Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:249
Zaaknummer
25-689/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de bijstand van de eigen advocaat in een kort geding tussen een franchisegever en -nemer. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder tekort is geschoten in zijn dienstverlening aan klager. Klager was er mee bekend dat het onderwerp knowhow van groot belang was. Van klager mocht worden verwacht dat hij alle knowhow ter kennis van verweerder bracht. Verweerder mocht erop vertrouwen dat klager alle relevante feitelijke informatie had gemeld.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 2 december 2025 in de zaak 25-689/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: [W]
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 9 oktober 2025 met kenmerk K106 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen namens klager van 27 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is een franchisegever. Klager is in een geschil verwikkeld (geweest) met een aantal franchisenemers, waaronder CY.
1.2 Bij brief van 7 juni 2024 heeft een aantal franchisenemers, waaronder CY, klachten geuit over het functioneren van (het bestuur van) klager en is klager door de franchisenemers in gebreke gesteld.
1.3 Op 10 juni 2024 heeft (de gemachtigde van) klager verweerder verzocht om bijstand in deze kwestie.
1.4 In het najaar van 2024 heeft CY de franchiseovereenkomst met klager opgezegd per 1 december 2024. Daarover is tussen klager en CY gecorrespondeerd. Per 1 december 2024 heeft CY de deelname aan de formule van klager beëindigd en is op dezelfde locatie een concurrerende onderneming gestart.
1.5 Op 3 december 2024 heeft verweerder, namens klager, CY (en directeur G) aangeschreven over de opzegging. Verweerder heeft CY in de e-mail ook aangesproken op het overtreden van het postcontractuele non-concurrentiebeding en gesommeerd de concurrerende activiteiten te staken en gestaakt te houden. Verweerder heeft laten weten dat als CY niet aan de sommaties voldoen, een kort geding zal worden gestart.
1.6 Op 11 december 2024 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen (de advocaten van) klager en CY en haar advocaat.
1.7 Op 12 december 2024 heeft verweerder een offerte voor het te voeren kort geding aan klager gestuurd. Na een aanpassing is klager op 16 december 2024 akkoord gegaan.
1.8 Op 23 december 2024 heeft verweerder een eerste concept van de dagvaarding in kort geding aan klager gestuurd. De concept dagvaarding maakt onderdeel uit van het klachtdossier. In de punten 127, 128 en 171 tot en met 180 wordt ingegaan op het onderwerp knowhow. Op de bijgevoegde productielijst is als laatste productie opgenomen “Allerlei knowhow aan te vullen”.
1.9 Op 25 december 2024 heeft de gemachtigde van klager hierop gereageerd. In de bijgevoegde dagvaarding is onder meer de productielijst door klager aangevuld met producties betreffende knowhow.
1.10 Op 30 december 2024 heeft verweerder een aangepaste concept dagvaarding aan klager gestuurd. Ook deze concept dagvaarding maakt onderdeel uit van het klachtdossier. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van klager laten weten dat het goed is zo en dat hij geen aanpassingen meer heeft.
1.11 Verweerder heeft vervolgens CY en G in kort geding gedagvaard. De mondelinge behandeling is gepland op 10 februari 2025.
1.12 Op 7 februari 2025 heeft verweerder de pleitnotitie aan klager gestuurd, met de vraag om reactie van klager. De concept pleitnotitie maakt onderdeel uit van het klachtdossier. In de punten 17 tot en met 22 wordt ingegaan op het onderwerp (verstrekken van) knowhow.
1.13 Op 8 februari 2025 is namens klager gereageerd met input op de pleitnotitie.
1.14 Op 9 februari 2025 heeft verweerder een aangepaste pleitnotitie aan klager gestuurd. Deze conceptpleitnotitie maakt eveneens onderdeel uit van het klachtdossier. Namens klager is diezelfde dag akkoord gegeven op de pleitnotitie.
1.15 Op 10 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.16 Op 11 februari 2025 heeft de gemachtigde van klager via WhatsApp aan onder meer verweerder gestuurd:
“de zaak gister ging hoofdzakelijk over “knowhow”. Daar werden vele vragen aan ons gesteld waar we niet goed op voorbereid waren. Knowhow is een van de drie voorwaarden voor post contractueel concurrentie beding. We hebben nog vele knowhow vergeten te melden. Als dat in deze uitspraak niet goed komt dan komt dat in hoger beroep wel. Er is immers 100% knowhow aanwezig. (…)
Ik ga vandaag een lang document met onderbouwing en voorzien van foto’s opstellen waarin onze geleverde knowhow uitgewerkt staat. Vervolgens kan ik die in het handboek toevoegen. Dat is dus geen nieuwe informatie maar meer toegelichte informatie.”
1.17 Op 11 februari 2025 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“Gezien de heersende leer en de toelichting van de wetgever zou ik het teleurstellend (en zeer discutabel) vinden als de rechter zou oordelen dat er geen sprake zou zijn van overdracht van knowhow. Dit hebben we de rechter ook duidelijk voorgehouden. De rechter sloot de zitting wel af met de opmerking – geparafraseerd – dat uit de heersende rechtspraak inderdaad blijkt dat de drempel van knowhow niet hoog ligt. Als er nog aanvullende informatie van jullie zijde is, dan ontvangen we die uiteraard graag.”
1.18 Diezelfde dag heeft de gemachtigde van klager een bijlage met uitwerkte knowhow aan verweerder gestuurd. De gemachtigde schrijft daarbij in zijn e-mail:
“Deze hebben we vrij gemakkelijk opgesteld en bevat items die nog niet ingebracht zijn. We vinden het jammer dat we hier niet op geattendeerd zijn door jullie buiten de vraag wat ons concept uniek maakt. Knowhow mbt franchise omvat immers veel meer. Een werkproces kan zelfs als uniek aangemerkt worden. Daarnaast is het element “onmisbaar” ook nieuw voor ons. Die is onlosmakelijk verbonden aan knowhow. Ook hier heb ik rekening mee gehouden.”
1.19 Op 10 maart is het vonnis in kort geding gewezen. In het vonnis is onder meer overwogen:
“3.11. Volgens [klager] heeft zij de volgende knowhow aan [CY] ter beschikking gesteld: (…).
3.12. (…) de door [klager] opgesomde knowhow omvat een hele lijst aan stukken en handelingen en dat wekt de indruk dat er heel wat kennis te beschermen valt, maar als de lijst met enige aandacht en enigszins kritisch wordt bekeken, volgt daaruit naar het oordeel van de voorzieningenrechter een ander beeld. (…)
3.19. Op basis van deze eerste analyse van de door [klager] genoemde knowhow, is het niet duidelijk dat de door [klager] overgedragen knowhow is toegespitst op een indoor jeu de boules-onderneming, niet eenvoudig verkrijgbaar is voor buitenstaanders en van zo’n aard is dat [CY], als zij doorgaat met het exploiteren van een jeu de boules-onderneming, onredelijk wordt bevoordeeld ten opzichte van haar voormalige franchisegever. Dat maakt dat de voorzieningenrechter het, op basis van het debat zoals dat heeft plaatsgevonden in dit kort geding, onvoldoende waarschijnlijk acht dat een bodemrechter zal oordelen dat het non-concurrentiebeding onmisbaar is om de door [klager] benoemde knowhow te beschermen en het beding geldig zal achten.
3.20. [CY] hoeft zich om bovenstaande reden niet aan het non-concurrentiebeding te houden.”
1.20 Het bestuur van klager heeft op 10 maart 2025 gereageerd en onder meer geschreven:
“Helaas heeft de voorlopige uitspraak van de rechter negatief uitgepakt. De rechter heeft zijn oordeel geveld op basis van de aangeleverde knowhow.
Het is teleurstellend om te melden dat jij slechts ongeveer een kwart van de knowhow items die onze formule heeft, hebt aangeleverd. Zoals je zelf aangeeft heb je ons onvoldoende bevraagd hierover.”
1.21 Op 10 maart 2025 heeft verweerder gereageerd en onder meer geschreven:
“In tegenstelling tot wat je schrijft, hebben we enkel besproken dat het jammer is dat ondanks de tijd en energie die we met elkaar hebben besteed aan deze kwestie niet meer informatie voor [plaats] op tafel is gekomen. Zoals besproken, blijft echter de vraag of deze rechter überhaupt tot een ander oordeel zou zijn gekomen.”
1.22 Op 10 maart 2025 is namens klager aan een secretaresse van verweerders kantoor gemeld dat recent ontvangen facturen van verweerder niet worden voldaan, omdat de geleverde diensten niet in lijn zijn met de gemaakte afspraken. In de e-mail staat onder meer:
“[Verweerder] heeft vandaag zelf erkend dat hij ons onvoldoende heeft bevraagd over essentiële onderdelen van onze formule. Hierdoor heeft hij slechts een beperkt deel van de benodigde knowhow-items aangeleverd want ons nu dwingt om een beroepsprocedure te starten om onze juridische positie te verdedigen.”
1.23 Op 11 maart 2025 heeft verweerder klager gemaild en daarbij onder meer geschreven:
“Wij hebben onze werkzaamheden echter steeds met de grootste zorgvuldigheid verricht en in dit kader hebben we ook diverse gesprekken met elkaar gevoerd en diverse concepten gewisseld. Ik acht het niet juist en niet terecht de (deels) negatieve uitkomst op mijn bord neer te leggen.”
1.24 Op 26 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen (het bestuur van) klager en verweerder. Naar aanleiding daarvan heeft het bestuur aan verweerder onder meer gemaild:
“Aangezien je als specialist op het gebied van franchisewetgeving bekend hoort te zijn met de pijlers van dit beding, verwachten wij dat de beschikbare knowhow volledig en overtuigend was ingebracht. Helaas is een klein deel van de relevante knowhow ingebracht wat heeft bijgedragen aan de voorlopige negatieve uitspraak. Tijdens de zitting heeft de rechter expliciet gevraagd naar de ontbrekende knowhow, maar deze is op dat moment niet door je aangevoerd. In ons gesprek vandaag hebben wij benadrukt dat je ons onvoldoende hebt bevraagd om alle beschikbare knowhow te delen. Daarnaast was de essentiële informatie eenvoudig te extraheren uit de door ons aangeleverde Brandguide en Handboek die wij al eerder ter beschikking hebben gesteld.”
1.25 Op 3 april 2025 heeft verweerder gereageerd en onder meer laten weten dat van tekort schieten door hem geen sprake is.
1.26 Op 5 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder is op het cruciale onderwerp knowhow ernstig tekortgeschoten in zijn voorbereiding en inschatting van de zaak. De juridische onderbouwing van het postcontractuele non-concurrentiebeding is volstrekt onvoldoende geweest.
2.2 Klager heeft toegelicht dat er in de zes maanden voor de zitting meerdere gesprekken zijn gevoerd en dat verweerder uitgebreid inzage heeft gehad in de bedrijfsdocumentatie, waarmee hij een volledig beeld heeft gekregen van de franchiseorganisatie. Tijdens de zitting bleek echter dat verweerder onvoldoende voorbereid was op het juridisch kernpunt: de mate van gedeelde knowhow door de franchisegever, essentieel voor de geldigheid van het concurrentiebeding. De rechter stelde hierover meerdere inhoudelijke vragen, waarop verweerder geen adequaat antwoord kon geven. Deze vragen moesten door de vertegenwoordigers van klager (als ondernemers) worden beantwoord. Klager stelt dat het onderwerp knowhow in de aanloop naar de zitting nauwelijks is besproken. Er werd enkel gevraagd wat de franchiseformule “uniek” maakt, wat onvoldoende recht doet aan de veel bredere en diepgaandere aard van knowhow. Verweerder had, op basis van de eerder gedeelde documentatie en gesprekken, zelfstandig een volledige beschrijving va
2.3 Klager stelt dat verweerder in een telefoongesprek kort na de zitting heeft toegegeven dat hij het anders had moeten aanpakken en heeft erkend dat hij meer knowhow had moeten inbrengen. In een later stadium heeft verweerder deze erkenning ontkent.
2.4 Klager stelt dat sprake is van omvangrijke schade, onder meer omdat klager genoodzaakt is in hoger beroep te gaan om alsnog de volledige knowhow op de juiste manier in te brengen (extra advocaat- en proceskosten). Bovendien heeft de uitspraak ook directe en ernstige gevolgschade, omdat de beslissing inmiddels actief wordt aangehaald door andere franchisenemers.
2.5 In repliek heeft klager (in aanvulling) onder meer aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten om voorafgaand aan het kort geding een degelijke juridische analyse te leveren van relevante jurisprudentie, wetgeschiedenis en literatuur. Ook ontbreekt een expliciete, juridisch onderbouwde risicoafweging c.q. een reële weging van de proceskansen (conform gedragsregel 10). Verder stelt klager dat in de processtukken en pleitnotitie niet is verwezen naar jurisprudentie en literatuur.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder heeft de context van het geschil en het verloop van zijn bijstand geschetst. Hij betwist dat hij onvoldoende aandacht heeft besteed aan het onderwerp knowhow. Verweerder heeft alle op dat moment voor hem beschikbare relevante informatie onder de aandacht van de rechter gebracht. Verweerder stelt dat het, gezien de (zeer) intensieve voorbereiding van het kort geding opmerkelijk en onbegrijpelijk is dat klager daags na de zitting aangaf dat er kennelijk toch nog meer knowhow zou zijn die tot dusver onbenoemd was gelaten. Dit terwijl het ook voor klager vanaf de bespreking op 11 december 2024 duidelijk was dat het onderwerp knowhow het enige verweer inhield aan de zijde van CY. Klager heeft in de voorbereiding steeds de gelegenheid gekregen input te leveren op de processtukken. Ook tijdens de mondelinge behandeling is klager in de gelegenheid geweest een nadere toelichting te geven ten aanzien van de knowhow die er zou zijn overgedragen. Klager ko
3.2 Verweerder merkt nog op dat niet vergeten moet worden dat er een (groot) verschil blijkt te zitten tussen wat klager stelt aan knowhow te hebben overgedragen aan de franchisenemer en wat de franchisenemers (in dit geval CY) stellen te hebben ontvangen aan knowhow van klager.
3.3 Verweerder betwist dat hij heeft erkend klager onvoldoende te hebben bevraagd op het onderwerp knowhow. Dat is naar zijn overtuiging ook absoluut niet het geval.
3.4 Verweerder heeft toegelicht dat nimmer is verzocht om een separaat memo, onderbouwing of risicomatrix. Daar was ook geen enkele aanleiding toe: CY had haar franchiseovereenkomst beëindigd en was concurrerende activiteiten aan het ontplooien. Er was vanuit klager maar één route te bewandelen; een kort geding om het post-contractueel non-concurrentiebeding af te dwingen.
3.5 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling
4.2 De klacht ziet er in de kern op dat verweerder in de voorbereiding en inschatting van de zaak (met name op het kernpunt knowhow) tekort is geschoten in zijn bijstand. Op grond van het klachtdossier en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerder tekort is geschoten in zijn dienstverlening aan klager. Voor alle betrokkenen, waaronder ook klager, was vanaf 11 december 2024 duidelijk dat het onderwerp knowhow het enige verweer van CY was. Klager was er dus mee bekend dat dit onderwerp van groot belang was voor de zaak. Gelet daarop verbaast het dat klager pas na de zitting aan verweerder heeft gemeld dat (volgens hem) maar 25% van de knowhow is ingebracht. Van klager mocht worden verwachten dat hij alle knowhow ter kennis van verweerder bracht, zeker op het moment dat een concept dagvaarding wordt voorgelegd. Verweerder mocht erop vertrouwen dat klager alle relevante feitelijke informatie, waaronder de knowhow, had gemeld. Verweerder heeft onbetwist gesteld
4.3 Klager verwijt verweerder verder dat het non-concurrentiebeding onvoldoende (juridisch) is onderbouwd en dat het risico op vernietiging van het beding onvoldoende is geadresseerd. Uit de in het klachtdossier aanwezige dagvaarding (waarop klager zijn akkoord heeft gegeven) blijkt niet dat verweerder op deze punten onvoldoende is ingegaan. Het enkele feit dat de rechter in kort geding dit anders zag, is onvoldoende om te stellen dat verweerder op dit punt tekort is geschoten.
4.4 Klager heeft zijn klacht in repliek aangevuld met het verwijt dat verweerder heeft nagelaten om een risicoafweging/weging van de proceskosten te maken en een degelijke juridische analyse van de relevante jurisprudentie en dergelijke. Klager lijkt te stellen dat een dergelijke uitgebreide analyse en/of risicoafweging een vereiste is. Dat is niet het geval. Het enkele feit dat dit niet gebeurd is, levert dan ook niet automatisch tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Niet blijkt dat klager hier op enig moment om heeft verzocht. Klager heeft hier pas voor het eerst in repliek op gewezen. Verweerder heeft bovendien onbetwist gesteld dat een kort geding de enige optie was om het post-contractueel non-concurrentiebeding af te dwingen, omdat CY de franchiseovereenkomst had beëindigd en concurrerende activiteiten aan het ontplooien was. Van onvoldoende voorbereiding en/of strategie is niet gebleken. Dat verweerder ter zitting de regie verloor, blijkt niet. Dat de rechter ook vragen aan de vertegenwoordigers van
4.5 Voor zover klager er ook over klaagt dat in de processtukken en/of pleitnotitie niet is verwezen naar jurisprudentie en literatuur, geldt dat dit feitelijk onjuist is. In de dagvaarding en pleitnotitie is daar wel naar verwezen.
4.6 De voorzitter is dan ook niet gebleken dat verweerders kwaliteit van dienstverlening ondermaats is geweest. De klacht is daarmee kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 december 2025
