Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:255
Zaaknummer
25-259/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening. Niet gebleken van onzorgvuldige advisering, een vooringenomen houding ten gunste van de wederpartij, onvoldoende inspanning of het onzorgvuldig neerleggen van de werkzaamheden. Verweerder heeft toegelicht Dropbox-documenten via het account van zijn vrouw te hebben gedownload vanaf zijn vakantieadres omdat hij niet bij zijn eigen account kon. Nadat hij de documenten heeft gedownload, heeft hij deze verwijderd van het account van zijn vrouw zodat enkel hij daar kennis van kon nemen. Met die toelichting heeft verweerder voldoende maatregelen getroffen om de vertrouwelijkheid van de documenten te waarborgen. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 8 december 2025 in de zaak 25-259/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 16 april 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/043 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 19. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 27 mei 2025 en 12 oktober 2025 en van verweerder van 13 mei 2025, 27 mei 2025 en 12 juni 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft klager vanaf 13 april 2023 bijgestaan in een procedure over de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst.
2.3 Op 25 mei 2023 heeft verweerder een opzet voor een verweerschrift voorgelegd aan klager.
2.4 Op 28 mei 2023 heeft klager via Dropbox twee video’s verstuurd aan verweerder.
2.5 Op 29 mei 2023 heeft klager input gegeven voor het verweerschrift.
2.6 Op 6 juni 2023 heeft verweerder vanaf zijn vakantieadres de Dropbox-stukken gedownload via het account van zijn vrouw. Klager heeft daarvan een melding ontvangen.
2.7 Op 7 juni 2023 heeft verweerder een aangevuld conceptverweerschrift voorgelegd aan klager. Daarbij heeft verweerder klager gevraagd om ten aanzien van de video’s aan te geven welke gedeelten er voor klager uitspringen, zodat die gerichter aan de rechter gepresenteerd kunnen worden. Diezelfde dag heeft klager per SMS gereageerd:
“Goed concept [verweerder]. Ik werk eraan en richt op 15 juni een reactie etc op te sturen.”
2.8 Op 12 juni 2023 heeft klager diverse documenten aan verweerder toegezonden, waaronder beschrijvingen van de video’s met daarbij een toelichting van de mogelijke relevantie voor het verweerschrift.
2.9 Op 22 juni 2023 heeft verweerder een aangevuld conceptverweerschrift voorgelegd aan klager. Diezelfde dag heeft klager per SMS gereageerd:
“Wauw [verweerder]. Goed werk. Mijn reactie in ieder geval voor eind deze maand.”
2.10 Tussen 24 juni 2023 en vrijdag 30 juni 2023 heeft klager diverse documenten met aanvullingen en opmerkingen aan verweerder toegezonden.
2.11 Op 4 juli 2023 heeft verweerder een laatste concept voorgelegd aan klager.
2.12 Op 5 juli 2023 heeft klager drie opmerkingen gemaakt op het verweerschrift. Ook heeft klager per SMS gereageerd:
“Hi [verweerder], zojuist heb ik een e-mail met 3 verbeteringen opgestuurd. Na de bedragen denk ik dat we bij een finale akkoord kunnen,”
2.13 Op 6 juli 2023 heeft verweerder het definitieve verweerschrift aan klager voorgelegd. Klager heeft daarop diezelfde dag nog enkele opmerkingen gemaakt, die verweerder per ommegaande heeft verwerkt en aan klager heeft toegezonden. Klager heeft vervolgens goedkeuring gegeven op het verweerschrift, dat in totaal bestond uit 37 pagina’s met 37 bijlagen. Het verweerschrift is daarna ingediend.
2.14 Op 13 juli 2023 heeft verweerder de aanvullende producties die door de wederpartij waren ingediend, doorgestuurd aan klager.
2.15 Op 14 juli 2023 hebben klager en verweerder een telefonisch overleg gehad om de zitting voor te bereiden.
2.16 Op 19 juli 2023 heeft de zitting plaatsgevonden.
2.17 Bij beschikking van 9 augustus 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 oktober 2023. Daarbij heeft de kantonrechter geoordeeld dat aan klager niet de bescherming van klokkenluider toekomt, het ontbindingsverzoek ook geen verband houdt met zijn melding en dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW). Er is geen billijke vergoeding toegewezen, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.
2.18 Op 10 augustus 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Zojuist kreeg ik de uitspraak van de rechter binnen die hij gisteren heeft gewezen (zie bijlage). De kantonrechter heeft i) helaas de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2023 ontbonden, ii) [de werkgever] veroordeeld om aan jou de wettelijke transitievergoeding ten bedrage van € 1.270,72 bruto te betalen (eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023 tot aan de dag van algehele voldoening) iii) gelukkig de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt, en iv) helaas geen billijke vergoeding toegekend (en al het andere ook afgewezen).
(…)
Gelet op het bovenstaande acht ik het hoger beroep dus weinig opportuun, indien en voor zover er niet heel veel zaken zijn die kunnen worden weerlegd (en bewezen). Ik kan en zal jou dan ook helaas niet bijstaan in een eventueel door jou gewenst in te stellen hoger beroep. Indien je hoger beroep wenst in te stellen, adviseer ik je dan ook – via het Juridisch Loket – een andere advocaat in te schakelen. De eventuele mogelijkheden kun je dan met deze nieuwe advocaat bespreken. Nogmaals, hoger beroep dient binnen 3 maanden te worden ingesteld bij het Gerechtshof, waarvoor je natuurlijk wel weer een advocaat nodig hebt. (…)”
2.19 Diezelfde dag heeft klager aan verweerder geschreven:
“Zoals eerder telefonisch besproken, wil ik mijn verbazing uiten over het feit dat je ervoor kiest om niet in hoger beroep te gaan na de recente uitspraak. Dit is voor mij teleurstellend, maar ik zie verdere discussie hierover als niet noodzakelijk. Ik verzoek je vriendelijk om vanaf dit moment geen verdere betrokkenheid meer te hebben bij mijn zaak. Ik ben momenteel bezig met het vinden van een nieuwe advocaat.
Ik zal in de nabije toekomst contact met je opnemen om de overdracht van mijn zaak te regelen. Je kunt ervan uitgaan dat jouw diensten niet langer vereist zijn.”
2.20 Op 4 oktober 2023 heeft een opvolgend advocaat zich gemeld bij verweerder. Verweerder heeft op 5 oktober 2023 diverse ontbrekende stukken uit het dossier verzonden aan deze advocaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
1) Verweerder heeft niet voldaan aan zijn zorgplicht door:
a) na te laten de pleitnota vooraf met klager te delen, hetgeen klager de mogelijkheid ontnam om inhoudelijk input te leveren of opmerkingen te maken;
b) niet zorgvuldig te adviseren en uitspraken te doen waaruit bleek dat hij klagers belangen onvoldoende heeft behartigd. Zo heeft verweerder gesteld dat klager op de hoogte was van een onderzoek en dat dit ongegrond zou zijn, zonder hier voldoende bewijs voor te hebben of dit met klager te bespreken.
2) Verweerder heeft een vooringenomen houding aangenomen die gunstig was voor de wederpartij, door:
a) blijk te geven van een gebrek aan empathie en professionaliteit en het resultaat “mooi” te noemen;
b) na te laten om stellingen van de wederpartij adequaat te weerleggen, ondanks dat klager hiervoor expliciete aanwijzingen en bewijsstukken (geluids- en beeldopnames) had gegeven.
3) Verweerder heeft nagelaten tijdig actie te ondernemen tegen misbruik van gedeelde informatie, doordat vertrouwelijke documenten mogelijk door onbevoegden zijn ingezien. Verweerder heeft herhaaldelijk nagelaten om tijdig actie te ondernemen op klagers aanwijzingen.
4) Verweerder heeft niet integer gehandeld, door een houding aan te nemen die bij klager sterk de indruk wekte dat hij niet volledig achter de zaak stond en mogelijk zelfs wenste dat de procedure negatief zou uitpakken. Dit blijkt volgens klager uit verweerders minimale betrokkenheid, gebrek aan communicatie en ontmoedigende toon.
5) Verweerder heeft nalatig en onprofessioneel gehandeld, door onmiddellijk na afronding van zijn werkzaamheden niet langer beschikbaar te zijn voor verdere betrokkenheid in de zaak, ondanks dat er nog belangrijke stappen te ondernemen waren.
3.2 Klager heeft in zijn aanvullende stukken de in overweging 3.1 genoemde klachtonderdelen geconcretiseerd en aanvullende klachtonderdelen naar voren gebracht, te weten dat verweerder:
- zonder overleg of instemming een inhoudelijk schadelijk verweer heeft opgesteld namens klager. Klager wijst op gedragsregel 1 (loyale belangenbehartiging) en gedragsregel 10 (duidelijke communicatie);
- correcties van klager op cruciale passages structureel heeft genegeerd, onder andere waar klager ten onrechte werd aangemerkt als “ernstig verwijtbaar handelend” in plaats van “verwijtbaar handelen van [de wederpartij]” en dat “De schadeclaim lijkt niet realistisch” niet is vervangen door “De schade van cliënt loopt op tot aanzienlijke bedragen, waaronder inkomensverlies en reputatieschade”. Klager wijst op gedragsregel 6 (voorkomen van schade) en gedragsregel 37 (vertrouwen in de advocatuur);
- het vertrouwen in klagers zaak actief heeft ondermijnd, zonder juridische analyse. Klager wijst op verweerders destructieve inschatting dat de opgevoerde schadevergoeding “niet realistisch” zou zijn, zonder een poging te doen om dit bedrag in het belang van de cliënt te verdedigen of constructief te herformuleren;
- zijn rol als advocaat heeft gebruikt om klagers positie in het geding te verzwakken in plaats van te versterken. Dit blijkt uit verweerders late reacties en onbereikbaarheid, het uitblijven van terugkoppeling, het zelfstandig opstellen van stukken zonder instemming en het ontbreken van enige juridische verantwoording. Zo heeft verweerder zonder kritische analyse stellingen van de wederpartij overgenomen of als “op zich begrijpelijk” bestempeld, nagelaten om de wederpartij aansprakelijk te stellen voor reputatie- en inkomensschade en voor de hand liggende verwerend niet aangevoerd tegen feitelijk onhoudbare verwijten van de wederpartij;
- Verweerder heeft geen reflectie getoond of inhoudelijk verweer gevoerd op de klacht. Verweerder heeft daarmee zijn procesverantwoordelijkheid veronachtzaamd.
3.3 Klager heeft er verder op gewezen dat het Huis voor Klokkenluiders op 12 juni 2025 een beslissing heeft genomen op de door hem gemelde misstand. Dit onderbouwt de klacht dat verweerder de rechtspositie van klager als klokkenluider heeft miskend. Daarnaast heeft klager erop gewezen dat er een separate tuchtklacht loopt tegen de Rotterdamse deken die op 22 mei 2025 door de voorzitter van het Hof van Discipline is verwezen naar de Gelderse deken voor onderzoek, wat rechtvaardigt dat het aan de raad voorgelegde dossier onvolledig of gekleurd is. Uit deze tuchtklacht komt naar voren dat klager verweerder ook verwijt in strijd te hebben gehandeld met gedragsregels 7, 8, 12 en 17.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Waarover kan de raad beslissen?
5.1 Klager heeft in zijn aanvullende stukken nieuwe klachtonderdelen naar voren gebracht. Nieuwe klachtonderdelen moeten op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet bij de deken worden ingediend. Dat kan niet wanneer een klacht al is doorgezonden aan de raad. De raad kan deze nieuwe klachtonderdelen dus niet bij zijn beoordeling betrekken. Ook acht de raad het in strijd met de goede procesorde om de reeds ingediende klachtonderdelen nog uit te breiden na afronding van het onderzoek door de deken (vergelijk RvD Den Haag 25 augustus 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:177, onder 4.1). De raad beperkt zich tot de klachtonderdelen 1) tot en met 5) zoals deze in de onderzoeksfase bij de deken naar voren zijn gebracht, zoals weergegeven in overweging 3.1.
5.2 De raad ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen omdat klager een tuchtklacht heeft ingediend tegen de deken. Uit het dossier volgt dat klager voldoende mogelijkheid heeft gehad om zijn tuchtklacht bij de deken uiteen te zetten, waarbij de deken klager ook heeft verzocht om de beschikking van de kantonrechter na te zenden. Daarbij geldt dat het in beginsel aan klager is om zijn klacht van een onderbouwing te voorzien gedurende de onderzoeksfase bij de deken.
Toetsingskader
5.3 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel 1)
5.4 Het eerste klachtonderdeel gaat over de schending van de zorgplicht.
5.5 Klager verwijt verweerder de pleitnota niet met hem te hebben gedeeld. Verweerder heeft daarop gereageerd dat hij geen pleitnota heeft gemaakt, zodat hij die ook niet had kunnen delen. Dit is door klager niet gemotiveerd betwist. De raad kan dan ook niet concluderen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.6 Volgens klager zou verweerder daarnaast onzorgvuldig hebben geadviseerd en klagers positie hebben ondermijnd door te stellen dat klager op de hoogte was van een onderzoek en dat dit ongegrond zou zijn, terwijl verweerder daarvoor geen bewijs had of dit met klager had besproken. De raad kan deze verwijten door een gebrek aan onderbouwing niet plaatsen. Kennelijk ziet dit op het onderzoek naar de klokkenluidersmelding die klager zou hebben gedaan. Verweerder heeft daarover toegelicht hierover opmerkingen gemaakt te hebben in het verweerschrift, waarop klager zijn goedkeuring heeft gegeven. Mede gelet op die toelichting en het ontbreken van verdere onderbouwing van dit verwijt, kan de raad dan ook niet vaststellen dat klachtwaardig is gehandeld.
5.7 Klachtonderdeel 1) is ongegrond.
Klachtonderdeel 2)
5.8 Het tweede klachtonderdeel gaat over een vooringenomen houding ten gunste van de wederpartij.
5.9 Uit de e-mail van 10 augustus 2023 van klager blijkt niet dat verweerder het resultaat “mooi” heeft genoemd. Daarin geeft hij juist aan het “helaas” te vinden dat de arbeidsovereenkomst is ontbonden en ook de billijke vergoeding is afgewezen. Slechts kan worden vastgesteld dat verweerder heeft opgemerkt het “gelukkig" te noemen dat de proceskosten gecompenseerd worden in die zin dat partijen die zelf dragen (in plaats van dat klager als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van zijn wederpartij had moeten betalen), maar dat houdt nog niet in dat hij het resultaat “mooi” vindt. De klacht is in zoverre ongegrond.
5.10 Wat betreft het verwijt dat verweerder heeft nagelaten om stellingen van de wederpartij adequaat te weerleggen, merkt de raad allereerst op dat klager dit klachtonderdeel niet heeft geconcretiseerd. Ook zijn de processtukken uit de arbeidsrechtelijke procedure niet ingediend in deze tuchtzaak, zodat de raad daarvan ook geen kennis heeft kunnen nemen. Wel kan worden vastgesteld dat verweerder meerdere malen conceptverweerschriften heeft voorgelegd aan klager, opmerkingen van klager heeft verwerkt en uiteindelijk heeft ingediend nadat klager daarop zijn goedkeuring heeft verleend. Als klager aanpassingen aan het verweerschrift wenste, dan was dat het moment om dit kenbaar te maken. De raad ziet dan ook niet in dat verweerder tekort is geschoten.
5.11 Klachtonderdeel 2) is ongegrond.
Klachtonderdeel 3)
5.12 Het derde klachtonderdeel gaat over het downloaden van de Dropbox-documenten.
5.13 Verweerder heeft toegelicht dat hij de documenten vanaf zijn vakantieadres heeft gedownload. Hij heeft vooraf bekend gemaakt dat hij niet zeker wist of hij op zijn vakantieadres bij zijn Dropbox account kon. Dit bleek inderdaad het geval en hij heeft het vanaf het account van zijn vrouw gedownload. Nadat verweerder de documenten heeft gedownload, heeft hij deze verwijderd van het account van zijn vrouw zodat enkel hij daar kennis van kon nemen. Verweerder heeft dit ook aan klager toegelicht. De raad is met die toelichting van oordeel dat verweerder voldoende maatregelen heeft getroffen om de vertrouwelijkheid van de documenten te waarborgen.
5.14 Het is de raad verder niet gebleken welke aanwijzingen klager zou hebben gegeven, die verweerder niet tijdig zou hebben opgevolgd. De klacht is op dit punt niet geconcretiseerd. Dit kan dan evenmin leiden tot een gegrondverklaring.
5.15 Klachtonderdeel 3) is ongegrond.
Klachtonderdeel 4)
5.16 Het vierde klachtonderdeel gaat over de houding van verweerder ten opzichte van de procedure.
5.17 Het is de raad op basis van het dossier niet gebleken dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om klagers belangen te behartigen. Verweerder heeft meerdere conceptverweerschriften voorgelegd aan klager en heeft zelfs tijdens zijn vakantie doorgewerkt. Gelet op het gebrek aan verdere onderbouwing van dit klachtonderdeel, kan de raad niet vaststellen dat verweerder zich onvoldoende heeft hardgemaakt voor klagers zaak.
5.18 Klachtonderdeel 4) is ongegrond.
Klachtonderdeel 5)
5.19 Het vijfde klachtonderdeel ziet op het neerleggen van de werkzaamheden voor klager.
5.20 Het is de raad niet gebleken dat verweerder zijn werkzaamheden op onzorgvuldige wijze (als bedoeld in gedragsregel 14 lid 3) heeft neergelegd. Verweerder heeft op 10 augustus 2023 kenbaar gemaakt dat hij klager niet zal bijstaan in een eventueel hoger beroep. Die keuze mocht hij maken, omdat hij daarin onvoldoende kansen zag. Op dat moment had klager nog ruim drie maanden en dus voldoende tijd om een nieuwe advocaat te vinden die het hoger beroep voor hem kon instellen.
5.21 Klachtonderdeel 5) is ongegrond.
Conclusie
5.22 De raad zal de klacht in zijn geheel ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. M. van Eck, W. Knoester, G. Sarier en D.G.M. van den Hoogen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 december 2025
