Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:171

Zaaknummer

25-740/DB/OB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat die is aangewezen op grond van artikel 13 Advocatenwet. Verweerder hoefde enkel te beoordelen of klagers tegenvorderingen voldoende kansen hadden. De memo waarin verweerder de tegenvorderingen heeft beoordeeld is niet kwalitatief ondermaats. Klacht kennelijk ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch  van 9 december 2025 in de zaak 25-740/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

klager

over:

verweerder

 

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 24 oktober 2025 met kenmerk 48|25|069K en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 07. 

 

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is op 2 april 2025 in kort geding gedagvaard door de Staat der Nederlanden (Raad voor de rechtspraak). Voor het verweren tegen dit kort geding heeft klager geen advocaat nodig. Voor het instellen van tegenvorderingen, wat klager wenste te doen, had hij wel een advocaat nodig. Hij heeft de deken in dat verband verzocht om aan hem een advocaat toe te wijzen op grond van artikel 13 van de Advocatenwet. De deken heeft verweerder op 8 april 2025 aangewezen als advocaat van klager. Daarbij heeft de deken opgenomen:

“(…) U geeft op uw webformulier aan en u heeft telefonisch aan de stafjurist medegedeeld dat u een tegenvordering(en) wenst in te dienen. In dat geval is bijstand door een advocaat verplicht. (…) Voor alle duidelijkheid wordt tot slot nog opgemerkt dat de advocaat in het proces leidend is en hij mag niet als stroman of spreekbuis blind de wensen van de cliënt uitvoeren. Het is de advocaat die bepaalt hoe hij de belangen van de cliënt het beste kan behartigen. Zijn onafhankelijkheid geeft de advocaat de ruimte om bij de uitoefening van zijn beroep grenzen te trekken. Tevens staat het de aangewezen advocaat geheel vrij om nadat hij de zaak heeft beoordeeld, te besluiten om de rechtzoekende alsnog geen rechtsbijstand in de gerechtelijke procedure te verlenen. De deken kan een advocaat – ook al is deze op grond van artikel 13 van de Advocatenwet aangewezen – niet dwingen om de rechtsbijstand, waarom de rechtzoekende vraagt, te verlenen. Een advocaat is niet verplicht om een procedure te gaan voeren. Van een advocaat kan immers niet worden verlangd dat hij bijvoorbeeld een naar zijn oordeel kansloze procedure gaat voeren. (…)”  

1.2    Op 9 april 2025 heeft klager een overzicht van de eisen en zijn gewenste tegeneisen verzonden aan verweerder.

1.3    Op 10 april 2025 hebben klager en verweerder een videogesprek gevoerd. Diezelfde dag heeft verweerder een opdrachtbevestiging verzonden aan klager. Daaruit volgt, voor zover relevant:

“(…) De tegeneisen die u tegen de Staat wenst in te stellen in het kort geding, heeft u mij op 9 april 2025 per Word-document met een e-mail toegezonden.  

Op 9 april 2025 hebt u onder meer per e-mail aangegeven dat ik de dagvaarding met bijbehorende producties – die ik inmiddels ontving van de advocaat van de Staat – zal bestuderen in het licht van de door u gewenst in te stellen tegeneisen. Op basis van hetgeen door u en de Staat wordt aangedragen, zal ik een beoordeling maken van primair de haalbaarheid van de door u gewenst in te stellen tegenvorderingen. Het is immers op die basis waarop de deken mij heeft aangewezen en waarvoor bijstand door een advocaat voorgeschreven is. Pas na die beoordeling zal ik u aangeven of ik aan u de verzochte rechtsbijstand kan verlenen. Indien ik tot de beoordeling kom dat de door u gewenst in te stellen tegenvorderingen haalbaar zijn, ben ik ook bereid het verweer tegen de vorderingen van de Staat op mij te nemen. (…)  

1.4    Op 14 april 2025 heeft verweerder een zeventwintig pagina tellend memo verzonden aan klager, waarin hij tot de conclusie komt dat de tegenvorderingen niet haalbaar zijn. Verweerder heeft daarover geschreven:

“(…) [klager] wenst een viertal door hem aan ons kenbaar gemaakte eisen in reconventie in te stellen tegen de Staat. Wij zullen de haalbaarheid in kort geding van die eisen hieronder per opgestelde eis behandelen. Daarbij zullen wij de eis zoals door [klager] geformuleerd citeren en daarbij weergeven hoe wij die begrijpen. Aan de hand daarvan zullen wij uiteenzetten wat de haalbaarheid/kans van toewijzing in het onderhavige kort geding is. 

Eis 1  

[klager] formuleert zijn eerste eis als volgt:   

“Horen van (1) Julia Mendlik (rb. Rotterdam); (2) Robine de Lange-Tegelaar (rb. Den Haag); (3) Marieke Koek (Hof Den Haag) en (4) Henk Naves (Raad voor de Rechtspraak).” 

Het is ons niet helemaal duidelijk of [klager] de door hem genoemde personen wenst te horen in het kader van het onderhavige kort geding en het daaraan ten grondslag liggende geschil, of dat hij hen wenst te horen in het kader van andere kwesties waarover [klager] in geschil is met de Staat. Wij zullen beide situaties hieronder weergeven.  

Situatie 1: het horen van personen (als getuige) in kort geding 

Indien [klager] voormelde personen (als getuige) wenst te horen in het kader van zijn verweer tegen de vorderingen van de Staat in kort geding, dan is het niet nodig om daarvoor een eis in reconventie in te stellen. Te dien aanzien dient volstaan te worden met een concreet bewijsaanbod in conventie, waarbij dan wel voldoende concreet gesteld zal moeten worden dat de genoemde personen kunnen verklaren aangaande het onderhavige geschil én waarom hun verklaring relevant is voor de beoordeling door de rechter van het hem voorliggende geschil. Niet nodig is dat gesteld wordt wat er verklaard kan/zal worden. Datzelfde geldt voor het geval [klager] deze personen (als getuige) wenst te horen ter onderbouwing van een in te stellen eis in reconventie. Het instellen van een eis met de strekking om personen (als getuige) te horen, is dus niet de juiste wijze om personen (als getuige) gehoord te krijgen. Een eis met als doel om personen (als getuige) te doen horen in het kader van het onderhavige geschil (in conventie dan wel in reconventie), zal naar ons oordeel reeds om deze reden worden afgewezen. Wij wijzen voor de volledigheid nog wel op het volgende. Het civiele bewijsrecht is geregeld in de Negende afdeling van de Tweede titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De mogelijkheid om personen (als getuige) te horen in het kader van een aanhangige procedure, is geregeld in §4 daarvan.  In kort geding zijn de reguliere wettelijke regels van civiel bewijsrecht echter niet van toepassing, in die zin dat in kort geding in principe geen plaats is voor (nadere) bewijslevering. Voldoende is dat feiten aannemelijk zijn. Ten aanzien van het horen van personen als getuige tijdens een kort geding, geldt op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de kortgedingrechter niet verplicht is om in te gaan op een correct gedaan aanbod tot het leveren van getuigenbewijs.2 In de praktijk is het ook zo dat in het beperkte bestek van de kortgedingprocedure er voor nader feitenonderzoek en bewijslevering geen plaats is.3 Niettemin staat het [klager] uiteraard wel vrij om een bewijsaanbod te doen/getuigenbewijs aan te bieden in het kader van het onderhavige kort geding (in zowel conventie als in reconventie), maar dat dient dus niet te gebeuren door het instellen van een daartoe strekkende eis in reconventie.

Situatie 2: Het horen van personen als getuige aangaande één of meer andere kwesties   

In het geval [klager] de door hem genoemde personen wenst te horen (als getuige) inzake één of meer van zijn andere geschillen met de Staat, dan is het onderhavige kort geding daarvoor ook niet de aangewezen route.  

Op grond van artikel 163 Rv en verder kunnen hangende een lopende civiele procedure personen als getuige worden gehoord. De civiele rechter is op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad gehouden dat indien aan de vereisten van artikel 166 lid 1 Rv is voldaan – door [klager] gestelde feiten worden door de Staat betwist en kunnen tot de beslissing van de zaak leiden – dat de rechter dan conform dat artikel alsdan gehouden is bewijslevering te bevelen.4 In eventuele bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures geven de artikelen 7:8, 7:22 en 8:33 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een vergelijkbare regeling.

Indien [klager] de door hem genoemde personen wenst te horen om bijvoorbeeld zijn rechtspositie nader te kunnen bepalen vooruitlopend op een door hem te starten gerechtelijke procedure, staat hem de weg open om dat voor elkaar te krijgen op grond van artikel 196 Rv en verder. Ten aanzien van het toegewezen krijgen van een voorlopig getuigenverhoor zijn de drempels in zijn algemeenheid laag en wordt in zijn algemeenheid ook snel een uitspraak verkregen. De rechter dient een dergelijk verzoek als uitgangpunt toe te wijzen, tenzij hij van oordeel is dat: 

• de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; 

• onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;

• het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; 

• sprake is van misbruik van bevoegdheid; of 

• andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.5

Het kort geding is slechts bedoeld als middel waarin een rechtszoekende op korte termijn een voorlopige maatregel of beslissing kan verkrijgen, al kan dat onder omstandigheden wel een min of meer definitief karakter krijgen; de voorlopige voorziening. Het eisen dat personen (als getuige) worden gehoord, is naar ons oordeel niet een dergelijke voorziening. Gelet op het voorgaande zijn wij van oordeel dat het vorderen in kort geding dat bepaalde personen (als getuige) mogen worden gehoord, niet toewijsbaar is. Daarvoor schrijft de wet immers een andere route voor.   

Slotsom eis 1  

Ten aanzien van eis 1 die [klager] in reconventie in wenst te stellen, kunnen wij niet anders dan concluderen dan dat deze eis geen grondslag heeft in het recht en daarom ook niet kan en zal worden toegewezen.”

Eis 2  

[klager] formuleert zijn tweede eis als volgt: 

“Dwangsom van 10.000 euro voor de Staat op o.a.  - Voeren van SLAPP-procedures (hoger beroep dan wel bodem) [deze zelfs op 100.000 euro];  - De inzet van een reeds succesvol gewraakte dan wel verschoonde rechter;  - Rechtsweigering in de vorm van niet-ontvankelijkverklaring wanneer ik aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht voldoe;  - Wanneer misbruik van recht bij aanvang van de procedure wordt aangenomen (zonder mij te horen);  - Wanneer een anonieme rechter wordt ingezet;  - Wanneer een mondelinge behandeling wordt genegeerd wanneer ik daar recht op heb;  - Wanneer de bewijslast van postverzending oneigenlijk en/of ongemotiveerd word omgedraaid ten nadele van mij;  - Wanneer een getuige niet behoorlijk wordt opgeroepen in een voorlopig getuigenverhoor;  - Mijn verletkosten niet naar redelijkheid worden vastgesteld.” 

Wij lezen deze eis als 9 afzonderlijke eisen, waarbij [klager] wenst dat bij overtreding van het geëiste de Staat een dwangsom verbeurt voor een bedrag van € 10.000, dan wel € 100.000. Het is ons niet duidelijk of deze bedragen per overtreding gevorderd zouden moeten worden, of dat het om een eenmalige dwangsom gaat. Dit laten wij voor nu rusten, omdat een dwangsom als vordering geen zelfstandig karakter heeft. Een dwangsom kan op grond van artikel 611a lid 1 Rv immers slechts worden opgelegd in het kader van het niet voldoen aan een hoofdvordering. Wij zullen ons richten op de 9 afzonderlijk door [klager] geformuleerde onderwerpen/eisen.  

Eis 2.1: Voeren van SLAPP-procedures (hoger beroep dan wel bodem) [deze zelfs op 100.000 euro]

(…) Hoewel [klager] aangeeft dat hij in diverse procedures tegen de Staat in het gelijk is gesteld (deels dan wel geheel), geeft hij ons ook aan dat hij er in meer dan dat in zijn ongelijk is gesteld. Ons is niet gebleken dat de Staat in de procedures waarin [klager] (geheel dan wel deels) in zijn gelijk is gesteld, misbruik heeft gemaakt van procesrecht. Daarbij wijzen wij er ook op dat de Staat niet steeds de wederpartij is geweest in de betreffende procedures. [klager] heeft naar wij begrijpen immers ook geprocedeerd tegen diverse andere overheden, zoals gemeentes, en ook tegen diverse partijen civielrechtelijke procedures is gestart. Nu wij geen aanwijzingen hebben dat de Staat tot heden misbruik van procesrecht heeft gemaakt, en wij dat dus ook niet met feiten of omstandigheden kunnen onderbouwen door bijvoorbeeld te wijzen op uitspraken waarin dat ten aanzien van [klager] is komen vast te staan, zien wij geen grond voor of redelijke kans op toewijzing van deze door [klager] gewenst in te stellen eis. Wij wijzen er voor de volledigheid ook op dat hoewel de Staat bij de door [klager] gestarte gerechtelijke procedures vanuit haar rechtsprekende taak betrokken is bij die procedures, is zij daarbij vanwege die hoedanigheid dus geen partij. In deze verhouding die de Staat tot [klager] heeft, kan de gewenste eis van [klager] in het onderhavige kort geding in elk geval niet worden toegewezen.

Eis 2.2: De inzet van een reeds succesvol gewraakte dan wel verschoonde rechter  

(…) Naar ons oordeel is het in zijn algemeenheid niet mogelijk om te stellen, en daarmee te eisen, dat het een rechter die zich heeft verschoond in een bepaalde gerechtelijke procedure waarbij [klager] betrokken is, of die in een dergelijke gerechtelijke procedure met succes is gewraakt, ook niet vrij staat om als rechter op te treden in een andere/latere procedure waarbij [klager] betrokken is. Een en ander zal van geval tot geval beoordeeld dienen te worden, door de rechter zelf (verschoning) óf door de betrokken procespartijen (wraking). In iedere procedure zal het van geval tot geval afhangen van alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, of het een rechter in de betreffende situatie al dan niet vrij staat om in de betreffende gerechtelijke procedure recht te spreken. Daarbij kan als omstandigheid/feit ook een rol spelen dat de rechter zich eerder in een procedure waarbij [klager] betrokken is heeft verschoond, of succesvol is gewraakt, maar daarbij is niet direct gezegd dat de verschonings-/succesvolle wrakingsgrond(en) ook in een andere/latere gerechtelijke procedure waarbij [klager] betrokken is, tot een gelijke uitkomst dienen te leiden.   

Al met al heeft Eis 2.2 van [klager] geen kans van slagen.  

Eis 2.3: Rechtsweigering in de vorm van niet-ontvankelijkverklaring wanneer ik aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht voldoe  

Nu per gerechtelijke procedure vastgesteld dient te worden of een rechtzoekende al dan niet voor vrijstelling tot betaling van griffierecht in aanmerking komt, waarmee er dus ook steeds een nieuw peilmoment is, én er een wettelijke ingang/regeling bestaat om te ageren tegen een niet-ontvankelijkheidverklaring vanwege het niet betalen van griffierecht als dat niet van een rechtzoekende gevergd kan worden, mag het naar ons oordeel van [klager] worden gevergd dat hij die route ook volgt bij een door hem ongewenste uitkomst tot niet-ontvankelijkverklaring.  

Naar onze mening mag van de gerechten/gerechtelijk medewerkers die belast zijn met het vaststellen van eventueel door [klager] verschuldigde griffierechten overigens ook worden verondersteld dat zij hun werkzaamheden (onder meer te dien aangaande) naar eer en geweten en zonder vooringenomenheid verrichten en dat zij op objectieve toetsbare gronden tot een besluit komen. Als daar een fout in wordt gemaakt, of als niet alle informatie van meet af aan wordt overgelegd, is er dus een wettelijk correctiemechanisme dat doorlopen kan worden. Dat wettelijk correctiemechanisme is naar ons oordeel niet onredelijk.  

Gelet op het voorgaande/het bestaande correctie mechanisme, is de door [klager] gewenste dwangsom naar onze mening niet het juiste middel om toegang af te dwingen in door [klager] gewenst te starten gerechtelijke procedures. Deze eis heeft dus naar onze mening ook geen kans van slagen.  

Wij merken nog op dat mede gelet op het groot aantal gerechtelijke bestuursrechtelijke procedures dat door [klager] wordt gestart en waarin hij kennelijk niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, naar ons oordeel overigens ook niet gezegd kan worden dat ten aanzien van [klager] sprake is van rechtsweigering door de Staat.  

Op basis van hetgeen [klager] ons heeft verteld, begrijpen wij dat deze door hem gewenst in te stellen eis er kennelijk ook verband mee houdt dat [klager] brieven van de gerechten en/of zijn gemeente in verband met door hem verschuldigd griffierecht niet stelt te ontvangen. Op dat onderdeel/onderwerp komen wij nader terug bij onze beoordeling van Eis 2.7.  

Eis 2.4 Wanneer misbruik van recht bij aanvang van de procedure wordt aangenomen (zonder mij te horen)  

(…) Voor zover ons bekend hebben – in elk geval meerdere van – de uitspraken waarin is overwogen en geoordeeld dat [klager] misbruik heeft gemaakt van procesrecht kracht en/of gezag van gewijsde. Daarmee staat in zijn verhouding tot de Staat ook onweerlegbaar rechtens vast dat [klager] misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Wij kunnen niet om deze uitspraken heen in het kader van de beoordeling van de rechtspositie van [klager] in het kader van de voorliggende vraagstelling.

Gegeven het door de Raad van State gegeven toetsingskader dat ruimte biedt voor onderzoek en toelichting door een rechtzoekende én de in kracht en gezag van gewijsde gegane vaststelling door meerdere gerechten over de proceswijze van [klager] zien wij thans geen ruimte om een eis te formuleren, althans succesvol toegewezen te krijgen die erop neerkomt, dat misbruik van (proces)recht ten aanzien van [klager] niet op voorhand mag worden aangenomen. Dat houdt mede verband met het feit dat een uitspraak in kort geding zoals aan de orde geen afbreuk doet aan een zaak ten principale (artikel 257 Rv) én uitspraken in kort geding – dus anders dan de uitspraken waarin misbruik van (proces)recht ten aanzien van [klager] al is aangenomen én waarin is bevestigd dat gerechten ten aanzien van hem daar ook op voorhand toe mogen concluderen – geen gezag van gewijsde kunnen krijgen. Het instellen van de door [klager] gewenste eis zou naar ons oordeel ook neerkomen op een niet toegestaan “verkapt hoger beroep” tegen uitspraken van onder meer de hoogste bestuursrechter die ook al kracht/gezag van gewijsde hebben.   

Al met al zien wij de door [klager] gewenst in te stellen Eis 2.5 op voorhand stranden en zullen wij die om die reden niet instellen.

Eis 2.5 Wanneer een anonieme rechter wordt ingezet 

De aard en achtergrond van deze eis kunnen wij niet plaatsen.   

In civiele procedures geldt dat processen-verbaal en uitspraken de naam vermelden van de rechter(s) die een uitspraak heeft(/hebben) gewezen. Wij wijzen op de artikelen 90 lid 2, 230 lid 1 onder sub g Rv en artikel 287 lid 1 Rv voor uitspraken in eerste aanleg, de schakelbepaling van artikel 362 Rv in hoger beroep die voormelde bepalingen in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing verklaart in hoger beroep én op artikel 418a Rv voor zaken in cassatie die te dien aanzien datzelfde bewerkstelligt. In bestuursrechtelijke gerechtelijke procedures volgt een en ander uit artikel 8:61 lid 3 en 4, 8:77 lid 1, 8:80a lid 3 en 8:84 lid 5 Awb voor beroepsprocedures in eerste aanleg en uit artikel 8:108 lid 1 Awb voor hoger beroep.   

Rechters zijn nimmer anoniem, treden nimmer als dusdanig op in hun functie en ons is niet gebleken dat dit ten aanzien van [klager] anders is. Wel kan het zo zijn dat op voorhand nog niet (definitief of überhaupt) bekend is welke rechter uiteindelijk aan een zaak zal worden toegewezen. Dat kan (kort) voorafgaand aan een mondelinge behandeling pas bekend worden. Daar bestaat naar onze mening geen bezwaar tegen. Onze ervaring is ook dat rechters tijdens een mondelinge behandeling iedereen bij naam noemt die onderdeel is van het proces ter zitting, inclusief die van hem-/haarzelf. Van iedere rechter mag naar onze mening ook worden aangenomen dat zij hun functie naar eer en geweten en zonder vooringenomenheid uitoefenen en dat zij op objectieve toetsbare gronden tot een besluit komen, vastgelegd in een toetsbare gerechtelijke uitspraak; daar inbegrepen hun naam.   

Ook deze eis heeft wat ons betreft geen kans van slagen.

Eis 2.6 Wanneer een mondelinge behandeling wordt genegeerd wanneer ik daar recht op heb Ook de aard en achtergrond van deze eis kunnen wij niet plaatsen. 

Zowel in civiele procedures als in bestuursrechtelijke procedures is wettelijk voorgeschreven in welke gevallen en op welke momenten een mondelinge behandeling is voorgeschreven. Ten aanzien van civielrechtelijke procedures wijzen wij onder meer op de artikelen 87, 131, 132, 254, 279, 353 lid 1 en 362 Rv. Ten aanzien van bestuursrechtelijke procedures wijzen wij onder meer op de artikelen 8:55b en Afdeling 8.2.5 en artikel 8:108 lid 1 Awb.   

Ten aanzien van [klager] wijzen wij wel op de beperking die voortvloeit uit hetgeen wij hebben weergegeven bij onze beoordeling van Eis 2.4, namelijk dat gerechten ten aanzien van hen op voorhand voorkomend misbruik van procesrecht kan nopen tot niet-ontvankelijkverklaring zonder dat [klager] gehoord hoeft te worden. Hier geldt bovendien dat indien het recht op een mondelinge behandeling tot gevolg heeft dat uitspraak is gedaan zonder voorgeschreven mondelinge behandeling, dat die uitspraak dan vernietigbaar is. Dat geldt zowel voor civiele procedures (vergelijk Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:44) als voor bestuursrechtelijke procedures (Centrale Raad van Beroep 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:880).  

Uit de ons beschikbare informatie, waaronder vele uitspraken van procedures waarin [klager] als partij betrokken is geweest, hebben wij niet de indruk dat [klager] zijn zaken niet tijdens een mondelinge behandeling naar voren heeft kunnen brengen. Het is bovendien aan de rechter die een zaak in behandeling heeft om aan de hand van de wet en rechtspraak vast te stellen of een partij recht heeft op een mondelinge behandeling en op welk moment dat zou moeten gebeuren. Daar kan de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding geen antwoord op geven, laat staan daarop vooruitlopen.  

Gelet op het feit dat er middels hoger beroep/cassatie een wettelijke remedie is bij een gemaakte fout bij het al dan niet gelasten van een zitting/mondelinge behandeling, mede gelet op het door de Raad van State reeds bepaalde, komt het ons rechtens onjuist voor om in kort geding een dwangsom te eisen voor het geval te dien aanzien een fout zou worden gemaakt door een gerecht. Het wettelijk correctiemechanisme is naar ons oordeel ook in dit geval niet onredelijk.  

Gelet op het voorgaande/het bestaande correctiemechanisme, is de door [klager] gewenste dwangsom naar onze mening ook in dit geval niet het juiste middel om toegang af te dwingen in door [klager] gewenst te starten gerechtelijke procedures of om fouten van rechters mee “af te straffen”. Van iedere rechter mag naar onze mening zoals gezegd immers ook worden aangenomen dat zij hun functie naar eer en geweten en zonder vooringenomenheid uitoefenen en dat zij op objectieve toetsbare gronden tot een besluit komen, vastgelegd in een toetsbare gerechtelijke uitspraak die zo nodig of desgewenst aan een hogere instantie ter herbeoordeling kan worden voorgelegd.   

Al met al komt ons ook deze door [klager] gewenst in te stellen eis niet voor als toewijsbaar.  

Eis 2.7 Wanneer de bewijslast van postverzending oneigenlijk en/of ongemotiveerd word omgedraaid ten nadele van mij  

(…) Wie wat in welk traject dient te bewijzen ten aanzien van postverzending/-bezorging, ligt naar ons oordeel afdoende vast en besloten in de wet en bestendige rechtspraak. Hoewel het – met name in het bestuursrechtelijk traject – lastig kan zijn dat aan te tonen of een poststuk hem wel of niet heeft bereikt, geldt ook hier dat de wettelijke rechtsmiddelen (beroep, hoger beroep, verzet of cassatie) aan [klager] ter beschikking staan indien hem een onwelgevallige uitkomst ten deel valt. Rechters en overheidsmedewerkers kunnen fouten maken, maar ook hier geldt weer dat volgens ons aangenomen mag en moet worden dat zij hun functie naar eer en geweten en zonder vooringenomenheid uitoefenen en dat zij op objectieve toetsbare gronden tot een besluit komen, vastgelegd in een toetsbare gerechtelijke uitspraak die zo nodig of desgewenst aan een hogere instantie ter herbeoordeling kan worden voorgelegd. Het komst ons ongepast voor te eisen dat de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding daar nog een dwangsom aan verbindt en wij achten de kans dat een dergelijke eis wordt toegewezen nihil. Wij zullen deze eis dan ook niet instellen in reconventie.  

Eis 2.8 Wanneer een getuige niet behoorlijk wordt opgeroepen in een voorlopig getuigenverhoor  

(…) Gelet op het voorgaande kunnen wij de door [klager] gewenst in te stellen eis niet plaatsen. Het gaat hem naar wij begrijpen immers om getuigen die hijzelf wenst te horen. In het licht van het voorgaande is hijzelf verantwoordelijk voor het oproepen van die getuigen én daarmee dus ook voor het conform de wettelijke voorschriften oproepen van die getuigen. Op zijn minst heeft [klager] het recht om getuigen zelf op te roepen. Daarbij wijzen wij op de mogelijkheid dat indien [klager] niet beschikt over adresgegevens van een door hem gewenst te horen getuige, dat hij in dat geval getuigen kan laten oproepen door de deurwaarder. De deurwaarder kan een getuige bij exploot oproepen of een brief betekenen aan het adres waarop een getuige staat ingeschreven in de Basisregistratie personen.12  

Het voorgaande gezegd hebbend ontbreekt het [klager] ons inziens ex artikel 3:303 BW aan belang bij de door hem gewenst in te stellen eis. Wij zullen deze eis dan ook niet instellen.  

Eis 2.9 Mijn verletkosten niet naar redelijkheid worden vastgesteld

(…) In beide type procedures komt aan de behandelend rechter discretionaire bevoegdheid toe om te bepalen wat redelijk is. Ook hier geldt weer dat volgens ons aangenomen mag en moet worden dat zij hun functie naar eer en geweten en zonder vooringenomenheid uitoefenen en dat zij op objectieve toetsbare gronden tot een besluit komen, vastgelegd in een toetsbare gerechtelijke uitspraak die zo nodig of desgewenst aan een hogere instantie ter herbeoordeling kan worden voorgelegd (inclusief oordelen omtrent de proceskosten). Wij wijzen ook naar hetgeen wij hierna nog opmerken bij onze beoordeling van Eis 4. Het komt ons in elk geval rechtens niet juist voor te eisen dat de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding daar nog een dwangsom aan verbindt en wij achten de kans dat een dergelijke eis wordt toegewezen nihil. De voorzieningenrechter kan immers niet vooruitlopen op mogelijke besluiten van andere rechters en zij kan zeker niet oordelen wat in toekomstige gevallen redelijk is. Wij zullen deze eis dan ook niet instellen in reconventie.  

Eerdere beoordeling door voorzieningenrechters van Eis 2.3, 2.4, 2.5, 2.7 en 2.9

In het voorgaande hebben wij bij onze beoordeling van Eis 2 (in zijn geheel) nog geen rekening gehouden met het navolgende, hoewel ook dat dus onderdeel uitmaakt van onze beoordeling.  

De vorderingen die [klager] wenst in te stellen en die wij hiervoor als Eis 2.3, 2.4, 2.5, 2.7 en 2.9 hebben beoordeeld zijn ook reeds eerder door [klager] zijn ingesteld en zijn eerder ook allemaal afgewezen (deels op andere gronden dan waarom wij Eis 2 van [klager] niet rechtens juist achten). Een en ander volgt uit de uitspraken in kort geding van de rechtbank Den Haag van 7 februari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:1791) en de daaropvolgende uitspraak in hoger beroep van het gerechtshof Den Haag van 26 september 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1867) waarin het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank is bekrachtigd. (…)  

Los van onze voorgaande beoordeling van de vorderingen die [klager] met Eis 2 in wenst te stellen, kunnen wij ons aanvullend ook vinden in de overwegingen van rechtbank en gerechtshof als grond voor afwijzing van de betreffende eisen van [klager] en zien wij in het onderhavige kort geding ook om die redenen geen andere uitkomst. Daarbij merken wij nog op dat hetgeen de voorzieningenrechter in voormelde procedure overwoog, naar onze mening ook geldt ten aanzien van de door [klager] gewenst in te stellen Eis 2.1, 2.2, 2.6 en 2.8 zoals door ons beoordeeld.  

Eis 3   

[klager] formuleert zijn derde eis als volgt:  

“Dwangsom van 10.000 euro per genoemde onrechtmatigheid per individuele rechtspraakbestuurder met verplichte regresname“   

Wij kunnen deze eis niet plaatsen. De Staat is in deze immers partij én niet “rechtspraakbestuurders” waartegen de eis zich kennelijk richt. In het onderhavige kort geding zal deze eis niet-ontvankelijk zijn. Wat [klager] bedoelt met “verplichte regresname” kunnen wij niet plaatsen, maar dat laten wij verder onbesproken, nu de eis niet tot toewijzing kan leiden.  

Eis 4    

[klager] formuleert zijn vierde eis als volgt: 

“Totale proceskostenvergoeding (advocaat, griffie, reiskosten, verletkosten)”

Wij begrijpen dat [klager] een daadwerkelijke proceskostenvergoeding wenst te ontvangen van de Staat in het onderhavige kort geding. De drempels om een dergelijke eis toegewezen te krijgen, zijn zoals weergegeven in onze beoordeling van Eis 2.1, erg hoog. Er dient sprake te zijn van misbruik van (proces)recht, in dit geval door de Staat. (…)  

Gegeven het in de Dagvaarding weergegeven feitenkader, de bevestiging van een groot deel van de feiten door [klager] (lees: het door hem groot aantal gevoerde procedures tegen de Staat én dat de door de Staat in kort geding overgelegde producties van zijn hand zijn) en de vaststelling door diverse gerechten dat [klager] zelf veelvuldig misbruik van procesrecht heeft gemaakt (zie onze beoordeling van Eis 2.3), zijn wij van oordeel dat in deze niet geconcludeerd zal worden tot misbruik van (proces)recht door de Staat in het onderhavige kort geding. Ook deze gewenste eis is dus haalbaar.  

Voor zover het de procedure in conventie betreft in het onderhavige kort geding, hoeft er te dien aanzien op grond van artikel 237 Rv geen eis in reconventie te worden ingesteld. De voorzieningenrechter dient daarover ambtshalve in conventie te beslissen. Dat moet een rechter dus ook doen indien partijen géén proceskosten vorderen13 en zijn oordeel moet hij ook geven aan de hand van hetgeen partijen daarover wellicht wel aanvoeren, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van misbruik van procesrecht.  

Concluderend over de eisen die [klager] in reconventie wenst in te stellen

Onze juridische beoordeling van de eisen die [klager] in reconventie wenst in te stellen, resulteert ten aanzien van iedere eis in dezelfde uitkomst. Wij achten de kans dat één of meer van die eisen worden toegewezen nihil. Om die reden zullen wij die eisen ook niet instellen.  

Zelf hebben wij – na lezing van de Dagvaarding en bestudering van de mee betekende producties – ook nog nagedacht over mogelijk in te stellen vorderingen in reconventie. Wij hebben geen vorderingen in reconventie kunnen bedenken die in dit geval met enige kans van succes ingesteld zouden moeten of kunnen worden.   

Wellicht ten overvloede vullen wij onze beoordeling nog aan met het volgende.  

Het vereiste spoedeisend belang ten aanzien van de door [klager] gewenst in te stellen eisen in reconventie ontbreekt naar onze mening  

Voor vorderingen in kort geding geldt ex artikel 254 lid 1 Rv dat sprake moet zijn van een spoedeisend belang, alvorens zij voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Dat geldt zowel voor vorderingen in conventie als in reconventie. Wij zien ten aanzien van de vorderingen die [klager] in reconventie wenst in te stellen geen spoedeisend belang, althans niet waarom de vorderingen (voor zover die naar ons oordeel ingesteld kunnen worden, hetgeen niet het geval is) niet in waarom een bodemprocedure niet afgewacht kan worden. Daarbij wijzen wij er op dat de wet niet alleen andere rechtsingangen voorschrijft, maar dat een groot deel van de door [klager] gewenst in te stellen vorderingen in reconventie reeds ruim 2 jaar terug zijn afgewezen en zich er in de tussentijd geen ons bekende feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die thans nopen dat thans sprake is van een spoedeisend belang.  

Aanvullende door [klager] besproken eis  

Tijdens het voormelde intakegesprek dat wij met [klager] hadden, heeft [klager] aangegeven zelf nog een eis tot vergoeding van schade door de Staat met onderbouwing te hebben geschreven. [klager] gaf daarvan aan dat dit stuk thans ter beoordeling ligt bij zijn advocate mr. S. van Buuren. [klager] geeft aan dat het zijn bedoeling is om deze eis zelf op een later moment in een bodemprocedure tegen de Staat in te stellen, maar dat het wellicht een optie is om de eis in het onderhavige kort al mee te nemen. Wij zijn niet bekend met de betreffende eis of de inhoud daarvan. Nu [klager] ten aanzien van die eis kennelijk al bijstand verkrijgt van een andere advocaat, zien wij ons niet genoodzaakt die eis/zaak thans over te nemen. De aard van de betreffende eis (schadevergoeding) leent zich naar ons daarnaast ook niet voor toewijzing in kort geding. Daar komt bij dat wij in het licht van het onderhavige kort geding ook niet inzien dat [klager] enige andere vordering in het kader van het onderhavige geschil met succes zou kunnen instellen, waarmee zijn belangen zouden worden gediend. (…)

Enkele overdenkingen onzerzijds over het verlenen van rechtsbijstand aan [klager]

Gelet op onze beoordeling van de gewenst in te stellen eisen in reconventie door [klager], hebben wij ons ook afgevraagd of het belang van [klager] wordt gediend met het instellen van die eisen. Wij menen van niet en wij zullen die eisen in reconventie dan ook niet instellen. Wij hebben – mede ter beoordeling van die mogelijke eisen in reconventie – uiteraard ook gekeken naar de eisen in conventie van de Staat, naar hetgeen de Staat daaraan ten grondslag legt en hetgeen [klager] ons daarover heeft gemeld.

[klager] bevestigde tijdens ons voormelde intakegesprek dat de producties die de Staat bij Dagvaarding heeft overgelegd en waarvan de Staat aangeeft dat die van de hand van [klager] zijn, ook daadwerkelijk van zijn hand zijn. Dit betreft onder meer een varia aan correspondentie gericht aan zowel algemene adressen van gerechten als direct aan diverse medewerkers daarvan. [klager] uit in deze correspondentie zijn ongenoegen over diverse gerechtelijke instanties en diverse medewerkers daarvan, op een wijze waar wij ons niet in kunnen verplaatsen. De woordkeuze, inhoud en toonzetting die [klager] bezigt komt op ons over als denigrerend, beledigend en intimiderend. Dat komt ons des te meer zo voor gelet op de publicatie van privéfoto’s en het aankondigen van publicatie van privéadressen door [klager] van diverse gerechtelijk medewerkers op publiek toegankelijke kanalen en het door hem direct benaderen van gerechtelijk medewerkers. Deze jarenlange wijze van optreden is er niet één waar wij ons als advocaten in herkennen, wij ons achter scharen of mee associëren en vinden wij het noch in rechte te verdedigen als juist (direct dan wel indirect) en noch verschoonbaar.  

(…) Vanwege het feit dat [klager] kennelijk zelf succesvol een rechtenstudie heeft afgerond in 2021 en reeds vanaf 2004 – en ook ná 2021 – aantoonbaar veel proceservaring heeft opgedaan, onder meer ten aanzien van de thans aan de orde zijnde rechtsvragen, is hij naar onze mening in elk geval in de gelegenheid om zelf daadwerkelijk in conventie het door hem gewenste verweer te voeren en dat ook juridisch te onderbouwen. Dat staat hem op grond van artikel 255 lid 1 Rv ook vrij, nu in conventie geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging.  

Om deze redenen voelen wij ons noch senang, noch genoodzaakt tot het namens of in opdracht van [klager] instellen van eisen in reconventie in het onderhavige kort geding.  

Datzelfde geldt voor het voeren van verweer in conventie. Wij zullen dus noch in conventie en noch in reconventie optreden in die procedure.  

Enkele overweging die wij [klager] meegeven  

Hoewel onze bijstand van [klager] in eerste instantie beperkt was – en thans ook beperkt blijft – tot het afgeven van een procesadvies en het inschatten van zijn positie in kort geding ten aanzien van de door hem gewenst in te stellen eisen in reconventie tegen de Staat zoals aan ons kenbaar gemaakt, merken wij nog wel het volgende op.  

[klager] is naar eigen zeggen al zo’n 20 jaar zeer intensief bezig met allerlei juridische procedures tegen de Staat en andere overheidsorganen. Dat levert in ieder geval ook aan de kant van [klager] zelf een hoop frustratie op. De vraag die voorligt is of [klager] het wel moet willen om nog eens 20 jaar lang met allerlei juridische procedures bezig te zijn. Naar onze verwachting zal dit uiteindelijk niet opleveren wat [klager] wil dat het oplevert. Wij stellen ons dan ook hardop de vraag of de belangen van [klager] gediend worden door het voeren van al die procedures en het (mede daarin en daardoor) ondersteunen van de profilering zoals door [klager] gebezigd.  

Wij begrijpen van [klager] dat hij door alle procedures die hij heeft gevoerd (en nog steeds voert) veelvuldig is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de procedures met een hem onwelgevallige uitkomst. Zijn reguliere baan is hij kwijtgeraakt, naar wij begrijpen houdt ook dat verband met de procedures, die hem tot heden ook veel tijd kosten, en wij begrijpen dat [klager] thans een beperkt inkomen geniet op grond waarvan hij de kosten waarin hij is veroordeeld niet kan voldoen. Dat terwijl [klager] ook aangeeft graag als advocaat, en dus middels reguliere arbeidsparticipatie, deel te willen nemen aan de maatschappij.  

Het komt ons voor dat de verhoudingen tussen enerzijds [klager] en anderzijds de instellingen en partijen waar hij spreekwoordelijk “zijn pijlen op richt” alleen maar verslechtert (sneeuwbaleffect). Het komt ons voor dat het meer in het belang van [klager] is om buiten de rechtszalen om een wijze te zoeken om deze continue en steeds hoger oplopende escalatie te beëindigen en te zoeken naar een oplossing die meer recht doet aan de belangen van [klager]. Daarvoor is uiteraard wel eerst van belang dat [klager] eerst voor zichzelf duidelijk maakt wat hij uiteindelijk wenst te bereiken en beoordeeld wordt in hoeverre dat (thans nog) reëel is. Ook [klager] zal waarschijnlijk immers “water bij de wijn” moeten doen, maar indien daarmee de rust weerkeert en hij zijn sociale en maatschappelijke leven weer op ordentelijke wijze vorm kan geven, is dat naar onze mening de moeite waard. Een mediationtraject onder begeleiding van een onafhankelijke professionele mediator zou wellicht een oplossing kunnen bieden als [klager] daarvoor openstaat.  

Conclusie(s)  

Zoals uit het voorgaande volgt, zien wij op verschillende gronden geen basis om [klager] in het door de Staat tegen hem gestarte kort geding als advocaten rechtsbijstand te verlenen. Wij raden [klager] sterk aan om andere mogelijkheden te onderzoeken om zijn geschillen met (onder meer) de Staat te beëindigen.”  

1.5    Op 17 april 2025 heeft klager aan verweerder geschreven:

“Ik heb besloten om een tuchtklacht tegen je in te dienen. Ook zal ik de nota niet betalen, nu je zelf al aangaf en aangeeft het aanwijzingsbesluit van de deken niet uit te hebben gevoerd en ook niet meer uit te willen voeren. Daarmee ben je zelf in verzuim. Voornamelijk speelt voor mij ook mee dat je - ondanks gemaakte afspraken - niet eens de moeite hebt genomen om op mijn stukken en informatie te wachten. Zo blijft en blijkt rechtspraak maar weer te koop. Voor € 429,55 inclusief btw per uur ziet de wereld er vanuit je ivoren toren(tje) toch echt te anders en te raar uit.  Hopelijk neem je nog wel de moeite om jezelf te verdedigen (sic) bij de tuchtklacht. In ieder geval hoop ik daarmee (en ook voor anderen die geen advocaat kunnen vinden bij procedures door de Staat) dat advocaten zoals jij voortaan minimaal serieus naar een zaak kijken, hoewel dat in praktijk vaak nog steeds geen daadwerkelijke advocaat oplevert.  Hopelijk lukt het mij nog wel tzt, linksom of rechtsom.  Hoe dan ook een volstrekt (en meer dan) zinloze verkwisting van jouw en mijn tijd. Veel succes met paaseieren en je ruggengraat zoeken.”

1.6    Klager heeft diezelfde dag bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.7    Op 18 april 2025 heeft verweerder gereageerd:

“Hoewel ik je daar niet vanaf kan houden, vind ik het spijtig te lezen dat je hebt besloten een tuchtklacht tegen mij in te dienen. Ik zie mij gelet op jouw onderstaande e-mail genoodzaakt daar als volgt op te reageren. (…) 

In mijn opdrachtbevestiging en tijdens ons intakegesprek heb ik je aangegeven dat ik de dagvaarding met bijbehorende producties daarom zou bestuderen in het licht van de door jou gewenst in te stellen tegeneisen. Daarbij gaf ik aan dat ik op basis van hetgeen door jou en de Staat is aangedragen, een beoordeling zou maken van primair de juridische haalbaarheid van de gewenst in te stellen tegenvorderingen. Alleen als ik tot de conclusie zou komen dat die een redelijke kans van slagen zouden hebben, zou ik ook bereid zijn het verweer in conventie op mij te nemen (daarvoor bestaat evenwel zoals bekend geen verplichte procesvertegenwoordiging in kort geding, met andere woorden: daarvoor heb jij geen advocaat nodig). Daar was jij het mee eens omdat het primaat van de discussie wat jou betreft echt zag op de tegenvorderingen. Die vormden voor jou het belangrijkste punt. Hetgeen de Staat vorderde in conventie was voor jou veel minder van belang, omdat je ervan overtuigd bent dat deze vorderingen in conventie op een formeel punt al stranden en wel op het ontbreken van de vereiste spoedeisendheid.   

Op mijn verzoek heb je op 9 april jl. de door jou gewenste tegeneisen op papier gezet. Ook heb je jouw visie (verweer) op de door de Staat ingestelde vorderingen op papier gezet. Jouw standpunten heb je voorzien van een achttal voetnoten met verwijzing naar o.a. rechtspraak. Die tegeneisen inclusief de verwijzingen in de voetnoten heb ik conform de door ons gemaakte afspraken beoordeeld. Daarbij heb ik eerst zoals afgesproken een juridische beoordeling gemaakt. Immers, alleen als de door gewenste tegenvorderingen juridisch haalbaar zijn, is het zinvol om aan de hand van feiten en omstandigheden te beoordelen of de tegenvorderingen een redelijke kans van slagen hebben. Het voorgaande hebben wij in ons digitale onderhoud van 10 april jl. ook zo besproken. Jij was hiermee ook akkoord want na het verstrekken van jouw schriftelijke visie en na ons digitale onderhoud op 10 april jl. heb je ook geen stukken meer naar ons toegestuurd.  

We zijn gezien de aanstaande zitting van 7 mei na onze bespreking op 10 april jl. meteen aan de slag gegaan met de afgesproken beoordeling van de haalbaarheid van de zaak. Op maandagmiddag 14 april jl. hebben we in een 27 pagina’s tellend memo een beoordeling gegeven van de juridische haalbaarheid van de door jou gewenste tegenvorderingen. Dat ik niet serieus naar jouw zaak (in dit geval primair de door jou gewenste tegenvorderingen) zou hebben gekeken, kan ik dan ook niet volgen. Ik heb immers veel tijd en energie ingestoken in het doen van onderzoek naar en beoordelen van de juridische haalbaarheid van de door jou gewenst in te stellen tegenvorderingen. Zoals uit dat memo volgt, zijn de door jou gewenst in te stellen vorderingen juridisch onhaalbaar (anders gezegd: de tegenvorderingen zijn naar mijn mening kansloos) en daarmee ontbrak de noodzaak om eventuele stukken van jouw zijde nog af te wachten; die zouden immers het oordeel niet anders hebben gemaakt, nog daargelaten dat wij ook niet hebben afgesproken dat wij zouden wachten met advies op nadere stukken van jouw kant.  

Ik merk daarbij ten overvloede nog op dat een groot gedeelte van de door jou gewenste tegenvorderingen reeds eerder al een keer door mr. Van Buuren namens jou tegen de Staat zijn ingesteld en door het hof Den Haag zijn afgewezen. Deze rechtspraak wordt nota bene door jou zelf aangehaald in voetnoot 4 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details? id=ECLI:NL:GHDHA:2023:1867&showbutton=true&keyword=2023%253a1867&idx=2). Het voorgaande staat overigens ook in ons memo.  

Uit het voorgaande blijkt dat ik precies gedaan wat de deken heeft beoogd met en van mij heeft gevraagd in zijn aanwijzingsbesluit (zie het hiervoor vermelde citaat uit het aanwijzigingsbesluit).  

Jouw opmerking “nu je zelf al aangaf en aangeeft het aanwijzingsbesluit van de deken niet uit te hebben gevoerd en ook niet meer uit te willen voeren”, waardoor ik “in verzuim” zou zijn, is gezien het voorgaande dus onjuist: ik heb, als jouw advocaat, de door jouw gewenste tegenvorderingen beoordeeld en ben tot de conclusie gekomen dat die naar mijn oordeel kansloos zijn; een kansloze procedure hoef ik niet te voeren.  

Naast de juridische beoordeling van de tegeneisen heb ik – juist gebaseerd op de bestudering van de stukken waarvan jij zelf aangeeft dat die van jouw hand zijn – daarover ook een inhoudelijke beoordeling gemaakt mede in het licht van de door de Staat ingestelde vorderingen én in het licht van al hetgeen is gepasseerd voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding. Ik heb in verband met de gehele voorgeschiedenis ook (morele) bezwaren geuit tegen het in rechte voor jou optreden in de door de Staat aanhangig gemaakte procedure (zowel in conventie als in reconventie). Ook heb ik mijn visie gegeven over hetgeen de Staat in conventie vordert. Daar hoef je het uiteraard niet mee eens te zijn, maar ook laatstgenoemde (inhoudelijke) beoordeling is een beoordeling die uiteindelijk aan mij is én op grond waarvan het mij vrij staat om niet nader voor jou in de procedure op te gaan treden. Zoals de deken immers aangeeft, zijn advocaten onafhankelijk.  

Ik heb veel tijd en energie gestoken om jou – snel, in verband met het aanstaande kort geding – van deugdelijk advies te voorzien. Ik snap dat je teleurgesteld bent over de conclusies van mijn advies, maar dit maakt niet dat het beoordelingstraject een zinloze verkwisting van tijd is geweest, zoals jij stelt. (…)

  2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. 

a)    Verweerder heeft pardoes en tegen de afspraken in een afwijzende memo verstuurd waarin hij weinig meer heeft gedaan dan (uitgebreid) de dagvaarding van de Staat te herkauwen, zonder klager effectief in de gelegenheid te stellen tot wederhoor;

b)    Verweerder heeft met zijn kwaliteit van dienstverlening niet gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.

2.2    Klager heeft in zijn klacht per onderdeel van de memo uiteengezet waarom deze kwalitatief ondermaats is:

-    Het horen van getuigen: Klager heeft een rechtsbelang om de verklaringen van deze personen te gebruiken, zowel om zich tegen de eisen te verweren als om zijn tegenvorderingen te onderbouwen. Het horen van getuigen kan bovendien in een kort geding. Dat ‘volstaan kan worden met een bewijsaanbod’ is niet juist, want het gaat om een dagvaardingsprocedure waarbij klager deze vier getuigen als wederpartij wilde aanmerken. Verweerder heeft miskend dat het niet uitsluitend ging om getuigen, maar om partijgetuigen. Dat is bewust een veel slimmere manier van procedure, omdat de rechter getuigen kan negeren, maar partijen niet. Het is evident rechtens onjuist dat dit ‘niet toewijsbaar is’;

-    De dwangsom in reconventie: De dwangsommen stonden niet op zichzelf, maar zagen op procesrechten die uit de wet volgen. Of een dwangsom wel of geen zelfstandig karakter heeft, is ook niet relevant omdat deze gekoppeld is aan een abstracte of concrete voorwaarde. Verweerder heeft het dus niet begrepen of doet een ‘stromannetje’. Als verweerder de tegeneis via een dwangsom niet goed begrijpt en niet ‘daadwerkelijk en effectief’ opereert via een tegenvordering, dan heeft het recht op een advocaat weinig zin.

-    De aard van SLAPP: Klager wijst erop dat een SLAPP naar zijn aard alleen al onrechtmatig is. Uit een reactie van de wederpartij bleek dat er een onbeperkt budget beschikbaar was gesteld aan de landsadvocaat. Verweerder behoort ook te weten dat iedere procedure op zichzelf staat en dat zijn algemene insteek evident in strijd is met de beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

-    De rechter is vaak wel degelijk procespartij en oorzaak van het probleem: Klager wijst er op dat onrechtmatige rechtspraak helaas een echt fenomeen is. Verweerder miskent dat de Staat als werkgever en opdrachtgever weldegelijk onrechtmatig kan handelen jegens burgers. Verweerder behoort de jurisprudentie te kennen.

-    De aard van wraking: Klager wijst erop dat bij de rechtbanken Rotterdam en Den Haag uitspraken plaatsvinden, vaak zonder zitting, waarbij een reeds gewraakte rechter snel uitspraak doet om een nieuwe wraking, zitting of confrontatie met klager te voorkomen. Verweerder behoort te snappen dat klager een eerlijk proces wil met een onafhankelijke en onpartijdige rechter en recht heeft op een mondelinge behandeling.

-    Het recht op vrijstelling van het griffierecht: Verweerder miskent dat klager de juiste route voor het verkrijgen van vrijstelling voor het griffierecht al volgt. Dit wordt bij de rechtbanken Rotterdam en Den Haag echter direct afgewezen en er wordt misbruik van recht aangenomen. Dat is door hogere rechters meermaals al onrechtmatig bevonden. Het correctiemechanisme waar verweerder op wijst bestaat niet, want de lagere rechters luisteren niet naar de hogere rechters. Een dwangsom is bij uitstek het middel om de Staat/rechter terug te fluiten. Verweerder behoorde de inzet van een dwangsom serieus te overwegen en te bespreken.

-    Rechtsweigering: Omdat sprake is van het structureel weigeren van vrijstelling van het griffierecht en het aannemen van misbruik zonder procedure, levert dit rechtsweigering op. Verweerder behoort dat te weten en te herkennen.

-    Misbruik van recht aannemen vs. Aantonen: Het zegt klager niets dat rechters misbruik van recht ‘aannemen’. Als daar echt sprake van was, werd dit wel aangetoond. Dat is nooit gelukt, want klager doet dat nooit. Verweerder hoort dat verschil te kennen en in te zien.

-    "Kracht van gewijsde”: Klager wijst erop dat een procedure altijd kan worden herroepen als er sprake is van bedrog of onrechtmatige rechtspraak. Dat is geen verkapt hoger beroep. Een onrechtmatigedaadsprocedure op basis van onrechtmatige rechtspraak is een geheel nieuwe procedure. Verweerder behoort die nuance te snappen.

-    Inzet van de anonieme rechter: Het inzetten van een anonieme rechter is in strijd met de Grondwet en Code Zaakstoedeling. Verweerder miskent dat rechters weldegelijk anoniem opereren als zij hun naam vooraf niet kenbaar maken en hun uitspraak zonder zitting afdoen. Als rechters zich structureel niet naar eer en geweten gedragen, dan rechtvaardigt dit een dwangsom om hen hiermee te laten stoppen.

-    Het recht op de mondelinge behandeling: Verweerder miskent dat er een recht op een mondelinge behandeling is voordat er misbruik van recht wordt aangenomen. Verweerder heeft klagers zaak op dit punt onvoldoende onderzocht en sprak als trekpop van de rechterlijke macht.

-    Bewijslast verzending: Verweerder stelt onterecht dat de burger in het bestuursrecht het risico draagt van fouten bij door de overheid verzonden stukken. Dat ligt bij de verzender. Klager wijst erop dat de Sociale Dienst Drechtsteden al jaren post bewust naar het verkeerde adres stuurt. Verweerder had moeten begrijpen dat de Staat onrechtmatig handelt door de bewijslast die bestuursorganen dragen oneigenlijk op klager te leggen.

-    Het behoorlijk oproepen van een getuige: Klager wijst erop dat de rechtbank Den Haag structureel de fout ingaat door van klager adresgegevens te eisen voor het horen van getuigen. Als klager die gegevens niet kent, moet de rechtbank daar onderzoek naar doen en de persoon aanschrijven. Toch zijn er vele rechters die verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor oneigenlijk afwijzen op die manier. Verweerder miskent dat klager deze getuige dan niet zelf kan aanschrijven, want hij heeft de adresgegevens niet. Ook werkt een deurwaarder niet mee zonder toestemming van de rechter. Verweerder behoort dit te begrijpen, net als dat de kantonprocedure daarmee alsnog verkapt tot verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat leidt.

-    Het recht op verletkosten: Verweerder moet snappen dat klagers tijd niet gratis of goedkoop is, maar dat hij een redelijke proceskostencompensatie verdient.

-    Eerder kort geding (tegen de Staat): Verweerder heeft als een dom schaap het blunderende gerechtshof Den Haag gevolgd dat een dwangsom in abstracto niet mogelijk zou zijn. Dat volgt niet uit de wet, er moet slechts een hoofdvordering zijn. 

-    De rechtspraakbestuurders als procespartij en getuige: Verweerder begrijpt niet dat ‘verplichte regresname’ kan via artikel 42 lid 4 Wrra jo. 3:11 en 3:13 BW. Deze tegenvordering hangt samen met het betrekken van de vier rechtspraakbestuurders, hun onrechtmatig handelen en het opleggen van een dwangsom aan hen wegens enerzijds wanbestuur en anderzijds grof plichtsverzuim.

-    Totale proceskosten: Verweerder behoort te weten dat bij een lichtzinnige, frivole, volstrekt kansloze en kwaadaardige procedure een volledige proceskostenvergoeding kan worden opgelegd.

-    Zogenaamd ontbreken spoedeisend belang: Klager hoeft niet af te wachten tot een bodemprocedure, omdat de Staat doorlopend onrechtmatig handelt met onrechtmatige rechtspraak. Een dwangsom is naar zijn aard juist en bij uitstek een effectieve prikkel. Lijfsdwang kan niet bij de Staat, maar wel bij de individuele rechtspraakbestuurders.

-    Geraaskal: Klager begrijpt niet waar verweerder het over heeft waar deze schrijft “Nu [klager] ten aanzien van die eis kennelijk al bijstand verkrijgt van een andere advocaat, zien wij ons niet genoodzaakt die eis/zaak thans over te nemen.”. Klager heeft dit nooit aan verweerder gevraagd.

-    Gelieg: Klager begrijpt niet waar verweerder het over heeft met ‘de publicatie van privéfoto’s’. Het is klager niet duidelijk van die dat dan zou zijn.

-    Hypocrisie: Klager vindt het zielige gejammer van verweerder dat hij hem niet als advocaat wil bijstaan, maar wel vindt dat klager zich kan en mag verdedigen inconsistent. Uiteraard vindt klager dat, maar voor het instellen van tegenvorderingen heeft hij een advocaat nodig. Dat verweerder zegt dat klager in de gelegenheid is om daadwerkelijk in conventie verweer te voeren en dat juridisch kan onderbouwen, staat haaks op de aanwijzing van de deken en zijn eigen opdrachtbevestiging.

-    De aap uit de mouw: Het meest debiele advies ooit: Verweerder heeft buiten de aanwijzing en opdracht om een vingerwijzing aan klager gegeven. Klager gaat geen water bij de wijn doen met fascisten. De Staat dient klagers rechten en vrijheden te respecteren. Klager gaat daar geen concessies toe doen omdat een beperkte advocaat als verweerder dat vindt. Mediation heeft hij al geprobeerd, maar de Staat is het probleem.

  3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING  

Toetsingskader

4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 

Beoordeling

4.2    Volgens klager had verweerder niet enkel moeten beoordelen of hij klager in reconventie kon bijstaan, maar ook in conventie. Daarin kan hij niet worden gevolgd. Uit de aanwijzingsbeslissing van de deken volgt dat hij daartoe enkel is overgegaan omdat klager tegenvorderingen wenste in te dienen, waarvoor hij wél een advocaat nodig had. Verweerder heeft zijn werkzaamheden dan ook primair mogen beperken tot een beoordeling van de haalbaarheid van deze tegeneisen. Daarvoor was zijn rechtsbijstand immers noodzakelijk. Verweerder heeft vanaf het begin af aan ook al uitgelegd pas bereid te zijn om het verweer in conventie op zich te nemen als hij voldoende kansen zag in de reconventie. Dat past binnen de aan hem toekomende vrijheid bij het behandelen van de zaak.

4.3    Verweerder heeft vooraf in heldere en ondubbelzinnige bewoordingen uitgelegd dat hij eerst een beoordeling zou maken van de haalbaarheid van de tegenvorderingen. Dat de memo ‘pardoes’ zou zijn gestuurd, kan dus niet worden gevolgd. Daarbij was verweerder niet verplicht om klager voorafgaand aan zijn memo nog nadere stukken of informatie in te laten dienen. Klager stelt dat daarover een afspraak was gemaakt, maar dat volgt zo niet uit het dossier. In dat verband geldt bovendien dat verweerder de juridische haalbaarheid van de tegenvorderingen zou beoordelen. Een dergelijke beoordeling is bij uitstek aan de advocaat om te maken, omdat dit beperkt is tot een beoordeling van het recht. Verweerder heeft in dat verband ook toegelicht dat de feiten en omstandigheden, waartoe klager informatie had kunnen aanleveren, pas zinvol waren als de tegenvorderingen juridisch ook haalbaar waren. Daarin kan de voorzitter verweerder volgen. Overigens geldt dat klager ook na ontvangst van de memo daarop nog inhoudelijk en met stukken had kunnen reageren. Klager heeft daar kennelijk geen gebruik van willen maken, maar is overgegaan tot het indienen van deze tuchtklacht. Dat maakt verweerders handelen echter, onder verwijzing naar het voorgaande, niet onzorgvuldig. Klachtonderdeel a) is daarom kennelijk ongegrond.

4.4    De voorzitter acht de inhoud van de memo evenmin kwalitatief ondermaats. Verweerder heeft zijn advies voorzien van een uitgebreide motivering, waarin hij is ingegaan op alle door klager gewenste tegenvorderingen. Op punten waar het hem niet volledig duidelijk op welke wijze klager de tegenvordering bedoeld heeft (bijvoorbeeld bij het horen van getuigen), heeft hij diverse uitkomsten beoordeeld. Het advies kan dus ook als volledig worden beschouwd. De uitkomsten waar verweerder toe concludeert acht de voorzitter bovendien niet onjuist. Het stond verweerder daarnaast ook vrij om klager van ‘ongevraagd’ advies te voorzien over de doelmatigheid van de door klager gewenste tegenvorderingen in het licht van zijn jarenlange strijd en persoonlijke situatie. Dat valt, mede gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid, onder de vrijheid die een advocaat heeft bij het adviseren van zijn cliënt. Dat klager het hiermee niet eens is, is begrijpelijk maar dit maakt niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Evenmin kan worden geconcludeerd dat verweerder de dagvaarding van de wederpartij slechts heeft herkauwd. 

4.5    Klachtonderdeel b) is ook kennelijk ongegrond. 

Afsluitende opmerkingen

4.6    Het is de voorzitter gebleken dat klager zich in zijn klacht meerdere malen ongepast en beledigend heeft uitgelaten over verweerder en de rechterlijke macht, terwijl dat op geen enkele wijze functioneel was voor zijn klacht. Zo heeft hij verweerder een ‘zielig mannetje’, ‘treurig mannetje’ en ‘dom schaap’ genoemd. Over de rechterlijke macht heeft klager geschreven ‘totale randdebielen bij de rechtbank Den Haag en Rotterdam’, ‘rechtersgajes’, ‘rechtersratten’ en ‘debiele rechterlijke kankerratten’. De voorzitter geeft in dat verband mee dat (ook) tuchtprocedures op een fatsoenlijke manier gevoerd moeten worden. Mochten er nog dergelijk onfatsoenlijk taalgebruik worden gebruikt door klager, dan zal hem (eenmalig) de kans worden geboden om deze stukken in te dienen zonder dat onfatsoenlijke taalgebruik. Wordt dat niet (tijdig) gedaan, dan moet klager rekening houden met een niet-ontvankelijkheidsverklaring. De voorzitter wijst in dat verband op het arrest Gherardi Martiri/San Marino van het EHRM van 15 december 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1215JUD003551120, (Gherardi Martiri/San Marino), par. 75-76). Vergelijk ook ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1667.

Conclusie

4.7    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 9 december 2025