Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:271
Zaaknummer
250446
Inhoudsindicatie
Het hof stelt vast dat de klacht ziet op het onderzoek van de deken in de klacht tegen mr. Van G. Klaagster is niet eens met de aanbiedingsbrief die de deken voor beoordeling van de klacht aan de Raad van Riscipline heeft gezonden. Een klacht tegen een -voormalig- deken is geen middel om de inhoud van de aanbiedingsbrief over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na onderzoek en betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klaagster heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De klacht over mr. van G is inmiddels afgedaan door de Raad van Discipline. Binnen de kaders van die procedure kon klaagster naar voren brengen op welke punten het onderzoek van de deken onjuist of onvolledig was en heeft zij haar klacht nader kunnen toelichten. Dat zij van mening is dat er allerlei manco’s zijn in de tuchtprocedure maakt niet dat zij achteraf kan klagen over de inhoud van de aanbiedingsbrief van de deken. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de -voormalig- deken niet verwijzen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 18 december 2025 in de zaak 250446 naar aanleiding van het verzoek van: klaagster tegen:
verweerster
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 13 december 2025 van klaagster. Hierin verzoekt klaagster aan de voorzitter van het hof een klacht over verweerster te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling, omdat verweerster de (inmiddels voormalig) Deken van de Orde van Advocaten is in het arrondissement Amsterdam. De klacht betreft de rol van verweerster in de klachtzaak van klaagster tegen mr. van G.
1.2 Klaagster heeft aangevoerd dat verweerster niet heeft voldaan aan haar wettelijke taken. Zij heeft geen gedegen klachtonderzoek/vooronderzoek uitgevoerd. Verder heeft verweerster geen toezicht en beoordeling uitgevoerd met betrekking tot het van toepassing zijn van gedragsregel 10. In de tuchtzaak tussen klaagster en mr. van G. heeft verweerster – al dan niet opzettelijk- de rol van verweerder op zich genomen (partijdigheid).
1.3 Deze klacht is bij de Raad van Discipline bekend onder nummer 25-129/A/A. Op 7 april 2025 is de klacht tegen mr. van G kennelijk ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRAMS:2025:62) en het verzet daartegen is ongegrond verklaard op 6 oktober 2025 (ECLI:NL:TADRAMS:2025:180)
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Het hof stelt vast dat de klacht ziet op het onderzoek van verweerster in de klacht van klaagster tegen mr. Van G. Klaagster is niet eens met de aanbiedingsbrief die verweerster voor beoordeling van de klacht aan de Raad van Discipline heeft gezonden. Een klacht tegen een -voormalig- deken is geen middel om de inhoud van de aanbiedingsbrief over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld.
2.3 Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na onderzoek en betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter.
2.4 Klaagster heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De klacht over mr. van G is inmiddels afgedaan door de Raad van Discipline (zie hierboven onder 1.3) Binnen de kaders van die procedure kon klaagster naar voren brengen op welke punten het onderzoek van de deken onjuist of onvolledig was en heeft zij haar klacht nader kunnen toelichten. Dat zij van mening is dat er allerlei manco’s zijn in de tuchtprocedure maakt niet dat zij achteraf kan klagen over de inhoud van de aanbiedingsbrief van verweerster. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de -voormalig- deken niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is gewezen op 18 december 2025 door mr. J. Blokland, voorzitter.
Voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 december 2025.
