Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:172

Zaaknummer

25-762/DB/LI

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over het niet tijdig bekendmaken van de datumbepaling door de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch  van 23 december 2025 in de zaak 25-762/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 5 november 2025 met kenmerk K25-040 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1-1 tot en met 8.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 11 maart 2025 heeft verweerder de rechtbank Limburg verzocht om een datumbepaling voor een kort geding tegen klager. Het aanvraagformulier is op naam van verweerder gezet, maar de (digitale) indiening is gebeurd op naam van zijn kantoorgenoot. Diezelfde dag heeft verweerder klagers advocaat daarover geïnformeerd.

1.2    Op 12 maart 2025 heeft de rechtbank de datum voor het kort geding kenbaar gemaakt.

1.3    Op 17 maart 2025 heeft klagers advocaat aan verweerder verzocht om uitsluitsel over de datumbepaling. Diezelfde dag heeft klagers advocaat contact opgenomen met de rechtbank en vernomen dat het kort geding op een zitting van 17 april 2025 zou worden behandeld.

1.4    Op 18 maart 2025 heeft verweerder klagers advocaat geïnformeerd over de datum van de zitting.

1.5    Op 7 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

  2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

a)    Verweerder heeft verzuimd de datumbepaling onmiddellijk bekend te maken;

b)    Verweerder hanteert een stelselmatige handelswijze door meermaals op het laatste moment en met dezelfde reden om uitstel te verzoeken.

2.2    Klager verzoekt om een schadevergoeding van € 112,53 voor de op 17 maart 2023 gemaakte advocaatkosten.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1     Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

4.2    Verweerder heeft toegelicht dat zijn naam op het aanvraagformulier stond, maar dat zijn kantoorgenoot als indiener is aangemerkt. Hij heeft daarom niet op 12 maart 2025 kennisgenomen van de datumbepaling. Nadat hij enkele dagen niets heeft vernomen, heeft hij zelf contact gezocht met de griffie van de rechtbank. Op dat moment heeft hij kennisgenomen van de datumbepaling en is gebleken dat de rechtbank ervan uitging dat bericht moest worden gegeven zijn kantoorgenoot. Verweerder heeft klagers advocaat daarna geïnformeerd over de datumbepaling.

4.3    Naar het oordeel van de voorzitter is in deze zaak niet komen vast te staan dat verweerder bewust de door de rechtbank bepaalde datum voor het kort geding heeft achtergehouden voor (de advocaat van) klager. Zo staat vast dat verweerder de aanvraag voor het kort geding en de concept dagvaarding op 11 maart 2025 aan de advocaat van klager heeft toegezonden. Vast staat ook dat de rechtbank op 12 maart 2025 een bericht heeft gestuurd waarin is medegedeeld dat het kort geding is gepland op 17 april 2025. In dit bericht staat dat het is gericht tot verweerder maar daarin staat eveneens dat er digitaal wordt geprocedeerd. Uit de stukken blijkt niet hoe dit bericht is verzonden. Verweerder heeft onderbouwd gesteld dat de aanvraag is ingediend door zijn kantoorgenoot en dat hij geen rechtstreeks bericht van de rechtbank heeft ontvangen. Gelet op die verklaring kan de voorzitter niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verweerder op 12 maart 2025 op de hoogte was van de zittingsdatum, laat staan dat hij bewust de zittingsdatum niet aan klager heeft doorgegeven. Op het moment dat hij daarvan kennelijk wel van op de hoogte is gekomen, na telefonisch contact met rechtbank, heeft hij klagers advocaat daarvan op de hoogte gebracht en aan de rechtbank gevraagd om een eerdere datum voor het kort geding. Zodoende kan niet worden geoordeeld dat verweerder heeft nagelaten de datumbepaling tijdig (volgens het Landelijk procesreglement: uiterlijk twee dagen na ontvangst) door te sturen aan klagers advocaat. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.4    Het staat verweerder vrij om een uitstelverzoek te doen indien hij dat nodig acht. Het is vervolgens aan de betreffende instantie (rechtbank, kantonrechter of deken) om dit verzoek al dan niet te honoreren. Als klager meent dat daarmee de procesgang verstoord wordt, kan hij daartegen in die procedure(s) bezwaar maken. Dat maakt het verzoeken om uitstel echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond. 

Conclusie

4.5    De klacht is kennelijk ongegrond. Om die reden wordt ook geen aanleiding gezien om klager een schadevergoeding toe te kennen.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 23 december 2025