Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:262
Zaaknummer
250161W
Inhoudsindicatie
Het wrakingsverzoek is gedaan direct nadat de mondelinge behandeling na beraadslaging was hervat en voordat de behandeld kamer enige beslissing kon meedelen. Gelet daarop is het wrakingsverzoek voorbarig en mist wrakingsgrond 1 feitelijke grondslag. Daarbij is een beslissing over de vraag of stukken in behandeling kunnen worden genomen en aan het dossier kunnen worden toegevoegd een procesbeslissing. Op grond van vaste rechtspraak kan een onwelgevallige (processuele) beslissing van het hof geen grond vormen voor wraking. In dit geval is er echter geen sprake van een beslissing. Voor zover is bedoeld te stellen dat de behandelend kamer reeds door het aan de orde stellen van de toelaatbaarheid van de stukken blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, is daarvan naar het oordeel van het hof niet gebleken. Verder heeft de voorzitter niet ontkend dat de gemachtigde van verzoekster e-mailberichten in kopie heeft ontvangen die namens de voorzitter door de griffie van het hof aan de verwerende advocaat in de hoofdzaak waren gestuurd. Ook wrakingsgrond 2 mist daarmee feitelijke grondslag.
Uitspraak
Beslissing van 19 december 2025
in de zaak 250161W
naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:
[verzoekster]
gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink
verzoekster
tegen:
leden van het hof van discipline
verweerders
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 7 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (met zaaknummer 24-819/AL/GLD).
1.2 In deze beslissing is de klacht van klaagster over […], de verwerend advocaat in de hoofdzaak, ongegrond verklaard.
1.3 De beslissing van de raad is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:91 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.
1.4 Verzoekster heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is bij het hof in behandeling onder zaaknummer 250161.
1.5 Het hoger beroep is mondeling behandeld op 10 november 2025. De gemachtigde van verzoekster heeft tijdens die behandeling een wrakingsverzoek ingediend tegen verweerders. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.6 Verweerders hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Zij hebben op 24 november 2025 een verweerschrift ingediend.
1.7 Het wrakingsdossier van het hof bevat de volgende stukken:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025;
- het verweerschrift van verweerders van 24 november 2025;
- de repliek van klaagster, met bijlagen, van 1 december 2025;
- een e-mailbericht van verweerders van 3 december 2025, waarin zij hebben aangegeven geen behoefte te hebben te reageren op de repliek van klaagster.
1.8 Het hof heeft het wrakingsverzoek op basis van de stukken in raadkamer behandeld.
2 BEOORDELING
Wrakingsgronden
2.1 Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 november 2025 blijkt dat de gemachtigde van verzoekster het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd:
“In de e-mail van de griffier van 10 oktober 2025 (16.55) staat vermeld: “Naar aanleiding van uw onderstaande e-mail van 9 oktober 2025 in bovengenoemde zaak bericht ik u namens de voorzitter het volgende.
Het hof beschouwt deze stukken als aanvullende bewijsstukken. T er zitting krijgt u desgewenst, de gelegenheid om op deze stukken te reageren.”
Op 13 oktober 2025 (7.47) is vervolgens ten tweede bericht aan verweerster verzonden. Hierin staat vermeldt:
“In antwoord op uw mail van 10 oktober 2025 bericht ik u namens de voorzitter dat ook daarvoor geldt dat u daar op de zitting op mag reageren”
Met de berichten in deze e-mails is onherroepelijk beslist dat de brief van klaagster van 8 oktober 2025 en de bijlagen worden aangemerkt als aanvullende bewijsstukken conform artikel 3 en 4 van het procesreglement. De wrakingsgronden zijn:
1. Dat het hof op die onherroepelijke beslissing wil terugkomen kan niet. Daar voorziet het procesreglement niet in.
2. Doordat door de voorzitter wordt ontkend dat gemachtigde die berichten heeft gekregen. Door 1 en 2 wordt de schijn van partijdigheid van de behandelende kamer gewekt.”
Aanvullend heeft de gemachtigde van verzoekster desgevraagd nog meegedeeld dat het wrakingsverzoek is gericht tegen alle leden van de behandelend kamer van het hof.
Verweer
In het verweerschrift hebben verweerders in reactie op het wrakingsverzoek het volgende naar voren gebracht:“Ter zitting is ter sprake gebracht dat door de gemachtigde van [verzoekster] aanvullende stukken waren toegestuurd. Geconstateerd is dat deze zending tijdig was. Het hof heeft aan de orde gesteld dat het procesreglement ten aanzien van de nader toegestuurde stukken meer vereisten bevat dan slechts het tijdige toezenden, zoals voorwaarden ten aanzien van de omvang en toegankelijkheid van die stukken. De gemachtigde is gevraagd wat hij in dit kader wilde aanvoeren. De gemachtigde reageerde dat dit een gepasseerd station was omdat de stukken al zouden zijn toegelaten en aan het dossier toegevoegd. Het hof heeft zich vervolgens voor beraadslaging in raadkamer teruggetrokken. Bij de hervatting van de zitting werd het hof – voordat het hof een oordeel had gegeven over de vraag of de stukken zouden worden toegelaten – gewraakt.
Het al dan niet toelaten van stukken respectievelijk het al dan niet terugkomen op een, al dan niet onherroepelijke, beslissing betreft een procedurele beslissing en zo’n beslissing kan geen grond zijn voor wraking. Dat geldt te meer voor de zich hier voordoende situatie, namelijk dat het wrakingsverzoek al werd ingediend op grond van het enkele feit dat het hof had aangegeven een procedurele beslissing te zullen nemen. Wrakingsgrond 1 kan dan ook geen doel treffen.
Wrakingsgrond 2 mist feitelijke juistheid. Door de voorzitter is niet ontkend dat de gemachtigde berichten had ontvangen. Zij heeft slechts opgemerkt dat datgene wat de gemachtigde citeerde als de inhoud van de door hem ontvangen berichten niet een juiste weergave van die berichten was. Wrakingsgrond 2 kan dan ook evenmin slagen.”
Toetsingskader
2.3 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), welke van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164). Dit uitgangspunt geldt ook voor een advocaat-lid van het hof (vgl. HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87).
2.4 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van de verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van een verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
2.5 Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door het hof gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
Het oordeel van de wrakingskamer
2.6 Het hof begrijpt dat het wrakingsverzoek is ingediend naar aanleiding van de schorsing door de behandelend kamer van de mondelinge behandeling op 10 november 2025, voor beraadslaging over de vraag of de brief met bijlagen die de gemachtigde van verzoekster op 8 oktober 2025 per e-mail aan het hof heeft toegezonden aan het dossier van de hoofdzaak kon worden toegevoegd, gelet op de voorwaarden die te dien aanzien uit het procesreglement van het hof volgen. Het standpunt van de gemachtigde van verzoekster is dat het hof al had beslist dat deze stukken aan het dossier worden toegevoegd. De gemachtigde van verzoekster verwijst daarvoor naar de e-mails die op 10 en 13 oktober 2025 namens de voorzitter door de griffie van het hof aan de verwerende advocaat in de hoofdzaak zijn gestuurd, waarvan de gemachtigde van verzoekster een kopie heeft ontvangen.
2.7 Het hof is van oordeel dat het wrakingsverzoek voorbarig is. Het gaat er immers vanuit dat het hof wil terugkomen op de in de e-mails van 10 en 13 oktober 2025 gedane mededelingen dat het hof de stukken beschouwt als aanvullende bewijsstukken, wat door de gemachtigde van verzoekster is opgevat als een onherroepelijke beslissing dat deze stukken aan het dossier in de hoofdzaak zouden worden toegevoegd. Nog los van de vraag of de inhoud van die e-mails als een onherroepelijke beslissing op dat punt kan worden aangemerkt, is de behandelend kamer daar ter zitting niet op teruggekomen. De gemachtigde van verzoekster heeft het wrakingsverzoek immers ingediend direct nadat de voorzitter de mondelinge behandeling had hervat en voordat de behandeld kamer enige beslissing ten aanzien van de stukken en die e-mails kon meedelen. In zoverre mist wrakingsgrond 1 dan ook feitelijke grondslag.
2.8 Daarbij overweegt het hof dat een beslissing over de vraag of stukken in behandeling kunnen worden genomen en aan het dossier kunnen worden toegevoegd, een procesbeslissing is. Op grond van vaste rechtspraak kan een onwelgevallige (processuele) beslissing van het hof geen grond vormen voor wraking. Wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel om op te komen tegen een beslissing waarmee een verzoeker het niet eens is en evenmin om op te komen tegen een beslissing die onjuist is. Over de vraag of een dergelijke procesbeslissing inhoudelijk al dan niet juist is, komt de wrakingskamer dan ook geen oordeel toe. Dit is alleen anders als de motivering van de beslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen, niet anders kan worden begrepen dan als een blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Beslissend is dan of de twijfel van een verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd. In dit geval is er echter geen sprake van een beslissing, zoals hiervoor is overwogen. Voor zover de gemachtigde van verzoekster heeft bedoeld te stellen dat de behandelend kamer reeds door het aan de orde stellen van de toelaatbaarheid van de stukken blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, is daarvan naar het oordeel van het hof niet gebleken.
2.9 Het hof overweegt in dat verband verder nog dat de voorzitter niet heeft ontkend dat de gemachtigde van verzoekster de e-mailberichten van 10 en 13 oktober 2025 heeft ontvangen. De voorzitter heeft alleen opgemerkt dat wat de gemachtigde van verzoekster over de inhoud van die berichten meedeelde niet juist was, omdat het in de betreffende berichten anders was geformuleerd, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal. Anders dan wat de gemachtigde meedeelde, staat daarin immers niet dat de stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Van een stellingname door de voorzitter die niet op een lijn met de waarheid ligt, zoals de gemachtigde van verzoekster in repliek heeft aangegeven, is dan ook geen sprake. Ook wrakingsgrond 2 mist daarmee feitelijke grondslag.
2.10 Op grond van wat hiervoor staat is het wrakingsverzoek ongegrond.
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 10 november 2025 van verzoekster ongegrond.
3.2 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 19 december 2025.
