overige omstandigheden in de onderhavige situatie. Verweerder heeft erop gewezen dat klager herhaaldelijk heeft medegedeeld dat hij persoonlijk voor de betaling van de declaraties instond, ook voordat hij in april 2019 de diagnose kreeg dat hij ongeneeslijk ziek was. Bovendien heeft verweerder in januari een aanbod gedaan tot creditering van een bedrag van € 15.000,00 op de dan te betalen declaraties, welk aanbod klager niet heeft geaccepteerd. Van een ongeoorloofde drukuitoefening tot het verkrijgen van zekerheden tot betaling en/of het ondertekenen van de schuldbekentenis kan niet worden gesproken.
Verweer klagers
7.7 Klagers hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware sprake zijn van een ‘informed consent’; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.
Ontvankelijkheid klachten
8.2 Verweerder heeft in hoger beroep de ontvankelijkheid van de klacht aan de orde gesteld. Daartoe is namens verweerder aangevoerd dat klaagster gefailleerd is en het de vraag is of klaagster in de appelprocedure nog wel op kan komen en verweer kan voeren.
8.3 De klacht is op 2 november 2020 mede ingediend namens klaagster. Op het moment van indiening van de klacht verkeerde klaagster nog niet in staat van faillissement. Klaagster was op het moment van indiening van de klacht bij de deken daarin ontvankelijk.
Indien een klager als rechtstreeks belanghebbende ontvankelijk is in een klacht over een gedraging van een advocaat, dient naar aanleiding van die klacht door de deken en vervolgens, na doorzending van de klacht, door de raad en het hof te worden onderzocht of de advocaat de norm neergelegd in artikel 46 Advocatenwet heeft geschonden. De Advocatenwet biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat, in een geval de rechtspersoon namens wie de tuchtklacht is ingediend na de indiening ervan bij de deken als gevolg van een faillissement ophoudt te bestaan, de behandeling niet kan worden voortgezet (zie Hof van Discipline, 3 februari 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:67).
Het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht wordt derhalve verworpen.
8.4 Voor wat betreft het verweer van verweerder dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht over excessief declareren omdat klagers een beroep hadden kunnen doen op de klachtenregeling van het kantoor van verweerder overweegt het hof dat het niet volgen van de klachtenregeling niet tot niet-ontvankelijkheid van dit klachtonderdeel leidt. Ook dit verweer verwerpt het hof.
Klachtonderdeel h): de nieuwe aanslag
8.5 Dit klachtonderdeel heeft betrekking op het verwijt van klagers dat verweerder klagers nooit heeft geïnformeerd over het feit dat na vernietiging van de aanslag UTB (douane) op formele gronden een nieuwe aanslag zou kunnen volgen. De aanslag die in 2014 door de belastingdienst/douane aan klaagster is opgelegd, is begin 2017 vernietigd en op 9 februari 2017 ontving klaagster een brief van de belastingdienst waarin het voornemen wordt geuit voor eenzelfde bedrag een nieuwe aanslag op te leggen. Vervolgens heeft klaagster op 6 april 2017 een nieuwe naheffingsaanslag ontvangen.
8.6 Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn van drie jaar geldt vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
8.7 Vast staat dat klagers hun klacht over het nu voorliggende klachtonderdeel op 2 november 2020 hebben ingediend bij de deken en dat het handelen van verweerder waarover wordt geklaagd, betrekking heeft op de periode tot 6 april 2017 (de datum waarop de nieuwe aanslag werd ontvangen), de datum waarop klagers bekend waren met het feit dat zij er door verweerder niet over geïnformeerd waren dat een nieuwe aanslag opgelegd zou kunnen worden. Op laatstgenoemde datum is de vervaltermijn van drie jaar gaan lopen.
8.8 De conclusie uit het voorgaande is dat de vervaltermijn van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet op zijn laatst is gaan lopen vanaf 6 april 2017, zodat deze vervaltermijn was verstreken op het moment dat de klacht op 2 november 2020 werd ingediend. Het hof is dan ook van oordeel dat klachtonderdeel h) niet- ontvankelijk is.
Klachtonderdeel j): de in rekening gebrachte uren voor de strafzaak
8.9 In de strafzaak werd klager bijgestaan door mr. N. en verweerder heeft voor zijn werkzaamheden die hij voor de strafzaak heeft verricht meer dan honderd uren in rekening gebracht. Die werkzaamheden zagen op het voorbereiden van een fiscaal pleidooi. Met de raad is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder voorafgaand aan de strafzaak een kostenbegroting heeft gemaakt voor zijn werkzaamheden. Een schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt. Verweerder is dan ook tekortgeschoten in zijn plicht richting klager om hem vooraf te informeren en te blijven informeren over de te verwachten werkzaamheden en de daarbij behorende kosten in de strafzaak. De beroepsgrond slaagt niet. Klachtonderdeel j is gegrond.
Klachtonderdeel k): de (on)redelijkheid van declaraties
8.10 Uitgangspunt is dat een advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening brengt (gedragsregel 17 lid 1). In het kader van de te hanteren tuchtrechtelijke norm volstaat het hof bij de beoordeling van declaraties van advocaten met een marginale toets. Beoordeeld wordt of sprake is van excessief declareren. Daarbij gaat het om de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden.
8.11 Uit het dossier blijkt dat verweerder niet alleen de twee fiscale bezwaarprocedures en een fiscale beroepsprocedure, maar ook andere juridische procedures en aspecten voor klagers heeft behandeld, waar veel tijd in de voorbereiding, correspondentie en overleggen is gestoken door verweerder. Daarbij betrof het onweersproken een zeer omvangrijk dossier met zo’n 40 ordners. Dat de declaraties waar door klagers in hun klacht naar verwezen wordt enkel betrekking hadden op de werkzaamheden van verweerder op het pleidooi en de zittingen in de strafzaken heeft verweerder dan ook voldoende weerlegd. Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden en het grote belang voor klagers bij de diverse procedures is het hof niet gebleken dat sprake is van een wanverhouding tussen de werkzaamheden die verweerder voor klagers heeft uitgevoerd en wat verweerder over alle jaren heen in rekening heeft gebracht. Verweerder heeft dan ook terecht tegen de beslissing van de raad aangevoerd dat geen sprake is van een onredelijk honorarium.
8.12 Daarnaast is er veelvuldig overleg geweest tussen verweerder en klager over de declaraties en de betalingsachterstand die is ontstaan. Daar zijn vervolgens afspraken over gemaakt, onder andere de afspraak om maandelijks een vaststaand bedrag aan het kantoor van verweerder te betalen en over het verrekenen met een post die klaagster betaald kreeg van de belastingdienst. Daarnaast heeft verweerder op verzoek van klagers een korting aangeboden na het declareren van de kosten die zagen op het fiscale pleidooi tijdens de strafzitting. Het hof wijst daarbij ook op de e-mails tussen klager en verweerder van 5 en 6 juni 2019, waarin klager aangeeft moeite te hebben met het evalueren van het totale bedrag van circa € 450.000,00 in relatie tot de bereikte resultaten, maar ook stelt dat er geen geschil is over de facturatie rondom de zitting in de strafzaak, waarop verweerder met een verwijzing naar al hun gesprekken en correspondentie reageert dat hij het niet redelijk vindt de hoogte van de declaraties onder deze omstandigheden ter discussie te stellen. Dat er geen overleg is geweest over de gedeclareerde uren en geen gehoor is gegeven aan het verzoek van klager om de declaraties te corrigeren of aan te passen is het hof dan ook niet gebleken.
8.13 Nu het hof komt tot een ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel heeft verweerder geen belang meer bij bespreking van het ter zitting opgeworpen verweer dat ziet op de ontvankelijkheid van klager in privé over het excessief declareren richting klaagster.
Klachtonderdeel n): het stellen van zekerheid voor openstaande declaraties
8.14 Dit klachtonderdeel ziet op de kernwaarde (financiële) integriteit en deze kernwaarde is onder meer uitgewerkt in gedragsregel 19. Op grond van deze gedragsregel is het de advocaat niet toegestaan voor de betaling van zijn declaratie andere zekerheid te aanvaarden dan een voorschot in geld, behoudens in bijzondere gevallen en dan slechts na overleg met de deken (lid 1).
In de onderhavige zaak heeft verweerder klager op 28 juni 2019 een notariële akte van schuldbekentenis laten ondertekenen, waarbij ook een pandrecht is gevestigd ten gunste van het kantoor van verweerder. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in gedragsregel 19 lid 1, althans is dit niet aangetoond. Voor wat het vereiste overleg met de deken betreft blijkt uit het dossier dat de deken pas op 7 november 2019 door verweerder en zijn kantoorgenoot, mr. B., is bericht over de notariële akte van juni 2019 en hebben zij door allerlei verwikkelingen verzuimd om de concept-akte aan de deken voor te leggen en een verdere toelichting te geven. Daarmee staat vast dat er geen (voor)overleg met de deken heeft plaatsgevonden.
8.15 Verweerder heeft dan ook tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met artikel 46 Advocatenwet, zoals belichaamd in de genoemde gedragsregel, gehandeld, zodat het hof dit klachtonderdeel gegrond zal verklaren. Daarbij laat het hof in het midden de vraag of er ongeoorloofde druk op klagers zou zijn uitgeoefend.
Slotsom
8.16 Het hof verklaart klachtonderdeel h) niet-ontvankelijk, klachtonderdeel k) ongegrond en klachtonderdelen j) en n) gegrond.
9 MAATREGEL
9.1 Verweerder heeft nagelaten klagers te adviseren over de te verwachten kosten voor de werkzaamheden die hij zou verrichten in de strafzaak en daarmee is hij tekortgeschoten in zijn zorgplicht richting klagers. Daarnaast heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit door in afwijking van gedragsregel 19 lid 1 een zekerheid voor betaling van zijn declaraties te bedingen anders dan in geld, zonder dat is aangetoond dat van een bijzonder geval sprake was en daarmee in strijd met artikel 46 Advocatenwet. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de kernwaarde financiële integriteit. Op grond van de aard en ernst van de verweten gedragingen en de overige omstandigheden van het geval wordt de maatregel van een voorwaardelijke schorsing passend en geboden geoordeeld. Er is sprake van laakbaar handelen door verweerder waarbij voor klager het vertrouwen in de advocatuur een ernstige deuk heeft opgelopen. Nu het hof komt tot een deels andere beoordeling van de klachtonderdelen dan de raad ziet het hof aanleiding de door de raad opgelegde duur van de voorwaardelijke schorsing te matigen.
9.2 Het hof acht een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaar op zijn plaats.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 30 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-209/AL/GLD, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart klachtonderdeel h) niet-ontvankelijk;
10.3 verklaart klachtonderdeel k) ongegrond;
10.4 verklaart klachtonderdeel n) gegrond;
10.5 bekrachtigt de beslissing van 30 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-209/AL/GLD, voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
10.6 legt aan verweerder de maatregel op van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met ingang van de datum van deze beslissing;
10.7 stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een gedraging als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet;
10.8 bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de voorwaarde niet heeft nageleefd.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, D. Wachter, J.H. Brouwer en G.J.K. Elsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 december 2025 .
