Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:256
Zaaknummer
25-322/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over een gezamenlijke echtscheidingsadvocaat. Klacht deels niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem, omdat klagers ex-partner al over de kwaliteit van de dienstverlening heeft geklaagd. Klacht voor het overige ongegrond, omdat niet is gebleken dat verweerder klager heeft zwartgemaakt bij zijn (mogelijke) nieuwe advocaten.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 8 december 2025
in de zaak 25-322/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. E.H. Metgod
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 14 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/054 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 oktober 2025. Klager heeft digitaal deelgenomen aan de zitting. Verweerder en zijn gemachtigde hebben fysiek deelgenomen aan de zitting.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 21. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 2 juni 2025 en van verweerder van 5 juni 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager was hiervoor getrouwd met mevrouw H. Zij hebben zich gewend tot verweerder voor een gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek. Verweerder heeft het echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank, die op 26 september 2023 de echtscheiding heeft uitgesproken. De beschikking is nadien niet ingeschreven door verweerder, omdat hij geen ondertekende akte van berusting ontving van klager. In 25 januari 2024 heeft verweerder zijn werkzaamheden voor zowel klager als zijn ex-vrouw neergelegd wegens onder meer een vertrouwensbreuk.
Klager is daarna op zoek gegaan naar een nieuwe advocaat, eerst bij mr. W en vervolgens bij mr. S. Beide advocaten hebben verweerder benaderd. Op 24 januari 2024 heeft verweerder aan mr. W geschreven:
“Zoals zojuist telefonisch met u besproken bevestig ik u dat ik namens [klager] verder geen werkzaamheden kan verrichten daar ik tot op heden voor cliënt [klager] en zijn echtgenote cliënte mevrouw [H] gezamenlijk ben opgetreden.
Van de zijde van mevrouw [H] bereikte mij gisteren het bericht dat de echtscheiding en het opgestelde convenant en ouderschapsplan onder dwaling/dwang en bedrog tot stand is gekomen en mij geen toestemming wordt gegeven om verdere werkzaamheden te verrichten.
Zoals ik u berichtte had ik al eerder het vermoeden dat [klager] informatie voor mij achterhield.”
Mr. W heeft daarop kenbaar gemaakt niet namens klager op te treden.
2.3 Ook de nieuwe advocaat van mevrouw H, mr. C, heeft zich bij verweerder gemeld als opvolgend advocaat. Verweerder heeft aan haar op 26 januari 2024 geschreven:
“Ik zal het dossier per post aan u versturen. Op voorhand zend ik u afschriften van de laatste berichten van mij aan mevrouw [H] en [klager].
Graag heb ik ook even telefonisch overleg met u. Voor wat betreft [klager] kan ik u berichten dat deze aanvankelijk aangaf dat [mr. W] hem verder zou bijstaan maar die heeft mij inmiddels bevestigd dat zij hem niet bijstaat.
Vervolgens heeft [mr. S] mij telefonisch benaderd maar die heeft mij telefonisch bevestigd dat zij meneer niet zal bijstaan. Er heeft zich verder geen advocaat bij mij gemeld.
Kunt u mij vandaag even bellen?”
2.4 De ex-vrouw van klager heeft al eerder een klacht ingediend over verweerder. De raad heeft die klacht op 13 januari 2025 gegrond verklaard, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende zware zorgplicht als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat. (ECLI:NL:TADRSGR:2025:1). Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, zodat de beslissing onherroepelijk is geworden.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder is zijn zorgplicht in de echtscheidingsprocedure niet nagekomen, waardoor klager in ernstige financiële en gezondheidsproblemen is gekomen;
b) Verweerder heeft er in opdracht van klagers ex-vrouw alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat klager geen opvolgend advocaat kon vinden die de zaak op toevoegingsbasis wilde overnemen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Klachtonderdeel a)
Toetsingskader
5.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
Beoordeling
5.2 Klachtonderdeel a) ziet op het schenden van de zorgplicht door verweerder als gemeenschappelijke echtscheidingsadvocaat. De raad heeft bij zijn beslissing van 13 januari 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:1) al geoordeeld dat verweerder niet aan deze zorgplicht heeft voldaan, nadat klagers ex-vrouw daarover een klacht heeft ingediend. Klachtonderdeel a) is dus inhoudelijk een herhaling van de klacht die heeft geleid tot de hiervoor genoemde beslissing. Daarop is onherroepelijk beslist. De raad kan en zal zich daar niet nog een keer over buigen, gelet op het ne bis in idem-beginsel (zie HvD 9 maart 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:38). Klachtonderdeel a) wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Klachtonderdeel b)
Toetsingskader
5.3 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.
Beoordeling
5.4 Op basis van het dossier kan de raad niet vaststellen dat verweerder klager heeft zwartgemaakt bij zijn (mogelijk) nieuwe advocaten. Dat blijkt niet uit de correspondentie die verweerder heeft overgelegd. Hoewel de passage ”Zoals ik u berichtte had ik al eerder het vermoeden dat [klager] informatie voor mij achterhield.” hier wellicht op kan wijzen, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij daarmee bedoelde dat klager hem niet heeft verteld dat er geen consensus meer was over de echtscheiding, wat verweerder pas later van mevrouw H bevestigd kreeg. Die uitleg acht de raad voldoende om deze passage te verklaren. Klager heeft dit klachtonderdeel ook verder niet onderbouwd, zodat de raad niet kan vaststellen dat verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat opvolgend advocaten niet voor klager wilden optreden op basis van een toevoeging, ziet niet op het handelen of nalaten van verweerder. Dit kan hem dus niet worden aangerekend. Klachtonderdeel b) is ongegro
Conclusie
5.5 Klachtonderdeel a) is niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. M. van Eck en W. Knoester, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 december 2025
