Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:256
Zaaknummer
250324
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Onvoldoende kans van slagen van de door klager gewenste procedure.
Uitspraak
van 8 december 2025
in de zaak 250324
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
Dekens van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam
hierna gezamenlijk: de deken
1 DE PROCEdURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de (voorgaande) deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De (voorgaande) deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 26 augustus 2025. Zij heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klagers vordering verjaard is en dat de door klager gewenste procedure afgezien van de verjaring geen kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 19 september 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Verder bevat het dossier:
het verweer van de deken, de repliek van klager, de dupliek van de deken.1.4 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 DE FEITEN
2.1 Klager heeft in het verleden deelgenomen aan de Nationale Postcode Loterij (hierna: NPL). Hij heeft in 2002 een brief van de NPL ontvangen, waarin hem werd medegedeeld dat hij drie aandelen KPN had gewonnen. De waarde van de aandelen zou worden uitgekeerd in december 2003 of – als de winnaar dat wenste – in december 2002. In de brief staat verder onder meer:
“Met uw deelname aan de Postcode Loterij steunt u (…). En tegelijk maakt ú elke maand kans op fantastische prijzen, zoals (…) en natuurlijk de Postcode Kanjer van 18,3 miljoen!”
2.2 Klager heeft veelvuldig, zowel zelf als vanaf 2004 met behulp van advocaten, met de NPL gecorrespondeerd om zijn prijs uitbetaald te krijgen. In 2006 en in 2012 heeft klager geprobeerd zelf een vordering bij de rechtbank Zeeland-West Brabant aanhangig te maken, waarop de rechtbank klager heeft bericht dat dat een vordering via een door een advocaat opgestelde dagvaarding ingediend moet worden.
2.3 NPL heeft op 22 december 2006 in antwoord op een brief van klager onder meer geschreven:
“Naar aanleiding van uw aanmeldbon uit 2001 is er een verkeerd rekeningnummer in onze administratie vermeld. Hierdoor hebben wij voor de speelmaand december 2001 geen inleggeld kunnen afschrijven van uw rekening. U speelde deze maand dus niet mee. U heeft dan ook geen recht op de KPN-aandelen die in december 2001 op uw lotnummers zijn gevallen.”
2.3 In 2007 is klager kort bijgestaan door een advocaat, mr. H. Deze bijstand leidde tot een geschil over de kwaliteit van de dienstverlening, dat is voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur. Uit de beslissing van de Geschillencommissie van 22 januari 2008 blijkt dat klager van mening was dat hij € 18,3 miljoen (de Postcodekanjer) had gewonnen, dat mr. H bij telefonische navraag van de NPL had vernomen dat het ging om drie KPN-aandelen ter waarde van in totaal € 18,00 en dat de NPL zich bereid had verklaard het bedrag van € 18,00 alsnog aan klager uit te betalen. De Geschillencommissie oordeelde dat uit de overgelegde stukken niet was gebleken dat de bevindingen van mr. H onjuist waren. Uit de brief van de NPL uit 2002 heeft mr. H terecht opgemaakt dat klager niet het bedrag van € 18,3 miljoen heeft gewonnen, doch slechts de aandelen KPN, aldus de Geschillencommissie. Het door klager verzochte bedrag aan vergoeding van mr. H werd – bij wijze van bindend advies – door de Geschillencommissie afgewezen.
2.4 In 2013 is klager in deze kwestie bijgestaan door advocaat mr. G, die in november en december 2013 met de NPL heeft gecorrespondeerd. Op 23 december 2013 heeft mr. G klager uitgenodigd om te praten over de risico’s van de door klager gewenste procedure, waarna mr. G niet verder voor klager heeft opgetreden.
2.5 In 2019/2020 heeft advocaat mr. EH namens klager gecorrespondeerd met de NPL en een concept dagvaarding opgesteld. Mr. EH heeft de dagvaarding niet uitgebracht, omdat hij geen kans van slagen zag in de door klager gewenste procedure. Klager bleek namelijk niet alleen aanspraak te willen maken op de drie aandelen KPN die hij zou hebben gewonnen, maar stelde op allerlei onnavolgbare manieren bewijs te hebben dat hij € 23.012.500,- had gewonnen, aldus mr. EH. De Geschillencommissie Advocatuur heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klachten, omdat die te laat, namelijk in 2024, zijn ingediend.
2.6 Ook na 2020 is klager (veelvuldig) blijven corresponderen met de NPL.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert aan dat hij wel degelijk de verjaring van zijn vordering heeft gestuit. Hij verwijst naar de vele brieven die aan de NPL zijn gestuurd.
3.2 Klager is van mening dat uit de brief van de NPL uit 2002 blijkt dat hij de winnaar is van die kanjerprijs. Klager heeft een trofee gewonnen in de vechtsport, waarin Genius (= Kanjer) is gegraveerd. Deze naam staat ook op de trofeeën van de NPL. Klager stelt verder onder meer:
“De kanjerprijs heb ik ook met mijn verjaardag op de maankalender gewonnen en zou ook anderhalf jaar later nogmaals op mijn verjaardag uitgekeerd worden, de kanjerprijs staat/stond ook gegraveerd op mijn trofeeën waarover ik beschik en ook mijn eigendommen zijn, zoals de naam van de prijs (kanjer) staat gegraveerd en de totale som (…).
Op een 14e trekking eind december 2001 10 dagen voor mijn verjaardag (07-01-2002 dit is trouwens ook een maandelijkse trekkingdag) is er een totale som van € 23.012.500.,- onder deelnemers verloot in de Nationale Postcode Loterij en ik ben precies 1 jaar later op een 14e trekking ook 23 jaar geworden. Dus de totale gewonnen som is ook mijn leeftijd en een graveerplaat van mijn groene trofee als je die converteert naar de maankalender.”
Verweer
3.3 Op het verweer van de deken wordt hierna voor zover nodig ingegaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen van het hof
4.2 Klager is in de loop der tijd door diverse advocaten bijgestaan. Zij hebben hem allemaal geadviseerd om geen procedure te voeren tegen de NPL, omdat een procedure onvoldoende kans van slagen heeft. Geen van die advocaten heeft uit de brief van NPL uit 2002 kunnen opmaken dat klager iets anders dan drie aandelen KPN (ter waarde van in totaal € 18,-) had gewonnen, al dan niet in combinatie met de argumenten die klager ontleent aan zijn trofeeën, zijn verjaardag en de maankalender. Geen van de betrokken advocaten is om die reden een procedure gestart. Ook zijn eerdere klachten door klager daarover tegen de betrokken advocaten door de Geschillencommissie Advocatuur afgewezen (of is hij daarin niet-ontvankelijk verklaard).
4.3 Met de deken is het hof van oordeel dat klager door zijn eerdere advocaten juist is geadviseerd over de onhaalbaarheid van de door hem gewenste procedure. Het hof is dan ook van oordeel dat de deken het verzoek tot aanwijzing van een advocaat op goede gronden heeft afgewezen. Daarbij kan in het midden blijven of de verjaring (telkens) op correcte wijze is gestuit.
4.4 Het beklag is op grond van het voorgaande ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 26 augustus 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 .
griffier Voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 december 2025.
