Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:170

Zaaknummer

25-737/DB/LI

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De tuchtrechter is (kennelijk) onbevoegd om kennis te nemen over AVG-klachten. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond. Verweerder heeft klager mede kunnen delen dat als de Belgische belastingdienst (FOD) nog vragen had over de bankrekening van zijn cliënt, dat de FOD zich tot hem kon wenden. Niet gebleken van het verstrekken van onjuiste informatie. Verweerder mocht namens zijn cliënt standpunten innemen die afwijken van klager. Het is niet aan klager om te bepalen door welke advocaat zijn wederpartij zich laat bijstaan. Herhalen van passages uit de conclusie van antwoord in het verweerschrift op de tuchtklacht is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Benoemen van de deken als ‘confrère’ en klacht als ‘verwijt’ is niet klachtwaardig. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch  van 9 december 2025 in de zaak 25-737/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klager

en

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) van 24 oktober 2025 met kenmerk K25-050 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1-1 tot en met 10. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 10 november 2025.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is, nadat daartoe op een zitting bij de kantonrechter een vaststellingsovereenkomst was gesloten, in augustus 2023 uit dienst getreden bij zijn werkgever [APM]. Klager was destijds als ‘vice president operations’ werkzaam bij APM, in welk verband hij bestuurder van het bedrijf ICD was, waarvan zijn voormalig werkgever (indirect) aandeelhouder is.

1.2    Klaagster is getrouwd met klager. Zij zijn fiscaal partners van elkaar. 

1.3    Op 9 januari 2025 heeft de Belgische Federale Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD) klager om inlichtingen gevraagd in het kader van de personenbelasting over diverse bankrekeningen, waaronder een rekening van ICD bij de Deutsche Bank in China. Klager heeft over dit verzoek gecorrespondeerd met zijn voormalige werkgever en met de FOD.

1.4    Op 22 januari 2025 heeft APM, via haar advocaten in China, ICD een verklaring laten opstellen over de zakelijke aard van de betreffende rekening. Deze verklaring is aan klager toegezonden. Op 27 januari 2025 heeft klager APM in gebreke gesteld en geëist dat alle door de FOD verzochte informatie persoonlijk aan hem zou worden verstrekt. Ook heeft klager APM verboden om over de kwestie in contact te treden met de FOD. APM heeft daarop geantwoord dat als de FOD nadere vragen heeft, de FOD rechtstreeks informatie bij APM kan inwinnen. Klager heeft volhard in zijn verzoek om informatie, wat door APM is afgewezen omdat het ging om bedrijfsvertrouwelijke informatie die zij volgens de advocaten in China niet mocht delen met klager.

1.5    Op 4 februari 2025 heeft APM besloten de opgestelde verklaring rechtstreeks naar de FOD te sturen. Daarbij is het kenmerk (‘nationaal nummer’) gebruikt dat door de FOD is vermeld in de brief waarin om informatie werd verzocht. Dit nationaal nummer komt overeen met het rijksregisternummer (gelijk aan een burgerservicenummer) van klager.

1.6    Op 13 februari 2025 heeft klager APM gedagvaard (hierna: de bodemprocedure), omdat APM volgens klager niet zou hebben voldaan aan de afspraken over het verstrekken van een positief getuigschrift. Ook zou APM niet hebben voldaan aan de vrijwaringsafspraak door geen informatie te verstrekken over de Chinese bankrekening.

1.7    Eind februari 2025 heeft de jurist van APM telefonisch contact gehad met de FOD over de Chinese bankrekening. 

1.8    Op 25 maart 2025 heeft klager APM gedagvaard in kort geding (hierna: de kortgedingprocedure), om informatie te verkrijgen over de Chinese bankrekening.

1.9    Op 2 april 2025 heeft een medewerker van de FOD aan klager geschreven:

“Zoals telefonisch besproken bevestig ik bij deze dat op 28/2/2025 uw ex-werkgever ons gecontacteerd heeft om uw dossier te bespreken. Om door te geven over welk dossier het gaat is hierbij vereist dat de beller uw rijksregisternummer kenbaar maakt aan onze diensten. Hieronder een screenshot van opmerkingen die in uw dossier geplaatst zijn dit aanslagjaar met bewijs dat ex-werkgever gebeld heeft en dat er geen info verstrekt is: (…)”  

1.10    Op 4 april 2025 heeft klager verweerder een herinnering verstuurd om de vragen van de FOD volledig te beantwoorden.

1.11    Op 6 april 2025 heeft klager aan APM een ‘ingebrekestelling wegens onrechtmatig gebruik van rijksregisternummers en schadevergoeding’ verstuurd.

1.12    Op 9 april 2025 heeft verweerder namens APM aan klager geschreven:

“U veronderstelt dat de FOD Financiën u vraagt naar informatie aangaande de zakelijke bankrekening van het dochterbedrijf van cliënte dat gevestigd is in China, [ICD]. Cliënte kan uit de toegezonden e-mails echter niet afleiden dat door de FOD naar dergelijke informatie gevraagd wordt. Wat de FOD wel doet, is vragen naar informatie die relevant is voor uw fiscale inkomstenbelasting in België. De gegevens van het dochterbedrijf (ICD) van cliënte uit China zijn daarvoor niet relevant.  

Cliënte heeft vanaf uw eerste verzoek actie ondernomen om middels verklaringen van ICD de vereiste duidelijkheid te verschaffen aan de FOD. Cliënte heeft bij de FOD aangetoond dat het om een zakelijke bankrekening gaat en de FOD heeft aangegeven dat wat haar betreft “de zaak gesloten is”, voor zover het om de aard van de bankrekening van ICD gaat.  

Volledigheidshalve merk ik nog op dat het delen van bedrijfsvertrouwelijke informatie van een juridische entiteit in China, dient te gebeuren conform Chinese wet- en regelgeving. Cliënte heeft advies ingewonnen bij haar Chinese advocaat, die heeft aangegeven dat bedrijfsvertrouwelijke informatie ter bescherming van ICD en dat van haar tegenrekeninghouders, alleen onder de navolgende voorwaarden met derden gedeeld mag worden:   

1. Het moet gaan om een formeel verzoek van een dienst van de buitenlandse overheid (de Belastingdienst), en dit verzoek moet direct gericht zijn aan de formele rekeninghoudster van de betreffende bankrekening, in dit geval ICD, plus   

2. De betreffende dienst van de buitenlandse overheid moet een juridische basis hebben om dergelijke informatie op te vragen. Het delen van dergelijke vertrouwelijke bedrijfsinformatie aan een privé persoon is dus in strijd hiermee. Wil de FOD deze informatie hebben, dan zal de FOD een formeel verzoek moeten richten aan ICD. Dat zal vermoedelijk niet gebeuren, nu zoals gezegd de FOD heeft aangekondigd geen nadere vragen meer te hebben c.q. geen verder onderzoek te doen naar de bankrekening van ICD. De FOD heeft deze stelling ingenomen nadat cliënte de verklaringen van ICD rechtstreeks met de Pagina 20 van 27 FOD heeft gedeeld, omdat u geen inzicht wilde geven of deze verklaringen al door u met de FOD gedeeld waren. Als er ondanks de verklaringen van ICD en cliënte nog steeds onduidelijkheid bestaat bij de FOD, dan kan de FOD daar, zoals ook al eerder aangegeven, rechtstreeks contact voor opnemen met cliënte in de persoon van de heer Steegmans, die haar in contact kan brengen met ICD, of met mij als de belangenbehartiger van cliënte. Tot slot begreep ik van cliënte dat u van mening bent dat cliënte uw privacy heeft geschonden door het Rijkskenmerk te noemen in het contact met de FOD. Cliënte bestrijdt dat van een schending van uw privacy sprake is. U heeft dit Rijkskenmerk nota bene zelf met cliënte gedeeld. Voor zover al sprake zou zijn van een schending, dan geldt dat de inbreuk die cliënte heeft gemaakt op uw privacy, conform de AVG gerechtvaardigd is. Zoals gezegd is dit kenmerk door uzelf verstrekt en ook door de FOD tot zaakkenmerk gemaakt. Ook heeft u cliënte betrokken in een gerechtelijke procedure, en is één van uw claims gericht op het delen van informatie met de FOD. Cliënte moet zich hiertegen op een juiste wijze kunnen verweren, waarvoor contact met de FOD noodzakelijk was.”

1.13    Op 23 april 2025 heeft klager daarop gereageerd:

“Vandaag werd ik gecontacteerd door de FOD Financiën m.b.t. jouw onderstaand bericht. In het meer dan 30 min. durende telefoongesprek heeft de FOD Financiën zich uitdrukkelijk gedistantieerd van alle uitspraken en aantijgingen die U maakt aan haar adres. Tot deze conclusie is de FOD Financiën gekomen na uitvoering van een uitgebreid intern onderzoek. De FOD Financiën is een overheidsinstantie, met wettelijke plicht tot objectiviteit en correcte verslaglegging. U daarentegen bent een privé persoon die opkomt voor een partij met onrechtstreeks belang in de zaak (die zich onrechtmatig rechtstreeks probeert te mengen). De FOD Financiën zal hier niet lichtvaardig overheen gaan; zij is nu gehouden aan het initiëren van een strafonderzoek tegen U en/of Uw cliënte. Ik behoud me het recht voor om een klacht tegen U in te dienen bij de Orde van Advocaten.”

1.14    Op 25 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

1.15    Op 30 april 2025 heeft verweerder, samen met een kantoorgenoot, een conclusie van antwoord ingediend in de bodemprocedure.

1.16    Bij brief van 5 mei 2025 heeft de Corporate Ethics Officer van APM aan klager onder meer medegedeeld geen overtreding van de AVG te hebben aangetroffen en de klacht daarover ongegrond bevonden.

1.17    Op 7 mei 2025 heeft klager een klacht ingediend bij de Gegevensbeschermingsautoriteit in België wegens inbreuk op zijn privacy. De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft de klacht ontvankelijk verklaard en is overgegaan tot beoordeling daarvan. 

1.18    Op 22 mei 2025 heeft de Corporate Ethics Officer van APM laten weten de berichten van klager van 17 mei 2025 te bekijken en te bepalen of er stappen ondernomen dienen te worden.

1.19    Op 23 mei 2025 heeft de zitting in kort geding plaatsgevonden. APM is tijdens deze zitting niet vertegenwoordigd door verweerder, maar diens kantoorgenoot waarvan verweerder de patroon is. De kantoorgenoot van verweerder heeft voor dit kort geding een conclusie van antwoord ingediend.

1.20    Op 4 juni 2025 heeft de FOD aan klager medegedeeld voldoende informatie te hebben om te kunnen besluiten dat de Chinese bankrekening niet aan klager kan worden toegeschreven.

1.21    Bij vonnis in kort geding van 20 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van klager afgewezen.

1.22    Op 21 juni 2025 heeft klager verweerder in gebreke gesteld vanwege een ernstige privacy inbreuk en onder meer een schadevergoeding van € 5.000,- geëist. 

1.23    Op 1 juli 2025 heeft de klachtenfunctionaris van verweerders kantoor de schadeclaim van 21 juni 2025 afgewezen.

1.24    Bij brief van 18 september 2025 heeft de FOD aan klager bericht dat er geen gegevens zijn gedeeld of is gecommuniceerd over klager en zijn dossier met APM.

1.25    Bij vonnis in de bodemprocedure van 24 september 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van klager afgewezen.

 

2    KLACHT

2.1    Klagers hebben hun klacht in 183 pagina’s, exclusief bijlagen, gedetailleerd toegelicht. Daarin worden een veelvoud aan verwijten geuit aan het adres van verweerder, onder meer door per randnummer van de door verweerder ingenomen standpunten uiteen te zetten waarom daarmee (aanvullend) tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn gehandeld. Gelet op de omvang van de verwijten is het ondoenlijk om deze opgesomd weer te geven. De voorzitter zal daarom volstaan met een verkorte weergave van hetgeen klager in zijn processtukken naar voren heeft gebracht.

2.2    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende. 

a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met de AVG door persoonsgegevens van klagers te verwerken en te delen met de klachtenfunctionaris van zijn kantoor en de deken;

b)    Verweerder heeft zich onterecht en tegen de opdracht van klager in opgeworpen als intermediair met de FOD en klager verboden om zelf met de FOD te communiceren;

c)    Verweerder heeft onvoldoende onafhankelijk gehandeld door zich te scharen achter de standpunten van zijn cliënt en deze te verdedigen, waardoor ook sprake is van belangenverstrengeling en onevenredige benadeling jegens klager;

d)    Verweerder heeft meermaals in strijd met artikel 21 Rv en de gedragsregels gehandeld, door onwaarheden te verkondigen in de conclusies van antwoord en deze te herhalen in zijn verweerschrift;

e)    Verweerder heeft zijn verantwoordelijkheid ontlopen door in de kortgedingprocedure zijn naam niet onder de conclusie van antwoord te plaatsen en niet op de zitting te verschijnen, maar dit door een onervaren advocaat-stagiaire te laten doen;

f)    Verweerder heeft de deken aangesproken als ‘confrère’;

g)    Verweerder heeft de klachten van klager aangemerkt als ‘verwijten’;

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Waar gaat deze tuchtklacht over?

4.1    Een tuchtklacht is gericht tegen een individuele advocaat. Dat betekent dat de voorzitter binnen het kader van deze tuchtklacht alleen een oordeel kan geven over wat verweerder heeft gedaan. De omvangrijke verwijten aan het adres van klagers voormalige werkgever, de jurist van dit bedrijf en de deken vallen daar dus buiten. De voorzitter gaat daar dan ook niet op in.

Toetsingskader

4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.3    In de klacht wordt uitvoerig gewezen op gedragsregels voor de Belgische advocatuur en Belgische (grond)wetsartikelen. De voorzitter stelt vast dat verweerder als advocaat is ingeschreven op het Nederlandse tableau en enkel heeft opgetreden in twee procedures in Nederland (de rechtbank Limburg). De voorzitter zal het oordeel daarom ook beperken tot toetsing aan artikel 46 van de Advocatenwet en de bijbehorende Nederlandse gedragsregels. De enkele omstandigheid dat de onderliggende kwestie zag op een informatieverzoek voor klagers inkomstenbelasting (personenbelasting) die hij in België dient te betalen, maakt niet dat verweerder grensoverschrijdend heeft gehandeld.

Klachten over de AVG

4.4    Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of sprake is van een schending van de AVG. Dat oordeel is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens (zie HvD 4 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:148). De voorzitter zal zich daarom kennelijk onbevoegd verklaren ten aanzien van de klachten die raken aan de gestelde privacyschending.

‘Intermediair’

4.5    Klagers beklagen zich uitvoerig over het contact dat heeft plaatsgevonden met de FOD. De voorzitter stelt echter vast dat niet verweerder, maar de jurist van APM contact heeft opgenomen met de FOD. Dat kan verweerder niet worden aangerekend. Datzelfde geldt voor het rechtstreeks toesturen van de verklaring aan de FOD. Ook dat is niet door verweerder, maar door (de jurist van) APM zelf gedaan.

4.6    Slechts gebleken is dat verweerder heeft gezegd dat de FOD met hem contact kon opnemen als er nog vragen waren over de bankrekening die van zijn cliënte (althans: ICD) was, omdat de bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet aan klager zelf kunnen worden verstrekt. Dat is geen onpleitbaar standpunt. Dat is bovendien niet tuchtrechtelijk verwijtbaar om aan te bieden, maar toont juist een welwillende houding aan om tot een werkbare oplossing te komen. Klagers waarderen dat kennelijk niet, maar zij waren niet verplicht om daar gebruik van te maken.

Klachten over artikel 21 Rv

4.7    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder in de procedures feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan hij wist of behoorde te weten dat die onjuist is. Klager heeft in dat verband talloze voorbeelden aangevoerd, maar deze komen er in de kern op neer dat klager het niet eens is met wat APM heeft gedaan of welk standpunt APM daarover heeft ingenomen. De voorzitter herhaalt op dit punt dat verweerder heeft mogen uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënte ontving. Ook heeft verweerder, als partijdige belangenbehartiger, het standpunt van APM over de kwesties naar voren mogen brengen. Dat klager daar anders over denkt, het bewijsmateriaal anders waardeert of een andere juridische uitleg aan geeft, maakt niet dat verweerder geen afwijkend standpunt heeft mogen innemen of, in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt, een nadere onderzoeksplicht had. Ook was verweerder niet tuchtrechtelijk gehouden om de namens zijn cliënte ingenomen standpunten te onderbouwen met bewijsstukken op de wijze die klager meent dat nodig was. Als klager het niet eens was met het standpunt dat verweerder namens zijn cliënte innam, dan kon klager daarop reageren binnen de procedures bij de rechtbank en dit (gemotiveerd) weerleggen. Daar kon dan door de (voorzieningen)rechter over worden geoordeeld in diens vonnis. Het tuchtrecht is niet de plek om die procedures opnieuw te voeren. Als klager het niet eens is met de vonnissen, dan had hij daartegen hoger beroep kunnen instellen. 

4.8    Dat verweerder namens zijn cliënte een standpunt heeft ingenomen dat afwijkt van klagers visie, maakt ook niet dat verweerder reeds daarom onvoldoende onafhankelijk heeft gehandeld, zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling of dat hij klagers belangen onevenredig heeft benadeeld. Op basis van het dossier kan niet anders worden vastgesteld dan dat verweerder de belangen van zijn cliënte heeft verdedigd binnen de aan hem toekomende vrijheid. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, voor zover de tuchtrechter daarover bevoegd is om te oordelen, is niet gebleken. 

Zitting van 23 mei 2025

4.9    Het is niet aan klager om te bepalen door welke advocaat zijn wederpartij zich laat bijstaan, zowel bij het opstellen van een processtuk als op een zitting. Evenmin kan klager klagen over het feit dat verweerder deze zitting door een andere advocaat(-stagiaire) laat doen. Daar heeft hij geen rechtens relevant belang bij. Hetzelfde geldt voor het feit dat verweerder verhinderd was om bij een zitting aanwezig te zijn. 

Het verweerschrift

4.10    Het is de voorzitter ook niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in zijn verweerschrift passages uit de conclusie van antwoord te herhalen. Het is aan een verwerende advocaat om te bepalen op welke wijze deze zich wenst te verweren op een tuchtklacht. Verweerder heeft dus de vrijheid om, naar eigen goeddunken, een standpunt in te nemen. Daar heeft de klagende partij geen invloed op. Verweerder heeft de klachten op zakelijke toon weersproken. Niet gebleken is dat hij daarbij onwaarheden naar voren heeft gebracht. Klager mag een ander beeld hebben over wat er is voorgevallen en hoe dat juridisch moet worden uitgelegd, maar dat laat onverlet dat verweerder dat standpunt ook in de tuchtprocedure heeft mogen innemen. Het is in dat verband ook niet verwijtbaar om een samenvatting te geven van de voorgeschiedenis of van de gesloten vaststellingsovereenkomst. Verweerder heeft daarmee bedoeld de tuchtklacht, die aanvankelijk alleen zag op de gestelde privacyschending, in context te plaatsen. 

Taalgebruik in het verweerschrift

4.11    De voorzitter ziet verder niet in waarom verweerder klachtwaardig zou hebben gehandeld door de deken een ‘confrère’ te noemen. Dat is een binnen de advocatuur gebruikelijke, respectvolle aanspreekvorm tussen advocaten onderling. De vele zorgen die klager daarover uit, zoals een schending van de neutraliteit of beïnvloeding, acht de voorzitter misplaatst.

4.12    Datzelfde geldt voor het gebruik van de term ‘verwijt’ in plaats van klacht. Dat is een gebruikelijke term binnen het tuchtrecht, aangezien hierin wordt beoordeeld of een advocaat tuchtrechtelijk ‘verwijtbaar’ heeft gehandeld. Ook de tuchtrechter hanteert die term veelvuldig.  Conclusie

4.13    Concluderend is het de voorzitter op basis van het voorliggende dossier, ook voor zover het betreffende verwijt niet expliciet is genoemd in deze beslissing, niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, voor zover dat oordeel is voorbehouden aan de tuchtrechter. De voorzitter zal daarom: -    de raad kennelijk onbevoegd verklaren, voor zover de klacht raakt aan een schending van de AVG; -    de klacht voor het overige kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: -    de raad, voor zover de klacht raakt aan een schending van de AVG, kennelijk onbevoegd; -    de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 9 december 2025