Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:173
Zaaknummer
25-683/DB/LI
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Niet gebleken dat verweerder zonder opdracht een matige brief heeft opgesteld en daarvoor onredelijk hoge declaraties heeft gestuurd. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 23 december 2025
in de zaak 25-683/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 8 oktober 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken), van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11 en de nagekomen e-mail met bijlagen van klager van 11 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 28 januari 2025 heeft klager telefonisch contact opgenomen met verweerder in verband met het geschil tussen klager en R B.V. Klager heeft aan verweerder de opdracht verstrekt om rechtsbijstand te verlenen.
1.2 Bij brief van 3 februari 2025 heeft verweerder aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd. Op 3 februari 2025 heeft verweerder conform de gemaakte afspraken een voorschotnota van € 1.715,18 inclusief btw aan klager gestuurd. Klager heeft deze nota voldaan.
1.3 Klager heeft aan verweerder een ordner met stukken overhandigd, die verweerder heeft bestudeerd. Op 11 februari 2025 heeft een bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden.
1.4 Bij brief van 13 februari 2025 heeft verweerder aan klager bevestigd wat zij op 11 februari 2025 hadden besproken en heeft verweerder aan klager een advies uitgebracht. Aan de brief van 13 februari 2025 was een concept sommatiebrief aan de wederpartij gehecht alsook een declaratie, vergezeld van een urenspecificatie, ten bedrage van € 1.672,29 inclusief btw en kantoorkosten. In deze declaratie is het reeds betaalde voorschot verrekend met het honorarium voor de verrichte werkzaamheden. Klager heeft de factuur zonder protest voldaan. Bij e-mail van 13 februari 2025 heeft klager verweerder gecomplimenteerd met de conceptbrief aan de wederpartij. Ook heeft klager enkele wijzigingssuggesties gedaan, die verweerder deels heeft overgenomen.
1.5 Op 17 februari 2025 is de aangepaste sommatiebrief aan de wederpartij gestuurd.
1.6 Op 4 maart 2025 heeft verweerder een reactie van de wederpartij ontvangen, die hij diezelfde dag aan klager heeft doorgestuurd. Bij e-mail van eveneens 4 maart 2025 heeft klager aan verweerder bericht:
“Dank voor het doorsturen. Zoals eerder besproken, tot nader bericht aub geen tijd besteden zodat ik geen factuur meer krijg, tot nader bericht.”
1.7 Bij e-mail van 18 maart 2025 heeft klager aan verweerders kantoor gevraagd wanneer hij de ordner met stukken kan komen ophalen. Verweerder heeft daarop geantwoord dat klager de ordner kan komen ophalen. Klager heeft verweerder vervolgens bericht dat hij de map de volgende dag zou komen ophalen. Bij e-mail van 19 maart 2025 heeft verweerder aan klager bevestigd dat hij geen werkzaamheden meer zal verrichten in het dossier.
1.8 Op 21 maart 2025 heeft verweerder een brief over de sluiting van het dossier en een slotdeclaratie, vergezeld van een urenspecificatie, ten bedrage van € 428,80 inclusief btw en kantoorkosten aan klager gestuurd.
1.9 Bij e-mails van 21 maart 2025 heeft klager geprotesteerd, een klacht bij de deken aangekondigd en verweerder als volgt bericht:
“Ik kom nu naar je toe klootzak.”
En vervolgens:
“Oh nee… ik doe dat beter een keer onverwacht!”
1.10 Op 30 maart 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
1.11 Verweerders kantoor heeft de klacht conform de interne klachtenregeling in behandeling genomen, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid, zodat klager de deken heeft gevraagd om de klachtprocedure voort te zetten.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
Verweerder heeft zonder opdracht een matige brief opgesteld en daarvoor onredelijk hoge declaraties gestuurd.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 Beoordeling
Klager verwijt verweerder dat hij zonder door klager verleende opdracht een brief heeft opgesteld. Dit verwijt mist feitelijke grondslag. Uit de overgelegde stukken, waaronder de opdrachtbevestiging en de daarop volgende correspondentie, blijkt immers dat klager wel degelijk aan verweerder de opdracht heeft verstrekt om een brief aan de wederpartij op te stellen. In zoverre is de klacht kennelijk ongegrond.
4.3 Klager verwijt verweerder voorts dat hij onredelijk hoge declaraties heeft gestuurd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder voorafgaand aan de aanvang van zijn werkzaamheden duidelijk en transparant is geweest over zijn honorarium, de kosten en de wijze van declareren. Klager heeft voor aanvang van de werkzaamheden ingestemd met het door verweerder gehanteerde uurtarief en heeft na verzending van de declaratie d.d. 13 februari 2025 niet geprotesteerd tegen het in rekening gebrachte honorarium en zelfs complimenten gemaakt over de door verweerder opgestelde brief aan de wederpartij. Anders dan klager stelt blijkt uit de overgelegde stukken dat het in rekening gebrachte honorarium niet alleen betrekking heeft op het opstellen van een enkele brief, maar ook op de overige in het dossier verrichte werkzaamheden, die zijn vermeld op de aan de declaraties gehechte urenspecificaties. De verrichte werkzaamheden in aanmerking genomen komt het in rekening gebrachte bedrag de voorzitter niet bovenmatig voor.
4.4 Van excessief declareren is dan ook niet gebleken en verweerder heeft in overeenstemming met de gemaakte honorariumafspraken gehandeld. Dat verweerder, nadat klager hem had verzocht om geen tijd meer aan de zaak te besteden, nog een factuur heeft gestuurd, maakt dit niet anders. Immers, die laatste factuur ziet grotendeels (1,3 uur) op werkzaamheden die zijn verricht voordat klager verweerder had verzocht om geen tijd meer aan de zaak te besteden. De werkzaamheden die daarna zijn verricht heeft verweerder deels (0,2 uur) in rekening gebracht en dit stond hem ook vrij. Klager en de wederpartij hebben verweerder daarna namelijk nog benaderd en de daaraan bestede tijd mocht verweerder doorbelasten aan klager, hetgeen verweerder uit coulance overigens slechts ten dele heeft gedaan.
4.5 De voorzitter overweegt dat klagers verwijt, dat de brief aan de wederpartij matig is, zich maar moeilijk laat rijmen met het feit dat klager verweerder heeft gecomplimenteerd met diezelfde brief aan de wederpartij. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de voorzitter is de inhoud van die brief niet ondermaats en is ook overigens niet gebleken dat verweerder niet te werk is gegaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.6 De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerder van zijn optreden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De voorzitter zal de klacht derhalve kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 december 2025
