Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:263
Zaaknummer
250338H
Inhoudsindicatie
Herzieningsverzoek, niet-ontvankelijk. Artikel 1.3 herzieningsprotocol niet van toepassing. Geen schending van fundamentele rechtsbeginselen in de procedure voorafgaand aan de beslissing waarbij het beklag van verzoeker tegen de beslissing van de deken ongegrond is verklaard.
Uitspraak
Beslissing van 19 december 2025
in de zaak 250338H
naar aanleiding van het verzoek tot herziening van:
verzoeker
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 Op 1 april 2025 heeft verzoeker de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland verzocht om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat toe te wijzen. De deken heeft het verzoek op 28 april 2025 afgewezen.
1.2 Verzoeker heeft op 28 april 2025 beklag ingesteld tegen de beslissing van de deken. Bij beslissing van 11 juli 2025 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard. De beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:130 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoeker heeft op 4 oktober 2025 om herziening van de beslissing van het hof verzocht. Verder bevat het herzieningsdossier:
een tweetal e-mails van verzoeker van 6 oktober 2025; een e-mail van verzoeker van 7 oktober 2025; het verweerschrift van de deken Midden-Nederland (de verweerder in de beklagzaak); de repliek van verzoeker van 16 oktober 2025; een e-mail van verzoeker van 17 oktober 2025; een e-mail van 21 oktober 2025 namens de deken Midden-Nederland, inhoudende dat de repliek van verzoeker van 16 oktober 2025 de deken geen aanleiding geeft om bij wijze van dupliek te reageren; een e-mail van verzoeker van 30 oktober 2025.2.2 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek naast bovengenoemde stukken die zich in het herzieningsdossier bevinden, nog een groot aantal e-mails aan het hof toegezonden. In reactie hierop is aan verzoeker bericht dat geen stukken meer konden worden ingediend en dat nadere stukken niet zouden worden geaccepteerd, gelet op de regels die het hof aan het schriftelijk debat stelt en waarover verzoeker bij brief van 7 oktober 2025 is geïnformeerd. Verzoeker heeft vervolgens nog wel gelegenheid gekregen een laatste reactie in te dienen, die het hof op 30 oktober 2025 heeft ontvangen.
2.3 Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld op grond van artikel 4 lid 2 van het herzieningsprotocol.
3 BEOORDELING
Herziening mogelijk?
3.1 Tegen een beslissing van het hof is in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof een zodanig verzoek niet in behandeling.
3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het herzieningsprotocol van het hof, een verzoek om herziening wel ontvankelijk verklaren en in behandeling nemen. Er moet dan sprake zijn van de uitzonderingen die in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol zijn opgenomen, en op die uitzonderingen kan op grond van artikel 1.3 van het herzieningsprotocol alleen een beroep worden gedaan door een advocaat aan wie bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd een maatregel is opgelegd.
3.3 Ondanks deze beperkte mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen, kan een verzoek om herziening ook in andere gevallen ontvankelijk worden verklaard als sprake is van schending van een of meer fundamentele rechtsbeginselen. Zo heeft het hof in een beslissing van 26 september 2022 (ECLI:NL:TAHVD:2022:141) het herzieningsverzoek ontvankelijk (en gegrond) geoordeeld, ondanks dat het niet afkomstig was van een advocaat aan wie een maatregel was opgelegd, maar omdat het hof zelf ambtshalve constateerde dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden.
3.4 Het hof zal daarom ook in deze zaak beoordelen of sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, zodanig dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Het herzieningsverzoek van verzoeker
3.5 Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij door de beslissing van het hof van 11 juli 2025 is verstoken van rechtsbijstand en daarmee van effectieve rechtsbescherming, wat in strijd is met artikel 6 EVRM: het recht op een eerlijk proces en ‘equality of arms’. Door verzoeker is uiteengezet dat hij voor de behandeling van (een) excutiegeschil(len) een advocaat nodig heeft, dat daarvoor ook een toevoeging is afgegeven, maar dat de toevoeging nu feitelijk niet wordt uitgevoerd omdat hem geen advocaat wordt toegewezen. In de e-mailberichten die verzoeker op 6 en 7 oktober 2025 aan het hof heeft gezonden, heeft verzoeker er verder op gewezen dat er op dit moment verschillende procedures lopen, maar dat van afstemming tussen die verschillende procedures geen sprake is, waardoor de zaken ook niet in samenhang worden beoordeeld. In feite is er volgens verzoeker sprake van een rechtsvacuüm. Dat leidt volgens verzoeker tot een structurele schending van de artikelen 6 en 13 EVRM: het recht op effectieve rechtsbescherming.
De reactie van de deken op het herzieningsverzoek
3.6 De deken voert verweer en stelt dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het herzieningsverzoek. Het verweer van de deken wordt hierna, voor zover van belang, besproken.
Beoordeling van het herzieningsverzoek
3.7 Op het herzieningsprotocol kan, zoals hiervoor is uiteengezet, alleen een uitzondering worden gemaakt als in de procedure bij het hof geen sprake is geweest van een eerlijk proces doordat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Het gaat daarbij dus om de procedure voorafgaand aan de beslissing van 11 juli 2025, waarbij het beklag van verzoeker tegen de beslissing van de deken ongegrond is verklaard. Het hof had in het kader van die procedure te beoordelen of de deken het verzoek van verzoeker om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat voor hem aan te wijzen op juiste gronden heeft afgewezen. Daarover heeft het hof geoordeeld dat de deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gegronde redenen aanwezig zijn om geen advocaat toe te wijzen. Het hof heeft in dat licht het argument van de deken dat het verzoek zag op procedures waarvoor geen verplichte bijstand van een advocaat nodig is, waardoor op grond van artikel 13 Advocatenwet geen aanwijzing van een advocaat kan plaatsvinden, onderschreven, waarbij bovendien is overwogen dat de door verzoeker gewenste herzieningsprocedure waarvoor hij om aanwijzing van een advocaat verzocht onvoldoende kans van slagen heeft. Verder heeft het hof overwogen dat verzoeker de in zijn repliek genoemde procedures waarvoor hij aangaf een advocaat nodig te hebben, onvoldoende concreet heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof is in de beslissing van 11 juli 2025 door het hof de juiste maatstaf toegepast en is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel geen sprake geweest. De stelling van verzoeker dat hij dóór deze beslissing ten onrechte is verstoken van rechtsbijstand en van effectieve rechtsbescherming ziet immers op de inhoud en (eventuele) gevolgen van de beslissing, niet op de totstandkoming daarvan. Voor zover verzoeker nu voor de behandeling van een executiegeschil bij de rechtbank Midden-Nederland wel verplicht door een advocaat zou moeten worden bijgestaan, zoals verzoeker aangeeft, kan verzoeker een nieuw verzoek om toevoeging van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet doen.
3.8 Nu het hof op grond van het vorenstaande en ook daarbuiten niet is gebleken dat in de beklagprocedure voorafgaand aan de beslissing van het hof van 11 juli 2025 sprake is geweest van schending van enig fundamenteel rechtsbeginsel, kan verzoeker niet in zijn herzieningsverzoek worden ontvangen.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn herzieningsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 19 december 2025 .
