Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:281

Zaaknummer

25-677/AL/NN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de klachttermijn.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2025 in de zaak 25-677/AL/NN  naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

 

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 3 oktober 2025 met kenmerk 2025 KNN005 / 2442288.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager was samen met twee andere personen (indirect) bestuurder van de besloten vennootschap Q B.V. Verweerder stond klager bij in verschillende kwesties over zijn financiële positie privé en de financiële positie van zijn holding(en). 

1.2    Klager heeft op 20 augustus 2020 twee leningen en op 3 maart 2021 een derde lening verstrekt aan één van zijn medebestuurders, de heer D.  

1.3    Eind juni 2021 ontstond een conflict tussen de bestuurders van Q BV onderling. Klager is in dat conflict bijgestaan door mr. De P en verweerder heeft de bestuurders D en H bijgestaan.   1.4    Op 16 december 2021 heeft mr. De P de volgende e-mail aan verweerder gestuurd:Door middel van deze e-mail laat ik u weten dat er voorafgaand aan het verlenen van medewerking een aantal zaken opheldering behoeven. Ten aanzien daarvan verzoek ik u dan ook om mij inzage te verschaffen in de administratie van de vennootschap. Ik ontvang daartoe graag een afschrift van het grootboek alsmede een saldibalans. Verder verneem ik graag van u wat er na turboliquidatie zal gaan gebeuren met de inventaris en het intellectuele eigendom zoals website, domeinnaam, beschermde namen als I, P etc. van de vennootschap.  Daarnaast wijs ik u er nog op dat de heer D alsmede zijn persoonlijke holding nog opeisbare schulden heeft aan cliënte. Ik neem aan dat we dit samen met de afwikkeling van de vennootschap regelen?

1.5    D heeft het geleende geld vervolgens niet aan klager terugbetaald. De advocaat van klager mr. De P heeft toen namens klager in rechte de hoofdsom, de rente en de kosten van D gevorderd. Verweerder heeft D in die procedure bijgestaan. 

1.6    Op 27 december 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd met gedragsregel 15 op te treden tegen zijn voormalige cliënt. Klager had geen bezwaar tegen de rechtsbijstand van verweerder aan zijn medebestuurders in het conflict tussen de bestuurders onderling omdat hij en klager toen hetzelfde doel of belang voor ogen hadden en verweerder probleemoplossend handelde. Dat was anders toen D klager niet tijdig terugbetaalde en verweerder (ook) optrad tegen klager in die procedure ten behoeve van D, aldus klager.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).

4.2    Klager heeft gesteld dat hij op 5 april 2023 wist dat verweerder tegen hem ging optreden en dat hij dus op tijd heeft geklaagd. Uit de e-mail van mr. De P aan verweerder van 16 december 2021 volgt echter dat klager in ieder geval op die dag wist dat verweerder (ook) voor D optrad in de kwestie van de door klager aan D verstrekte leningen. De advocaat van klager schrijft namelijk op die dag aan verweerder: “Daarnaast wijs ik u er nog op dat de heer D alsmede zijn persoonlijke holding nog opeisbare schulden heeft aan cliënte. Ik neem aan dat we dit samen met de afwikkeling van de vennootschap regelen?”. Uiterlijk op 16 december 2021 is de bovengenoemde termijn van drie jaren gaan lopen. Klager had binnen drie jaar na die datum een klacht moeten indienen.

4.3    Klager heeft zijn klacht echter pas op 27 december 2024, en daarmee buiten deze termijn, ingediend. Van een dringende grond voor deze termijnoverschrijding is niet gebleken. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter daarom niet toe.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46g, Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.

Griffier         Voorzitter  

Verzonden op : 23 december 2025