Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:277

Zaaknummer

25-331/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. De raad heeft een klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 15 december 2025

in de zaak 25-331/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 22 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 16 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24/100 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van klager van 4 juni 2025 en 21 augustus 2025.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 X. (hierna:X.) is lid geweest van de [politieke partij] (politieke partij) van [datum]. C. heeft zich op 29 oktober 2019 gewend tot de [politieke partij] met een klacht over ongewenst gedrag van een partijlid. Naar aanleiding van die klacht heeft de [politieke partij] een onderzoek in laten stellen. De conclusie van dat onderzoek was dat de verweten ongewenste gedragingen niet aannemelijk zijn. X stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

2.2 Klager beheert een website waarop hij berichten plaatst over onder meer bovenstaande kwestie. X heeft klager in kortgeding gedagvaard om bepaalde uitlatingen te verwijderen, omdat deze in haar optiek beledigend en onrechtmatig zijn. In deze procedure is X bijgestaan door verweerder.

2.3 In een vonnis van 25 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) geoordeeld dat klager bepaalde uitlatingen over X dient te verwijderen en verwijderd te houden. Ook heeft de rechtbank aan klager een verbod opgelegd om zich beledigend uit te laten over het uiterlijk van X en/of haar psychische gesteldheid. De rechtbank heeft aan de overtreding van voornoemde verboden een dwangsom van € 500,- met een maximum van € 25.000,- verbonden.

2.4 Op 25 augustus 2023 heeft verweerder aan klager de volgende e-mail gestuurd:

Bijgaand zend ik u het vonnis d.d. heden in kort geding gewezen; zie bijlage. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud daarvan. Het vonnis zal via een deurwaarder aan u worden betekend met bevel te voldoen aan hetgeen (uitvoerbaar bij voorraad) werd toegewezen. Vooruitlopend op de betekening van het vonnis verzoek ik u dringend om alvast te voldoen aan dat vonnis.  Wilt u mij op voorhand kenbaar maken of u bereid bent de proceskostenveroordeling – ad in totaal € 1.522,14 – minnelijk te voldoen? Zo ja, dan zal ik u nadien de betalingsgegevens verstrekken.

2.5 In een e-mail van 27 augustus 2023 heeft klager het volgende aan verweerder gestuurd:

In antwoord op uw verzoek om reeds voorafgaand aan de betekening van het vonnis 25/8 jl te voldoen aan de uitspraak van de Rechtbank inzake de teksten aangaande uw cliënte kan ik u berichten dat ik alle publicaties waarin zij figureerde van de website heb gehaald. Wat betreft uw vraag over de proceskostenveroordeling laat ik u weten dat ik vooralsnog geen grond zie voor een betaling van 1079 euro ‘salaris advocaat.’ In de dagvaarding is van geen eis tot vergoeding van de advocaatkosten voor uw cliënte melding gemaakt. Bovendien heeft uw cliënte onlangs via Twitter bekendgemaakt dat zij voor die kosten verzekerd is bij DAS. Mij ontgaat derhalve waarom die kosten geheel of ten dele op mij zouden moeten worden afgewenteld, temeer daar ik niet degene was die het initiatief tot de rechtszaak nam. (…)

2.6 Op 1 september 2023 heeft verweerder het vonnis van de rechtbank aan klager laten betekenen.

2.7 In een brief van 27 september 2023 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat klager in de optiek van zijn cliënte niet heeft voldaan aan het vonnis van de rechtbank. X constateerde dat bepaalde teksten niet waren verwijderd en dat daardoor dwangsommen waren verbeurd.

2.8 In een e-mail van 1 oktober 2023 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven:

Met grote verbazing nam ik kennis van de inhoud van uw brief van 27 september 2023 (kenmerk 2022.0226.02).  Anders dan u c.q. uw cliënte stelt heb ik wel degelijk volledig en loyaal uitvoering gegeven aan het vonnis van de Rechtbank Amsterdam dd 25/8/23 (…)

2.9 In een aangetekende brief van 5 oktober 2023 heeft verweerder namens zijn cliënte aan klager geschreven dat klager niet heeft voldaan aan het vonnis van 25 augustus 2023. Verweerder heeft aangegeven dat er dwangsommen waren verbeurd en dat klager de proceskosten nog niet had betaald. Verweerder heeft klager gesommeerd om tot betaling over te gaan.

2.10 Klager heeft daarop de advocaat mr. A. verzocht om zijn belangen in deze kwestie te behartigen. In een brief van 11 oktober 2023 heeft verweerder het volgende aan mr. A. geschreven:  

(…) Het totaal van de verbeurde dwangsommen bedraagt daarmee (37 x € 500,- =) € 18.500,-. Cliënte maak jegens de heer [naam] aanspraak op betaling van dit bedrag. (…) Alvorens cliënte de deurwaarder zal inschakelen om tot aanzegging en invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan, stelt mijn cliënte uw cliënt in de gelegenheid om – evenwel uiterlijk binnen de reeds in mijn brief van 5 oktober 2023 gestelde sommatietermijn – gemotiveerd te betwisten waarom in zijn visie geen dwangsommen zouden zijn verbeurd. (…)

2.11 In een brief van 24 oktober 2023 heeft verweerder aan de advocaat van klager geschreven dat zijn cliënte de zienswijze van klager dat geen dwangsommen zouden zijn verbeurd, niet kon volgen.

2.12 In een e-mail van 25 oktober 2023 heeft verweerder het volgende aan de advocaat van klager geschreven:

(…) Indien en voor zover u meent dat, ondanks de expliciete standpunten die over en weer zijn ingenomen, desalniettemin minnelijk overleg zinvol en kansrijk is en in dat kader voorts aan de zijde van uw cliënt de bereidheid bestaat om een concreet schikkingsvoorstel te doen, staat het u uiteraard vrij hierover contact met mij op te nemen. Tijdens een eerder telefoongesprek heb ik u reeds voorgehouden dat ik daarvoor in beginsel benaderbaar ben. Het initiatief daartoe liet en laat ik uitdrukkelijk bij u.

2.13 In de periode van 2 november 2023 tot en met 29 november 2023 hebben partijen onderhandeld over het treffen van een minnelijke regeling.

2.14 In een e-mail van 6 december 2023 heeft verweerder het volgende aan de advocaat van klager geschreven:

Mijn cliënte handhaaft haar standpunt dat dwangsommen ten bedrag van € 18.500,- zijn verbeurd. Zij maakt aanspraak op betaling daarvan. In lijn daarmee zal de deurwaarder worden verzocht om de dwangsommen aan te zeggen, tevens met bevel tot betaling. Indien uw cliënt een executie kort geding wenst te entameren, wacht ik uw bericht hierover af.

2.15 In een vonnis van 6 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat X de executie van de dwangsommen diende te staken en gestaakt te houden.

2.16 Op 22 augustus 2024 heeft klager bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) de indruk te wekken dat zijn cliënte een schikking wilde treffen, hoewel zij daartoe niet bereid bleek.

b) De belangen van klager als wederpartij op onaanvaardbare wijze te schaden.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

5.2 De tuchtrechter toetst bij de beoordeling van een aan de advocaat verweten handelen of nalaten eveneens aan de in art. 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 

Klachtonderdeel a)

5.3 Klager verwijt verweerder dat hij de indruk heeft gewekt dat zijn cliënte een schikking wilde treffen, terwijl zij daartoe niet bereid bleek, aldus klager. De raad overweegt hierover dat een advocaat daar waar mogelijk en in het belang van zijn cliënt moet proberen om een geschil door middel van een schikking op te lossen. Gedragsregel 5 behelst echter geen absolute verplichting daartoe. Het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing te komen. Een wederpartij kan dus niet verlangen dat een advocaat in elke situatie tracht een regeling in der minne te treffen. Dat is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. Als zij vinden dat dat niet haalbaar is, dan kan de advocaat niet door de wederpartij dan wel door de gedragsregels worden verplicht alsnog een regeling in der minne te beproeven. Als het niet lukt om een regeling te bereiken en de cliënt wil procederen, is het gerechtvaardigd dat de advocaat aan die wens van zijn cliënt tegemoetkomt.

5.4 De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder in strijd met deze gedragsregel heeft gehandeld. Uit de stukken volgt dat er tussen klager en verweerder schikkingsonderhandeling hebben plaatsgevonden, waarbij over en weer voorstellen zijn gedaan voor een minnelijke regeling. Tot een minnelijke regeling heeft dat niet geleid. Daaruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat de cliënte van verweerder - ook tijdens de onderhandelingen - nooit bereid is geweest om tot een schikking te komen en zeker niet dat verweerder wist dat deze bereidheid bij zijn cliënte zou ontbreken. Verweerder heeft dat ook betwist. Gelet hierop is de raad van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.5 Klager verwijt verweerder ook dat hij zijn belangen als wederpartij op onaanvaardbare wijze heeft geschaad. Klager heeft hiertoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd. In een vonnis van 25 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat klager bepaalde uitlatingen over X diende te verwijderen en verwijderd te houden. Op 27 augustus 2023 heeft klager aan verweerder bericht dat hij de uitlatingen had verwijderd. Pas op  27 september 2023 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat klager onvoldoende uitvoering had gegeven aan het vonnis en er dwangsommen waren verbeurd. Verweerder kondigde aan dat hij over zou gaan tot het innen van deze dwangsommen. Klager was genoodzaakt om een executie kortgeding te starten en in dit kortgeding is de cliënte van verweerder vervolgens in het ongelijk gesteld wat betreft haar uitleg van het vonnis. Klager stelt dat verweerder direct na zijn mail van 27 augustus 2023 melding had moeten maken van het feit dat klager in de optiek van zijn cliënte niet had voldaan aan het vonnis en verweerder heeft dan ook onnodig stilgezeten. Door deze handelwijze van verweerder is klager geconfronteerd met hoge advocaatkosten die voorkomen hadden worden, aldus klager.

5.6 De raad begrijpt de stelling van klager dat het beter was geweest als verweerder direct na zijn e-mail van 27 augustus 2023 melding had gemaakt van de stelling van zijn cliënte, en niet pas een maand later. Gelet echter op de uitleg hierover door verweerder - inhoudende (kort gezegd) dat zijn cliënte hem pas later had verteld dat (volgens haar) niet alle onrechtmatige uitlatingen waren verwijderd en hij daarom ook pas later klager daarover kon berichten - is de raad van oordeel dat verweerder de grenzen van de hem toekomende (grote) vrijheid als advocaat van de wederpartij niet heeft overschreden. Ook is op grond van de stukken in het klachtdossier niet gebleken dat de door verweerder - namens zijn cliënte - gegeven uitleg van het vonnis evident kansloos was. Van ondoelmatig handelen of het onnodig of onevenredig schaden van de wederpartij is dan ook niet gebleken. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. A.E. Mulder, E.J.C. de Jong, M.M. Kuyp en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.

 

Griffier                                                                             Voorzitter

 

Verzonden op: 16 december 2025