Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:267

Zaaknummer

240152

Inhoudsindicatie

 Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) juridisch ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) isgegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. Het hof acht klachtonderdeel a) en d) alsnog  gegrond en legt verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op. 

Uitspraak

HERSTELBESLISSING      

 

van

in de zaak 240152

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

 

1 DE BESLISSING WAARVAN HERSTEL

Het Hof van Discipline (hierna: het hof) verwijst naar zijn beslissing van 1 december 2025 met zaaknummer 240152. In deze beslissing is in overweging 10.4 opgenomen dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken wordt opgelegd, met ingang van de datum van deze beslissing. Dat laatste is niet juist. De ingangsdatum van de schorsing is

– zoals is vermeld in overweging 10.5 – 22 december 2025.

 

2 HET HERSTEL

Het hof stelt vast dat in de beslissing van 1 december 2025 sprake is van kennelijke fout (te weten de mededeling dat de schorsing ingaat op de datum van de beslissing) die zich voor eenvoudig herstel leent. Het hof zal in de beslissing het laatste deel van overweging 10.4 verwijderen.

 

3 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

herstelt de beslissing van 1 december 2025 van het Hof van Discipline met zaaknummer 240152 in die zin dat:

 

de zinsnede “met ingang van de datum van deze beslissing” in overweging 10.4 wordt verwijderd.

 

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van M. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

                                                                                                             

 

 griffier                                                                                                      voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 19 december 2025 .