Rechtspraak
Uitspraakdatum
15-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:276
Zaaknummer
25-449/AL/GLD
Inhoudsindicatie
de klacht van klaagster dat verweerster haar belangen bij het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding niet goed heeft behartigd, is te laat ingediend op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. Het beroep van klaagster op een verschoonbare termijnoverschrijding slaagt niet. De raad kan niet vaststellen dat klaagster in de betreffende periode feitelijk niet in staat was om een klacht over verweerster in te dienen of te laten indienen. De klacht is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 15 december 2025
in de zaak 25-449/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 8 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 24/87 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 oktober 2025. Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerster van 27 juli 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster was gehuwd met de heer Van T (hierna ook: de ex-partner). Zij hebben besloten om uit elkaar te gaan middels mediation. Het mediationproces is begeleid door [naam mediator].
2.2 Partijen hebben tijdens de mediation afspraken gemaakt over het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant. [naam mediator] heeft verweerster verzocht om het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding namens klaagster en de heer Van T bij de rechtbank in te dienen.
2.3 Op 27 januari 2020:
- om 09:48 uur: heeft verweerster via e-mail aan klaagster, haar toenmalige echtgenoot en de mediator de opdracht tot de processuele afwikkeling van de echtscheiding en het indienen van een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding namens klaagster en haar toenmalige echtgenoot bevestigd;
- om 09.52 uur: heeft verweerster aan de mediator een aantal vragen over de stukken gesteld. Ook heeft zij gevraagd of klaagster onder bewind staat en wie in dat geval de bewindvoerder is die haar dan formeel moet vertegenwoordigen;
- om 13:07 uur: is namens [naam mediator] onder meer aan verweerster geschreven:
Voor wat betreft de bewindvoering: Dit heb ik voor de zekerheid nagevraagd bij mevrouw, onderstaand haar reactie:
De bewind voering is alleen voor het financiële gedeelte (dus niet mentorschap). De bewind is aangevraagd bij de rechtbank in Haarlem en passeert 12 februari. Vanwege een bipolaire stoornis is deze gemaakt, om ingedekt te zijn voor spontane uitgave.
2.4 In haar e-mail van 30 januari 2020 heeft verweerster aan klaagster, haar toenmalige echtgenoot en de mediator onder meer geschreven:
Naar aanleiding van het telefonisch onderhoud met u beiden, bevestig ik u dat wij de gevolgen van de echtscheiding en de gemaakte afspraken in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan hebben besproken en dat ik mij ervan vergewist hebt dat u de afspraken en de juridische gevolgen hiervan begrijpt en hier nog steeds mee instemt. U heeft aangegeven dat alle afspraken naar tevredenheid zijn vastgelegd.
(…) Tot slot bespraken wij dat het bewind van mevrouw weliswaar is aangevraagd, maar nog niet uitgesproken als gevolg waarvan de bewindvoerder vooralsnog geen rol speelt bij de echtscheiding.
2.5 Zowel klaagster als haar toenmalige echtgenoot hebben ieder in een e-mail van 31 januari 2020 aan verweerster hun akkoord gegeven.
2.6 Bij beschikking van 13 februari 2020 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding tussen klaagster en haar ex-partner uitgesproken.
2.7 Op 17 februari 2020 heeft verweerster aan klaagster, haar toenmalige echtgenoot en de mediator onder meer geschreven:
(…) Door de inschrijving is de echtscheiding definitief en treden de gevolgen van de echtscheiding in werking. Om er helemaal zeker van te zijn dat u hiermee instemt, wil ik u een laatste maal vragen of u akkoord bent met de gevolgen van de echtscheiding, instemt zoals het is geregeld in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan, en instemt met de eerder aan u toegezonden akten van berusting. (…)
Zowel klaagster als haar toenmalige echtgenoot hebben ieder diezelfde dag in een e-mail aan verweerster hun akkoord gegeven.
2.8 Bij beschikking van 19 februari 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland het op 7 januari 2020 door klaagster verzochte bewindstelling in verband met haar geestelijke toestand toegewezen met benoeming van een bewindvoerder.
2.9 Op 28 april 2020 hebben klaagster, haar bewindvoerder, en de ex-partner ten overstaan van een notaris de akte van verdeling met betrekking tot de echtelijke woning ondertekend.
2.10 Bij beschikking van 27 december 2023 heeft de rechtbank Noord-Nederland het bewind over klaagster opgeheven met ingang van twee weken daarna.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
de belangen van klaagster niet zorgvuldig te behartigen bij het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding, waardoor klaagster financieel is benadeeld.
Toelichting: Klaagster stelt dat zij tijdens het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding ziek was. Zij kreeg toen - achteraf ten onrechte - de diagnose bipolaire stoornis en daarvoor medicatie. Als gevolg daarvan is klaagster geestelijk en lichamelijk jarenlang uitgevallen. De gevolgen van de echtscheiding kon zij toen niet overzien. Volgens klaagster is zij financieel benadeeld in de echtscheidingsprocedure door een onterechte verdeling. Verweerster had het gezamenlijke verzoek tot echtscheiding nooit namens klaagster mogen behandelen en aanbrengen bij de rechtbank. Verweerster is daarbij nalatig geweest doordat zij de wilsbekwaamheid van klaagster niet heeft getoetst.
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 Verweerster heeft in deze zaak tot eind februari 2020 werkzaamheden voor klaagster uitgevoerd. Naar het oordeel van de raad is de in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn begin maart 2020 aangevangen. Klaagster heeft haar klacht over het optreden van verweerster op 8 juli 2025 bij de deken ingediend en daarmee ruim buiten de genoemde termijn van drie jaar.
5.3 Klaagster heeft betoogd dat zij wel tijdig over verweerster heeft geklaagd. Zij stelt in dat kader dat zij de klacht niet eerder kon indienen omdat zij daartoe pas vanaf mei 2024, na afbouw van alle medicatie en revalidatie, medisch en geestelijk in staat was. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft klaagster een overzicht overgelegd van het verloop van haar ziekte en het herstel.
5.4 Dit beroep van klaagster op een verschoonbare termijnoverschrijding slaagt naar het oordeel van de raad niet. De raad kan op grond van de door klaagster overgelegde maar door verweerster betwiste stukken niet vaststellen dat klaagster in de periode tussen maart 2020 en drie jaar daarna feitelijk niet in staat was om een klacht over verweerster in te dienen of namens haar een klacht te laten indienen. Klaagster verwijt verweerster dat zij door het nalatige optreden van verweerster financiële schade heeft geleden. Vaststaat dat de rechtbank op 19 februari 2020, een paar dagen na de echtscheidingsbeschikking, een bewindvoerder over het vermogen van klaagster heeft benoemd om klaagster in het specifiek te beschermen tegen impulsieve uitgaven. Ook staat vast dat deze bewindvoerder met klaagster op 28 april 2020 aanwezig is geweest bij de ondertekening van de notariële akte tot verdeling van de voormalige echtelijke woning. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat de bewindvoerder kort na de echtscheidingsbeschikking dan wel op een ander moment in de periode tot aan de opheffing van het bewind over het vermogen van klaagster op 27 december 2023, zich tot verweerster heeft gewend met vragen over de financiële afwikkeling van de echtscheiding.
5.5 Dat klaagster te laat is met klagen leidt ertoe dat haar klacht niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de raad daarom niet meer toe.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klaagster, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk in haar klacht.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. H.K. Scholtens en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 december 2025
