Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:268

Zaaknummer

240369

Inhoudsindicatie

Klacht over advocaat van de wederpartij ongegrond. Hoewel verweerster haar woorden over klager in een e-mail aan de advocaat van klager wellicht anders had kunnen kiezen, is het hof van oordeel dat verweerster met haar opmerking over de geestelijke toestand van klager de grenzen van de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van haar cliënte niet heeft overschreden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verweerster steeds in overleg met en met instemming van haar cliënte heeft gehandeld. Daarnaast is het hof van oordeel dat de bewoordingen in de e-mail moeten worden bezien tegen de achtergrond van het tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande geschil over de beëindiging van hun relatie en de zorg voor de kinderen. Tegen die achtergrond zijn de door verweerster in de e-mail gekozen bewoordingen naar het oordeel van het hof niet onbetamelijk.

Uitspraak

Beslissimg van 22 december 2025

in de zaak 240369

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerster

gemachtigde: mr. R. Zwiers, advocaat te Almere

 

tegen:

 

klager

 

1 INLEIDING

1.1 Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in een familiekwestie. De raad heeft geoordeeld dat verweerster de grenzen van de haar toekomende vrijheid bij het behartigen van de belangen van haar cliënte in deze familiekwestie heeft overschreden en dat zij zich in de procedure met onvoldoende distantie tot haar cliënte en het geschil heeft opgesteld, waardoor zij ten opzichte van klager tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarvoor heeft de raad aan verweerster een waarschuwing opgelegd. Verweerster is het met die beslissing niet eens en zij heeft hoger beroep ingesteld.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de Raad van Discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna steeds: de raad) heeft op 18 november 2024 een beslissing in de zaak tussen klager en verweerster gegeven (met zaaknummer 24-213/AL/NN). In deze beslissing is klachtonderdeel a ongegrond verklaard en de klachtonderdelen b en c zijn gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Daarnaast is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, en reiskosten en proceskosten van klager.

2.2 Deze beslissing is met het kenmerk ECLI:NL:TADRARL:2024:274 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 17 december 2024 ontvangen door de griffie van het Hof van Discipline (hierna: het hof).

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; een e-mail van de gemachtigde van verweerster van 13 oktober 2025, met bijlage;

Klager heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd.  

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 oktober 2025. Daar zijn verschenen: verweerster met haar gemachtigde en klager. Zowel de gemachtigde van verweerster als klager hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de volgende feiten.

3.2 Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in verband met de wijziging van een ouderschapsplan.

3.3 Op 19 oktober 2023 heeft verweerster een e-mail aan de politie gestuurd waarin zij haar zorgen uit over een bericht van klager en waarin zij de politie vraagt haar te informeren of zij kennis hebben van de ernstige bedreiging van de fysieke veiligheid van klager en de twee minderjarige kinderen en of daarover overleg met de politie heeft plaatsgevonden en of toen in gezamenlijkheid besloten is onder te duiken.

3.4 In een e-mail van 15 november 2023 heeft verweerster het volgende aan de advocaat van klager geschreven:

“(…) Ik constateer, dat de stroom van berichten van Uw cliënt aanhoudt en de inhoud daarvan steeds bizarder wordt, ambivalent, dreigend, maar bovenal schadelijk voor alle betrokkenen waaronder de kinderen. Dit moet dan ook stoppen, maar kennelijk bent U niet in staat dit gedrag van Uw cliënt te veranderen of in ieder geval bij te sturen. Vandaag vindt het partijtje van […] plaats en Uw cliënt heeft besloten, dat mijn cliënte daar niet bij aanwezig mag zijn, terwijl [...] daar wel op voorbereid is. Heeft Uw cliënt enig idee welke impact zijn handelen op de kinderen heeft? Mijn cliënte geeft het welzijn van [...] de voorkeur en zal dan ook aanwezig zijn, Uw cliënt bereidt zich daar maar op voor.

(…) Ik zal zelf als advocaat een melding gaan maken bij Veilig Thuis omdat ik mij ernstig zorgen maak over de psychische toestand van Uw cliënt en daarmee over de veiligheid van de kinderen als zij bij hem zijn. Het ambivalente gedrag baart mij zorgen, evenals de zucht van Uw cliënt zaken fors te overdrijven.”

 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

(…) zijn (hof: klagers) belangen onevenredig of onnodig te schaden; de zaak onprofessioneel te behandelen en daarbij onvoldoende afstand tot haar cliënte te houden.

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft de klachtonderdelen b en c gezamenlijk behandeld en daarover als volgt geoordeeld. 

5.2 De raad is op grond van het klachtdossier en de op de zitting bij de raad afgelegde verklaringen van oordeel dat verweerster met haar uitlatingen in haar e‑mail van 15 november 2023 en de door haar in deze mail genoemde melding aan Veilig Thuis tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad heeft geconstateerd dat verweerster deze melding “zelf als advocaat” heeft gemaakt, omdat zij zich ernstig zorgen maakte over de psychische toestand van klager en daarmee over de veiligheid van de kinderen. Een deugdelijke onderbouwing van de stelling over de psychische gesteldheid van klager ontbreekt echter. De raad is van oordeel dat verweerster door zelf - en dus niet namens haar cliënte - en zonder onderbouwing deze melding te doen over de wederpartij van haar cliënte, de grenzen van de haar toekomende vrijheid in deze familierechtkwestie heeft overschreden. Verweerster heeft zich in deze procedure met onvoldoende distantie tot haar cliënte en het geschil opgesteld. De raad heeft overwogen dat die houding ook blijkt uit de gekozen bewoordingen in de e-mail in zowel de richting van klager als zijn advocaat. De raad acht hierbij van belang dat ook de e-mails van de advocaat van de wederpartij niet hebben geleid tot aanpassing van het gedrag van verweerster.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerster

6.1 Verweerster verzoekt het hof de beslissing van de raad te vernietigen voor zover daarbij de klachtonderdelen b en c gegrond zijn verklaard en die klachtonderdelen alsnog ongegrond te verklaren. Verweerster voert in hoger beroep het de volgende aan.

6.2 De raad heeft de maatstaf aan de hand waarvan de klacht is beoordeeld te strikt toegepast. De uitlatingen en bewoordingen van verweerster in de e-mail van 15 november 2023 moeten worden bezien tegen de achtergrond van het tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande geschil over de wijze waarop door hen beiden invulling werd gegeven aan het ouderschap. De verhoudingen tussen klager en zijn ex-echtgenote zijn zwaar vertroebeld. De cliënte van verweerster heeft verweerster uitgebreid verteld over haar relatie met klager en de zware tijd die zij met klager heeft gehad, onder meer als gevolg van buien van klager die door haar cliënte als waanideeën worden aangeduid. Daarnaast is sprake van een continue stroom van berichten van klager en zijn advocaat aan verweerster, waarin zij aangeven dat zaken anders moeten, ondanks het hulpverleningstraject waar klager en zijn ex-echtgenote in zitten. Bij de cliënte van verweerster bestond daarnaast onzekerheid over mogelijk vuurwapenbezit van klager en er is bij haar cliënte paniek ontstaan na een bericht van klager over een dreiging op het leven van hem en de kinderen. Verweerster wijst erop dat zij toen heeft geprobeerd met de advocaat van klager in contact te komen, maar dat dat niet is gelukt, waarna zij contact heeft opgenomen met de politie en Veilig Thuis. Verweerster betwist dat zij zaken heeft laten escaleren en dat zij zich te veel zou hebben vereenzelvigd met haar cliënte, omdat zij daarbij steeds in nauw overleg en met instemming van haar cliënte heeft gehandeld. Van een concrete bedreiging van klager en/of haar cliënte is uiteindelijk niets gebleken, maar verweerster meent dat haar pas echt een verwijt gemaakt had kunnen worden als zij geen actie had ondernomen en de kinderen iets was overkomen. Verweerster wijst erop dat de uitlatingen en bewoordingen in de e-mail van 15 november 2023 in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden moeten worden bezien. Verweerster vindt dat de raad deze feiten en omstandigheden onvoldoende bij de beslissing heeft meegewogen.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaven

7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2 In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen en in het bijzonder ook bij het doen van uitlatingen over de wederpartij moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen.

7.3 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof

7.4 De raad heeft aan zijn oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld de e-mail van verweerster van 15 november 2023 ten grondslag gelegd. De raad heeft zich daarbij gebaseerd op de uitlatingen van verweerster in de e-mail en op de (in de e-mail genoemde) melding door verweerster aan Veilig Thuis. Het hof overweegt allereerst dat hoewel verweerster in de e-mail van 15 november 2023 heeft aangekondigd zelf als advocaat een melding bij Veilig Thuis te zullen maken, verweerster dat uiteindelijk niet heeft gedaan. Nadat verweerster telefonisch contact met Veilig Thuis had opgenomen, werd haar meegedeeld dat zij als advocaat geen melding kon doen. Om die reden heeft haar cliënte vervolgens zelf melding gemaakt bij Veilig Thuis. Uit de stukken blijkt dat verweerster dat ter zitting van de raad op 24 juni 2024 ook heeft verklaard. De raad lijkt in zijn overwegingen echter ervan te zijn uitgegaan dat verweerster de melding zelf heeft gedaan. In zoverre kan het hof het oordeel van de raad niet volgen.

7.5 Specifiek ten aanzien van de uitlating in de e-mail over de psychische toestand van klager geldt het volgende. Verweerster heeft in haar beroepschrift erop gewezen dat haar cliënte haar uitgebreid heeft verteld over haar relatie met klager, waarin sprake zou zijn geweest van buien van klager die door haar cliënte als waanideeën worden aangeduid. Dat blijkt ook uit de e-mailcorrespondentie en andere stukken in het dossier die betrekking hebben op een kortgedingprocedure die verweerster in 2023 namens de ex-echtgenote van klager heeft gevoerd. Het hof begrijpt de opmerking over de geestelijke toestand van klager zo dat verweerster daarmee verwees naar deze buien van klager. Hoewel verweerster haar woorden wellicht anders had kunnen kiezen, is het hof van oordeel dat verweerster met haar opmerking over de geestelijke toestand van klager de grenzen van de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van haar cliënte niet heeft overschreden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verweerster steeds in overleg met en met instemming van haar cliënte heeft gehandeld.

7.6 Door de raad is niet geconcretiseerd uit welke andere bewoordingen in de e-mail naar het oordeel van de raad eveneens van onvoldoende distantie van verweerster blijkt. In zoverre is dan ook niet duidelijk op welke bewoordingen de raad doelt. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van verweerster, van oordeel dat de bewoordingen in de e-mail moeten worden bezien tegen de achtergrond van het tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande geschil over de beëindiging van hun relatie en de zorg voor de kinderen. Uit de stukken in het dossier, waaronder de stukken die betrekking hebben op de hiervoor genoemde kortgedingprocedure, blijkt dat de onderlinge verhouding tussen klager en zijn ex-echtgenote al langer slecht is, en ook dat partijen in de onderlinge communicatie aan elkaar gewaagd zijn. Vervolgens maakte klager in oktober 2023 melding van een ernstige fysieke bedreiging van hemzelf en de kinderen, wat zijn ex-echtgenote via de school van de kinderen moest vernemen, en gaf klager aan dat hij zich daardoor op advies van de politie samen met de kinderen tijdelijk moest verschuilen. Dit heeft bij de ex-echtgenote van klager tot paniek geleid. Zij heeft toen contact met verweerster opgenomen en heeft steeds in nauw contact met verweerster gestaan, terwijl verweerster probeerde eerst bij de advocaat van klager en vervolgens bij de politie meer informatie over de verblijfplaats van de kinderen te krijgen. Er is enige tijd overheen gegaan voordat die duidelijkheid kwam. Het hof acht het aannemelijk dat in de tussentijd, mede door de paniek van klaagster, sprake was van een zeer gespannen situatie, zoals verweerster heeft aangegeven. Tegen die achtergrond zijn de door verweerster in de e-mail gekozen bewoordingen naar het oordeel van het hof niet onbetamelijk.

7.7 Het vorenstaande betekent dat de beslissing van de raad om de klachtonderdelen b en c gegrond te verklaren, niet in stand kan blijven. Dat leidt tot de volgende beslissing.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1 vernietigt de beslissing van 18 november 2024  van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-213/AL/NN, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en de klacht deels gegrond is verklaard, verweerster een waarschuwing is opgelegd en verweerster is veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en de proceskosten;

en doet opnieuw recht:

8.2 verklaart de klachtonderdelen b) en c) ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.

 

griffier                                                                         voorzitter            

 

De beslissing is verzonden op 22 december 2025.