Rechtspraak
Uitspraakdatum
15-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:274
Zaaknummer
25-743/AL/OV
Inhoudsindicatie
Klagers, opa en vader van de kinderen, beklagen zich over de advocaat van de ex-vrouw van de vader over de omgangsregeling met de (klein)kinderen. Opa is deels kennelijk niet-ontvankelijk. Verweerster mocht afgaan op de van haar cliënte verkregen informatie zonder nader onderzoek. Verweerster heeft in dat kader onweersproken gesteld dat zij beschikt over bewijs ter onderbouwing van haar standpunten. Alhoewel de voorzitter begrijpt dat sommige opmerkingen in de e-mail van verweerster van 29 november 2024 door klagers als pijnlijk of onjuist zijn ervaren, is dat alleen onvoldoende om verweerster daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2025 in de zaak 25-743/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:
[klager 1]
[klager 2]
samen ook: klagers
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 29 oktober 2025 met kenmerk 2471398.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager 1 en mevrouw R zijn voormalig echtelieden en de ouders van drie kinderen. Klager 2 en zijn vrouw zijn de grootouders van vaderszijde.
1.2 Verweerster heeft mevrouw R bijgestaan in de echtscheidingsprocedure in 2018 en in 2024 bij het geschil met klager over de zorg- en contactregeling in 2024.
1.3 Op 29 november 2024 heeft verweerster in een e-mail aan klager 2 en diens vrouw, in cc aan klager 1 gestuurd, onder meer geschreven: Tot mij heeft zich gewend, [naam cliënte], u bekend. Zij overhandigde mij uw e-mailberichten van afgelopen maandag en eergisteren. De reden voor mijn bemoeienis is het feit dat u in het e-mailbericht van afgelopen maandag heeft geschreven juridische bijstand te willen inschakelen. Voor dat geval kunt u aan uw advocaat doorgeven dat ik cliënte bijsta. (…) Cliënte heeft de zorg- en contactregeling tussen uw kleinkinderen en hun vader, uw zoon [klager 1], opgeschort, omdat uw kleinkinderen bang zijn voor hun vader wanneer hij onder invloed is van drank en/of drugs. Uw kleinkinderen zijn dol op hun vader en missen hem nu ook, maar zoals hij nu is willen zij geen contact met hem. De afgelopen periode is hun vader wanneer de kinderen bij hem waren, het merendeel van de tijd onder invloed geweest. (…) De kinderen maken zich grote zorgen om hun vader en vinden het gek dat u als de ouders van hun vader dat niet doet. Wanneer u de zorgen van uw kleinkinderen serieus zou nemen dan zou het mogelijk worden om samen een verschil te maken voor uw zoon. Dan zou u samen kunnen optrekken en hem kunnen helpen zijn verslaving (opnieuw) onder controle te krijgen. Als hun vader zo doorgaat, dan zal dit grote consequenties hebben voor zijn gezondheid en de duur van zijn leven. Daar maken de kinderen zich druk om en het verbaast hun dat u dat niet doet. Daarnaast voelen zij zich gekwetst dat u hen niet geloofd en hun niet steunt. Dát is de reden dat het contact nu is bekoeld. (…) Tot slot merk ik nog op dat in uw situatie er voor grootouders geen enkele wettige basis is om in rechte een omgangsregeling met kleinkinderen af te dwingen. (…)
1.4 Op 24 februari 2025, aangevuld op 4 maart 2025, hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zich zonder wettig bewijs onnodig grievend uit te laten over klagers in haar e-mail van 29 november 2024; Toelichting: Verweerster insinueert in genoemde e-mail aan klagers dat klager 1 dagelijks onder invloed is van alcohol of drugs. Dat zijn lasterlijke aannames. Klager 1 is werkzaam als uitvoerder bij een nieuwbouwproject en zou dat niet kunnen doen als hij onder invloed zou zijn. Ook grievend is de opmerking dat klager 2 en zijn vrouw niet op de hoogte zouden zijn van de nieuwe rechten van grootouders. Zij hebben wel degelijk een wettig basis om een procedure te beginnen, maar hebben dat op advies van Veilig Thuis tot dusver niet gedaan;
b) feitelijke informatie te verstrekken, waarvan verweerster wist, dan wel kon weten, dat die onjuist is; Toelichting: In haar e-mail van 29 november 2024 heeft verweerster geschreven dat klagers de klachten van de kinderen over hun vader (klager 1) niet serieus namen. Volgens klager 2 en zijn vrouw waren zij van die klachten van hun kleinkinderen helemaal niet op de hoogte. Was dat wel het geval geweest en als die klachten terecht waren geweest, dan hadden zij zich als grootouders zeker zorgen over hun kleinkinderen gemaakt. Ook schrijft verweerster in genoemde e-mail dat de kinderen zich gekwetst voelden omdat klager 2 en zijn vrouw hen niet geloofden en niet steunden en dat dat de reden was voor hun bekoelde relatie. Volgens klager 2 is dit niet juist omdat zijn vrouw en hij geen contact met hun kleinkinderen konden of mochten hebben;
c) te verzuimen haar cliënte erop te wijzen dat zij niet kan beslissen tot het weghouden van bij klager 1, maar dat alleen een rechter daarover kan beslissen.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klagers
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Volgens verweerster zijn klagers niet-ontvankelijk in hun klachten. Klager 1 is niet ontvankelijk omdat uit de inhoud van de klacht blijkt dat alleen klager 2 over haar klaagt in zijn hoedanigheid van grootvader van de kleinkinderen. Niet duidelijk is geworden welk belang klager 1 bij de klacht heeft en wat zijn standpunt is over haar e mail van 29 november 2024. Klager 2 is volgens verweerster niet-ontvankelijk omdat hij geen partij is in het geschil tussen de ouders over de omgang. Nergens is vastgelegd dat klager 2 en zijn vrouw als grootouders recht hebben op omgang met hun kleinkinderen. De grootouders hebben daartoe ook geen procedure aanhangig gemaakt en kunnen dat op basis van de wet ook niet afdwingen. Nadat klager 2 en zijn vrouw zich met het geschil tussen de ouders zijn gaan bemoeien, heeft verweerster op verzoek van haar cliënte de e-mail van 29 november 2024 gestuurd om hen als grootouders te informeren en verdere escalaties te voorkomen. Volgens verweerster is klager 2 niet door haar optreden in zijn belang getroffen.
4.3 Beide klagers worden ontvangen in klachtonderdelen a) en b) omdat beide klagers daarbij naar het oordeel van de voorzitter een eigen rechtstreeks belang hebben voor zover het verwijt hunzelf aangaat. Verweerster heeft de e-mail van 29 november 2024 aan klager 2 en in cc aan klager 1 gestuurd. Alhoewel die e-mail inhoudelijk was bedoeld voor klager 2, heeft klager 1 daarvan ook kennis genomen doordat verweerster bewust deze e-mail ook aan klager 1 heeft gezonden en kunnen ook zijn belangen daarmee zijn geschaad.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c) is de voorzitter van oordeel dat klagers daarin kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Dat gaat over de advisering van verweerster aan haar cliënte. Daarover kan alleen de cliënte zelf klagen. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van klachtonderdelen a) en b)
4.5 Allereerst stelt de voorzitter vast dat het gaat om het handelen van verweerster die als advocaat van de wederpartij van klager 1 optrad in een familierechtelijk geschil waarbij klager 2 als derde - in zijn hoedanigheid van grootouder – feitelijk in enige mate betrokken is geraakt.
4.6 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt in dat geval aan de advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij en (voor zover hier van belang) een betrokken derde, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij en (voor zover hier van belang) een betrokken derde onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
4.7 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster niet de grenzen van de haar toekomende vrijheid overtreden zoals hiervoor in 4.6 beschreven. Verweerster heeft als partijdige belangenbehartiger gehandeld in opdracht van haar cliënte en heeft daarbij oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van de kinderen. Verweerster mocht hierbij afgaan op de van haar cliënte verkregen informatie zonder nader onderzoek. Zij heeft in dat kader onweersproken gesteld dat zij beschikt over bewijs ter onderbouwing van haar standpunten. Alhoewel de voorzitter begrijpt dat sommige opmerkingen in de e mail van verweerster van 29 november 2024 door klagers als pijnlijk of onjuist zijn ervaren, is dat alleen onvoldoende om verweerster daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Klager 1 heeft ook niet concreet onderbouwd waarom de over hem door verweerster in haar e-mail van 29 november 2024 gedane uitlatingen onjuist en onnodig grievend zijn geweest. Klager 2 is geen partij in het geschil van klager 1 over de contact en omgangsregeling met zijn kinderen. Uit de stukken is ook niet gebleken dat klager 2 inmiddels de aangekondigde (wettelijk mogelijke) procedure over omgang met de kleinkinderen is gestart en daardoor de wederpartij van de cliënte van verweerster is geworden.
4.8 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld of anderszins met haar handelen de belangen van klager 1 en/of klager 2 onevenredig of onnodig zonder doel heeft geschaad. Dit betekent dat de voorzitter de klachtonderdelen a) en b) kennelijk ongegrond zal verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond; klagers, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel c).
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 15 december 2025
