Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:265

Zaaknummer

250196H

Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek stuit af op artikel 1.3 van het herzieningsprotocol. Verzoeker is geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van 19 december 2025

in de zaak 250196H

 

naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:

 

verzoeker

 

 

1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 11 september 2024 van de voorzitter van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Den Haag. De voorzitter heeft met die beslissing (met zaaknummer: 24-521/DH/RO) de klacht van verzoeker tegen de advocaat van de wederpartij in een civiele kwestie, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard.                                                                               

Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:158 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Verzoeker heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. De raad heeft bij beslissing van 22 april 2025 het verzet van verzoeker ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:78 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

 

1.3 Verzoeker heeft tegen de beslissing op verzet hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het hof heeft het hoger beroep van verzoeker bij beslissing van 19 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend en verzoeker geen gronden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat de overschrijding van de termijn waarbinnen hoger beroep kon worden ingesteld, verschoonbaar is. Aan een beoordeling van de vraag of het appelverbod kon worden doorbroken is het hof daarom niet toegekomen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:178 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

 

 

2 HET VERZOEK TOT HERZIENING

2.1 Verzoeker heeft op 29 september 2025 om herziening van de beslissing van het hof verzocht. Verder bevat het herzieningsdossier:

het verweerschrift van verweerder (de verwerend advocaat in de hoofdzaak); de repliek van verzoeker; de dupliek van verweerder.

2.2 Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld op grond van artikel 4 lid 2 van het herzieningsprotocol.

 

3 BEOORDELING

3.1 Tegen een beslissing van het hof is in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof een zodanig verzoek niet in behandeling.

3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol van het hof, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen. Er moet dan sprake zijn van de uitzonderingen die in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol zijn opgenomen. Van zo’n uitzondering kan sprake zijn als:

a) feiten of omstandigheden aan het licht komen die:

(i) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, en

(ii) bij de verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die

(iii) het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat het hof tot een andere beslissing zou zijn gekomen als deze vóór de uitspraak bij het hof bekend zouden zijn geweest.

Aan alle drie deze vereisten moet zijn voldaan.

b) in de procedure bij het hof geen sprake is geweest van een eerlijk proces doordat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Voor de ontvankelijkheid van verzoeker in het herzieningsverzoek op grond van deze onder b genoemde grond volstaat dat een beroep wordt gedaan op schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het beroep daarop ook slaagt. Indien geen sprake is geweest van zodanige schending wordt het beroep op die grond verworpen. Aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt dan niet toegekomen. In het andere geval volgt een herbeoordeling.

3.3 Op deze uitzonderingen kan volgens artikel 1.3 van het herzieningsprotocol alleen een beroep worden gedaan door de advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd als bedoeld in artikel 48 lid 1 Advocatenwet.

Het herzieningsverzoek van klager

3.4 Verzoeker heeft zijn herzieningsverzoek uitgebreid toegelicht. Het hof heeft van die toelichting kennisgenomen. Hieronder zet het hof kort uiteen wat verzoeker aanvoert. Daarbij houdt het hof de nummering uit verzoekers toelichting aan:

1. Verzoeker stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het hof aanleiding zouden moeten geven tot afwijking van de procedurele uitgangspunten die in het herzieningsprotocol zijn opgenomen. Verzoeker voert aan dat zijn tuchtklacht een abnormale rechtsgang heeft doorlopen. Hij stelt dat zijn tuchtklacht door de raad ten onrechte met een voorzittersbeslissing is afgedaan, en dat al zijn pogingen om deze fout daarna te herstellen, door het instellen van rechtsmiddelen en het doen van wrakingsverzoeken, zijn mislukt door een opeenstapeling van dubieuze beslissingen in zijn tuchtzaak. Volgens verzoeker heeft de tuchtrechter zijn recht op toegang tot de rechter en zijn recht op onpartijdigheid daarmee geschaad. Verder vraagt verzoeker het hof specifiek aan te geven waarom zijn e-mail van 25 augustus 2025 in het hoger beroep door het hof kennelijk buiten beschouwing is gelaten, omdat deze e-mail niet onder punt 1.3 van de beslissing van 19 september 2025 is vermeld. Verzoeker wil weten of dit een administratieve fout is, of dat het bewust is gedaan, en welke consequenties het hof hieraan verbindt.

2. Het gevolg van de beslissing van de raad om zijn tuchtklacht met een voorzittersbeslissing af te doen, is volgens verzoeker dat er onvoldoende scherp naar zijn klacht is gekeken, waardoor bepalende details over het hoofd zijn gezien. Verzoeker merkt op dat hij daar in het traject na de voorzittersbeslissing van 11 september 2024, in verzet en hoger beroep en bij de wrakingsverzoeken, steeds op heeft gewezen, maar dat de rechters daaraan voorbij zijn gegaan. Ook dat levert naar verzoeker stelt schending op van zijn recht op toegang tot de rechter en van zijn recht op onpartijdigheid. Verzoeker stelt dat sprake is van een reeks van handelingen en tekortkomingen die ieder afzonderlijk en in het geheel zijn recht op een eerlijk proces schaden. Verzoeker wil dit tevens aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorleggen.

3. Onder punt 3 kondigt verzoeker een nieuwe tuchtklacht aan.

4. Verzoeker wijst erop dat zijn hoger beroep gericht was tegen de voorzitter van de raad die de beslissing van 11 september 2024 heeft genomen, en tegen de plaatsvervangend voorzitter van de raad die de beslissing op verzet heeft genomen. Volgens verzoeker hebben de (tucht)rechters zichzelf tot procespartij gemaakt door beslissingen in strijd met het fair trial beginsel te nemen. Verzoeker stelt dat het hof in de beslissing van 19 september 2025 de wederpartij in hoger beroep ten onrechte heeft gewijzigd naar verweerder en diens gemachtigde, omdat verzoeker zelf bepaalt tegen wie hij hoger beroep instelt en niet de rechter, en de rechter onpartijdig aan de partijen in het geding is gebonden. Door desondanks de wederpartij te wijzigen, heeft het hof volgens verzoeker het beginsel van onpartijdigheid en van een eerlijk proces geschaad. Bovendien heeft het hof daarmee, naar verzoeker stelt, een beslissing genomen over een ander proces dan waar het in deze zaak om gaat, waardoor er volgens verzoeker in feite nog niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.

5. Verzoeker stelt dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep tegen de beslissing op verzet verschoonbaar was, omdat hij door het ontbreken van toegankelijke informatie over - kort gezegd - de werking van het tuchtrecht genoodzaakt was meerdere deskundigen te raadplegen. Daarnaast stelt verzoeker dat op basis van de correspondentie vanuit het hof bij hem ook het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zijn hoger beroep daadwerkelijk in behandeling zou worden genomen, met verschoning van de termijnoverschrijding. Met de beslissing van 19 september 2025 heeft het hof dat vertrouwen geschonden, wat volgens klager ook tot schending van het fair trial beginsel leidt.

6. Verzoeker wijst erop dat zijn e-mail van 10 juni 2025, waarmee hij zijn hoger beroep in de hoofdzaak heeft aangevuld, door het hof in de beslissing waarvan herziening wordt verzocht is genegeerd. In die e-mail heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het voorzitterschap van mr. [naam voorzitter] in het hoger beroep, naar aanleiding van de wrakingsbeslissing van het hof van 6 juni 2025 in de zaak met nummer 250132, eveneens onder voorzitterschap van mr. [naam voorzitter]. Verzoeker vraagt om een verklaring, omdat het buiten beschouwing laten van deze e-mail er volgens verzoeker toe leidt dat het schaden van de onpartijdigheid door de voorzitter van de raad opnieuw en definitief buiten beeld blijft, en dat levert volgens klager schending van het fair trial beginsel op. 

7. Het hof begrijpt uit wat verzoeker onder dit nummer samenvattend heeft aangevoerd, dat verzoeker zijn herzieningsverzoek doet met als uiteindelijk doel een ‘normale’ inhoudelijke behandeling van zijn tuchtklacht en herstel van wat verzoeker de beginfout noemt, namelijk de voorzittersbeslissing van de raad van 11 september 2024.

3.5 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker in het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Beoordeling van het herzieningsverzoek

3.6 Artikel 1.3 van het herzieningsprotocol biedt alleen aan de advocaat aan wie een maatregel is opgelegd de mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen. Verzoeker is dat niet. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn ook geen reden om van het herzieningsprotocol af te wijken.

3.7 De conclusie is dan ook dat het herzieningsverzoek van klager afstuit op artikel 1.3 van het herzieningsprotocol, Het herzieningsverzoek is niet-ontvankelijk.

 

4 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn herzieningsverzoek.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

                                      

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 19 december 2025 .