Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:266

Zaaknummer

250299

Inhoudsindicatie

Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat. Daarbij hoort ook dat de deken in het algemeen niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door klager gewenste procedure te voeren. De door de (waarnemend) deken in de aanwijzingsbeslissing gestelde voorwaarde, inhoudende dat in eerste instantie enkel advies hoefde te worden uitgebracht over de juridische haalbaarheid van de zaak en dat verdere (proces)bijstand (alleen) hoefde te worden verleend als de aangewezen advocaat de zaak juridisch haalbaar zou achten, is naar het oordeel van het hof objectief gerechtvaardigd en niet in strijd met de wet.

Uitspraak

Beslissing van 19 december 2025

in de zaak 250299

 

naar aanleiding van het verzet

tegen de beslissing van de voorzitter van het hof

van 18 september 2025 over de klacht van:

 

klaagster

tegen:

 

verweerster

 

 

1 DE PROCEDURE

1.1 Met de beslissing van 18 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht van klaagster over verweerster afgewezen.

Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:176 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter is op 23 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast:

een e-mail van klaagster van 24 september 2025; een e-mail van klaagster van 3 oktober 2025, met bijlagen; het verweerschrift van de deken, met bijlagen; de repliek van klaagster.

1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.

 

2 HET VERZET

De gronden van verzet

2.1 Klaagster heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat het hof het verwijzingsverzoek op onjuiste gronden heeft afgewezen. Klaagster kan zich niet vinden in het oordeel van de voorzitter dat van een duidelijke, concreet onderbouwde klacht over verweerster geen sprake is, en dat verweerster met het aanwijzen van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet heeft gehandeld overeenkomstig haar wettelijke verplichting.

2.2 Klaagster wijst er allereerst op dat niet verweerster, maar de waarnemend deken bij besluit van 4 augustus 2025 een advocaat voor klaagster heeft aangewezen. Volgens klaagster heeft de voorzitter de brief van 4 augustus 2025 waarin dit besluit van de waarnemend deken is opgenomen niet bij de beslissing van 18 september 2025 betrokken. Klaagster stelt dat uit deze brief blijkt dat de waarnemend deken in strijd met de aanwijzingsplicht van artikel 13 Advocatenwet heeft gehandeld, door in de brief over de gang van zaken op te nemen dat de aangewezen advocaat klaagster eerst zal adviseren over - kort gezegd - de mogelijkheden van de door klaagster gewenste procedure en dat de advocaat pas bijstand zal verlenen “indien zij adviseert hierover een procedure te starten.” Dit is volgens klaagster een schending van haar recht op juridische bijstand en een onterechte belemmering van de rechtsgang. Klaagster concludeert dat haar klacht aldus wel degelijk betrekking heeft op een concrete en onderbouwde schending van de wettelijke verplichting van de deken in de aanwijzingsprocedure.

Het verweer

2.3 Verweerster wijst erop dat juist is dat niet zij, maar de waarnemend deken het aanwijzingsbesluit van 4 augustus 2025 heeft genomen en de waarnemend deken daartoe ook bevoegd is, maar dat klaagster haar klacht tegen verweerster heeft gericht. Verweerster heeft tegen het verzet vervolgens het volgende aangevoerd. Verweerster heeft allereerst opgemerkt dat niet is gebleken dat de voorzitter de brief van de waarnemend deken van 4 augustus 2025 niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Verder heeft verweerster erop gewezen dat een advocaat die op grond van artikel 13 Advocatenwet is aangewezen niet verplicht is een procedure te starten, aangezien dat in strijd zou zijn met de onafhankelijkheid die een advocaat bij de behandeling van een zaak heeft. Verweerster heeft uitgelegd dat dat de reden is (behalve bij zaken waarin al een procedure aanhangig is) dat aan de advocaat wordt meegedeeld dat deze wordt aangewezen om eerst een procesadvies uit te brengen en, in het geval van een positief advies, de cliënt vervolgens bij te staan in de betreffende procedure. Hieruit volgt, aldus verweerster, dat een negatief advies van de aangewezen advocaat niet betekent dat de rechtsgang wordt belemmerd. Verweerster concludeert dan ook tot ongegrondverklaring van het verzet.

 

3 BEOORDELING

Verzet mogelijk?

3.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf

3.2 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Het oordeel van het hof

3.3 Het hof stelt voorop dat klaagster de klacht waarop de voorzittersbeslissing van 18 september 2025 betrekking heeft, onder andere heeft gericht tegen verweerster. Verweerster is dan ook klaagsters wederpartij. Dat het aanwijzingsbesluit van 4 augustus 2025 door de waarnemend deken is genomen, maakt dat niet anders. Een besluit van de waarnemend deken geldt namelijk als een besluit namens de deken zelf. De brief waarin het besluit van 4 augustus 2025 is opgenomen, bevindt zich bij de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. In de beslissing van 18 september 2025 heeft de voorzitter ook naar dit besluit verwezen. De voorzitter heeft deze brief dan ook bij de beslissing van 18 september 2025 betrokken.

3.4 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Klaagster heeft in haar e-mail van 25 augustus 2025 formele klachten over verweerster en mr. K aan het hof voorgelegd. In deze e-mail verwijt zij mr. K geen objectieve beoordeling te hebben gedaan van haar zaak. In deze e-mail is daarbij niet duidelijk noch onderbouwd wat zij verweerster precies verwijt. De nadere toelichting die klaagster in verzet op de klacht heeft gegeven, kan niet tot een ander oordeel leiden. Los van de omstandigheid dat deze toelichting tardief is, aangezien het op de weg van klaagster lag haar klacht over verweerster gelijk bij het indienen van de klacht voldoende duidelijk en concreet te onderbouwen, overweegt het hof daarover het volgende. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat. Daarbij hoort ook dat de deken in het algemeen niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door klager gewenste procedure te voeren. De aan te wijzen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. Van een aangewezen advocaat kan namelijk niet worden verlangd dat hij een cliënt bijstaat in een zaak die hij in gemoede niet rechtvaardig acht (zie in dit verband de advocateneed/belofte van artikel 3 lid 2 van de Advocatenwet). Anders gezegd: een advocaat kan niet gedwongen worden een zaak aan te nemen die hij niet kansrijk acht (vgl. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87). De door de (waarnemend) deken in de aanwijzingsbeslissing gestelde voorwaarde, inhoudende dat in eerste instantie enkel advies hoefde te worden uitgebracht over de juridische haalbaarheid van de zaak en dat verdere (proces)bijstand (alleen) hoefde te worden verleend als de aangewezen advocaat de zaak juridisch haalbaar zou achten, is naar het oordeel van het hof gelet op het uiteengezette kader objectief gerechtvaardigd en niet in strijd met de wet (zie ook ECLI:NL:TAHVD:2025:220).

3.5 De conclusie is dan ook dat de verzetsgronden van klaagster falen.

 

4 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

verklaart het verzet ongegrond.

 

Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

 

 

griffier                                                                   voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 19 december 2025 .