Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:269

Zaaknummer

240379

Inhoudsindicatie

Klacht over de eigen advocaat. Bekrachtiging beslissing raad. Het hof stelt, net als de raad, voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Voor het aanvangen van de termijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is niet van belang of klaagster het besef had dat dit handelen mogelijk klachtwaardig zou zijn (vgl. HvD 7 december 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:256). Het gaat om bekendheid met het feitelijke handelen. Hieruit volgt dat de vervaltermijn van drie jaar ten tijde van het indienen van de klacht al was verstreken, zoals de raad ook heeft geoordeeld. Naar het oordeel van het hof zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.

Uitspraak

Beslissing van 22 december 2025

in de zaak 240379

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klaagster

 

tegen:

 

verweerder

 

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een erfrechtkwestie. De klacht van klaagster bestaat uit vier onderdelen. De raad heeft geoordeeld dat klaagster over drie klachtonderdelen te laat heeft geklaagd, waardoor deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het vierde klachtonderdeel is door de raad ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen de beslissing van de raad hoger beroep ingesteld, omdat zij vindt dat zij wel op tijd heeft geklaagd en dat de raad het vierde klachtonderdeel ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de Raad van Discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna steeds: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (met zaaknummer: 24-607/AL/GLD) een beslissing gegeven op 25 november 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a, b en c niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel d is ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:289 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is, met bijlagen, op 23 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerder van 20 februari 2025; een e-mailbericht van klaagster van 24 december 2024.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 27 oktober 2025. Klaagster en verweerder zijn ter zitting verschenen. Klaagster en verweerder hebben hun standpunt beiden toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 In oktober 2017 is verweerder klaagster gaan bijstaan in een lopende erfrechtprocedure. De wederpartij van klaagster, de vereffenaars, zijn hierin bijgestaan door mr. R.

3.3 Op 9 januari 2018 heeft verweerder mr. R. een e-mail gestuurd met daarbij correspondentie tussen hem en klaagster van diezelfde dag. Kort na het versturen van deze e-mail heeft klaagster verweerder gemaild: “HOE HEB JE DIT KUNNEN DOEN??”

3.4 Op 15 januari 2018 hebben klaagster en de vereffenaars een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierna heeft verweerder zijn bijstand aan klaagster beëindigd.

3.5 Op 19 juni 2018 heeft mr. R. aan verweerder bevestigd dat zij de correspondentie tussen klaagster en verweerder, waarvan zij op 9 januari 2018 een kopie had ontvangen, niet met haar cliënten heeft gedeeld.

3.6 Op 27 mei 2019 heeft klaagster verweerder gemaild dat haar via een sociaal advocaat is gebleken dat verweerder haar belang in de erfrechtprocedure niet heeft behartigd zoals dat had gemoeten en dat zij daardoor enorme schade heeft geleden.

3.7 Op 28 mei 2019 heeft verweerder klaagster gemaild dat klaagster zijn openstaande facturen moet betalen en dat hij desgevraagd mr. R. als getuige zal oproepen.

3.8 Op 11 januari 2023 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Op 2 mei 2023 heeft mr. D., een door klaagster ingeschakelde advocaat, bij verweerder geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent de aansprakelijkstelling.

3.9 Op 6 mei 2023 heeft verweerder mr. D. gemaild dat hij de brief van 11 januari 2023 niet als aansprakelijkstelling heeft opgevat, omdat klaagster daarin voorbehouden heeft gemaakt. Ook heeft verweerder in zijn bericht vermeld dat de aansprakelijkstelling niet met bewijs werd onderbouwd en dat hij de brief naar zijn verzekeraar zou sturen.

3.10 Op 8 mei 2023 om 17:24 uur heeft klaagster verweerder gemaild dat zij haar schadeclaim op verweerder op 13 januari 2023 heeft gestuit en dat zij de omvang van haar schade nog moet vaststellen vanwege de nog lopende procedure tegen de wederpartij. Daarop heeft verweerder zijn verzekeraar dezelfde dag geïnformeerd over de aansprakelijkstelling.

3.11 Op 2 oktober 2023 heeft klaagster verweerder gemaild dat zij de deken inschakelt om de naam van de verzekeraar te krijgen als zij niets van verweerder hoort. Bij deze e-mail heeft klaagster een brief met een voorlopige onderbouwing gevoegd. Dezelfde dag heeft verweerder de naam van zijn verzekeraar aan klaagster verstrekt en zijn verzekeraar verzocht de aansprakelijkstelling in behandeling te nemen.

3.12 Op 20 november 2023 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de deken, omdat verweerder de aansprakelijkstelling niet bij zijn verzekeraar zou hebben gemeld. Verweerder heeft de deken telefonisch laten weten dat hij die week contact met klaagster zou opnemen en de deken heeft dit aan klaagster bevestigd.

3.13 Op 21 november 2023 heeft verweerder de deken gemaild dat hij de aansprakelijkstelling van klaagster integraal betwist. Bij deze e-mail heeft verweerder de schademelding en een afschrift van zijn verzekeringspolis gevoegd met het verzoek aan de deken om aan klaagster mee te delen dat de schade aan de verzekeraar is gemeld en hij voldoende dekking op zijn polis heeft.

 

4 KLACHT

De klacht van klaagster houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, door het volgende:

a) verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door te verzuimen een boedelomschrijving op te vragen in de periode oktober 2017 tot februari 2018, waardoor klaagster schade heeft geleden;

b) verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 3 door de correspondentie tussen hem en klaagster op 9 januari 2018 naar de advocaat van de wederpartij te sturen;

c) verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 2 door klaagster onder druk te zetten om akkoord te gaan met de in januari 2018 tot stand gekomen schikking;

d) verweerder heeft de aansprakelijkstelling bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering niet adequaat afgehandeld door de naam van zijn verzekeraar niet aan haar door te geven en door niet door te geven of hij de schadeclaim bij zijn verzekeraar heeft gemeld.

 

5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen a, b en c 

5.1 Over de klachtonderdelen a, b en c heeft de raad het volgende overwogen.

5.2 De raad stelt vast dat klaagster klaagt over een beroepsfout die verweerder volgens haar in de periode oktober 2017 tot februari 2018 heeft gemaakt (klachtonderdeel a), over het doorsturen van e-mails tussen haar en verweerder aan mr. R. op 9 januari 2018 (klachtonderdeel b) en over de gang van zaken rondom de totstandkoming van de schikking met de wederpartij op 15 januari 2018 (klachtonderdeel c). De termijn om hierover te klagen is in oktober 2017 dan wel in januari 2018 gaan lopen en drie jaar later in oktober 2020 dan wel in januari 2021 geëindigd. Door deze drie klachtonderdelen pas op 21 november 2023 bij de deken in te dienen, heeft klaagster dus te laat geklaagd, aldus de raad.

5.3 De raad heeft verder overwogen dat een situatie als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet niet aan de orde is. Die uitzonderingssituatie gaat er immers van uit dat de gevolgen van het handelen of nalaten pas bekend zijn geworden nadat de termijn voor het indienen van een klacht is verstreken, in dit geval oktober 2020 dan wel januari 2021. Volgens de e-mail van 27 mei 2019 van klaagster aan verweerder is klaagster er via een sociaal advocaat achter gekomen dat verweerder haar belang in de erfrechtprocedure niet heeft behartigd zoals dat had gemoeten, waardoor zij schade heeft geleden. Klaagster had op dat moment dus al voldoende informatie om klachtonderdelen a) en c) over de gestelde beroepsfout van verweerder en de gang van zaken rondom de tot stand gekomen schikking te formuleren en uiterlijk een jaar later, op 27 mei 2020, bij de deken in te dienen. De gevolgen van het op 9 januari 2018 doorsturen van correspondentie tussen klaagster en verweerder aan mr. R. (klachtonderdeel b) waren klaagster op dat moment duidelijk, dus zij had hierover uiterlijk een jaar later, op 9 januari 2019, bij de deken moeten kunnen klagen.

Klachtonderdeel d

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d heeft de raad allereerst verwezen naar artikel 6:24 van de Verordening op de advocatuur (Voda), waarin is bepaald dat de advocaat adequaat is verzekerd ter zake van het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid, en het doel van dat artikel.

5.5 De raad heeft vervolgens vooropgesteld dat een advocaat een aansprakelijkstelling moet melden bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, ongeacht of de aansprakelijkstelling al dan niet kansloos is, maar dat dit niet betekent dat een klager een rechtstreekse aanspraak heeft op de verzekeraar. Als een advocaat de aansprakelijkheid afwijst, hoeft hij het een klager niet toe te staan rechtstreeks in contact te treden met zijn verzekeraar (zie Hof van Discipline 15 september 2023, ECL:NL:TAHVD:2023:163).

5.6 De raad heeft vervolgens geoordeeld dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij de aansprakelijkstelling van klaagster heeft afgehandeld. De raad heeft daarover overwogen dat uit de overgelegde e-mails blijkt dat verweerder de aansprakelijkstelling weliswaar niet direct bij zijn verzekeraar heeft gemeld, maar dat hij hier wel binnen een acceptabele termijn inhoudelijk op heeft gereageerd en de aansprakelijkheid heeft betwist. Verweerder heeft de aansprakelijkstelling ook bij zijn verzekeraar gemeld en klaagster daarvan op de hoogte gesteld. Bovendien heeft verweerder de naam van zijn verzekeraar aan klaagster doorgegeven en de aansprakelijkstelling met een afschrift van zijn polis aan de deken gestuurd met het verzoek om aan klaagster mee te delen dat de schade bij de verzekeraar is gemeld en hij voldoende dekking op zijn polis heeft. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de raad voldoende adequaat gehandeld naar aanleiding van de aansprakelijkstelling van klaagster. Klachtonderdeel d) is door de raad dan ook ongegrond verklaard.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

Ten aanzien van de klachtonderdelen a, b en c (r.o. 5.2 beslissing raad)

6.1 Pas met het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juli 2023 heeft klaagster voldoende zekerheid gekregen dat zij nadelige gevolgen heeft ondervonden van het handelen of nalaten van verweerder. Het gaat om het nalaten van verweerder een boedelbeschrijving op te vragen en klaagster vervolgens zonder die boedelbeschrijving in januari 2018 een vaststellingsovereenkomst met de vereffenaars te laten sluiten, terwijl klaagster door het ontbreken van de boedelbeschrijving is misleid ten aanzien van de omvang van de boedel. Klaagster staat nu met lege handen, omdat in het arrest van 18 juli 2023 het volgende is overwogen: “bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst werd appellante bijgestaan door een eigen advocaat. Als advocaat of appellant van mening waren dat geïntimeerden niet rechtsgeldig de vaststellingsovereenkomst hadden kunnen aangaan dan had het op de weg van appellante gelegen om dit vooraf aan geïntimeerden mede te delen en niet achteraf.” Naar de mening van klaagster is daarom sprake van een verschoonbare overschrijding van de termijn waarbinnen zij moest klagen op grond van de uitzonderingssituatie van artikel 46g lid 2 Advocatenwet. Klaagster verwijst in dat verband tevens naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1603).

Ten aanzien van klachtonderdeel d (r.o. 5.7 beslissing raad)

6.2 Klaagster voert aan dat de raad bij de beoordeling van dit klachtonderdeel ten onrechte een vergelijking heeft gemaakt met de uitspraak van het Hof van Discipline van 15 september 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:163), omdat het bij die uitspraak volgens klaagster om een totaal onvergelijkbare zaak gaat.

Verweer verweerder

6.3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Het hof stelt, net als de raad, voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat daarbij om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.

7.2 Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring toch achterwege, indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

Het oordeel van het hof

7.3 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden van klaagster en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klachtonderdelen a, b, c en d te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder nog wel het volgende.

Ten aanzien van de klachtonderdelen a, b en c

7.4  Klaagster heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1603). Klaagster stelt dat uit die uitspraak volgt dat de termijn waarbinnen zij kon klagen pas op 18 juli 2023 is gaan lopen, omdat het haar op basis van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van die datum toen pas duidelijk werd dat zij nadelige gevolgen heeft ondervonden van het handelen dan wel nalaten van verweerder zoals omschreven in de klachtonderdelen a, b en c. Het hof is van oordeel dat deze stelling van klaagster niet opgaat. Het handelen dan wel nalaten dat klaagster aan verweerder verwijt, betreft het niet opvragen van een boedelbeschrijving in de periode oktober 2017 tot februari 2018 (klachtonderdeel a), het doorsturen van e-mails tussen klaagster en verweerder aan mr. R. op 9 januari 2018 (klachtonderdeel b) en de gang van zaken rondom de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst op 15 januari 2018 (klachtonderdeel c). Niet in geschil is dat klaagster toen al kennis had genomen van het handelen en nalaten van verweerder waarop de klachtonderdelen betrekking hebben. Voor het aanvangen van de termijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is niet van belang of klaagster het besef had dat dit handelen mogelijk klachtwaardig zou zijn (vgl. HvD 7 december 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:256). Het gaat om bekendheid met het feitelijke handelen. Hieruit volgt dat de vervaltermijn van drie jaar ten tijde van het indienen van de klacht al was verstreken, zoals de raad ook heeft geoordeeld. Naar het oordeel van het hof zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Het feit dat klaagster zich naar zij stelt pas in juli 2023 realiseerde hoe negatief het handelen en nalaten van verweerder voor haar uitpakte, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid, temeer nu uit de stukken in het dossier ook blijkt dat klaagster al in 2018 en 2019 bij verweerder heeft aangegeven dat zij schade leed als gevolg van verweerders handelen en nalaten, en dat zij daarover een klacht bij de deken wilde indienen. Dat klaagster die klacht toen uiteindelijk niet heeft doorgezet doet aan haar wetenschap niets af.

Ten aanzien van klachtonderdeel d

7.5 Ten aanzien van dit klachtonderdeel overweegt het hof nog specifiek dat waar de raad naar de uitspraak van het hof van 15 september 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:163) heeft verwezen, hij dit, anders dan waarvan klaagster lijkt uit te gaan, niet doet vanwege een naar zijn oordeel aanwezige vergelijkbare feitelijke toedracht in de twee zaken, maar omdat het hof in rechtsoverweging 5.10 van die beslissing heeft geoordeeld dat als een advocaat de aansprakelijkheid afwijst, hij het de klager niet hoeft toe te staan rechtstreeks in contact te treden met zijn verzekeraar. Wat klaagster op dit klachtonderdeel aanvoert, treft dan ook geen doel.

Conclusie

7.6 De conclusie op grond van het voorgaande is dat het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 25 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwaren, gewezen onder nummer 24-607/AL/GLD.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.

 

griffier                                                                                        voorzitter       

      

De beslissing is verzonden op 22 december 2025.