Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:242
Zaaknummer
24-912/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat bij de echtscheiding. Klacht deels niet-ontvankelijk vanwege nis bis in idem en strijd met de beginselen met de tuchtprocesrode. Een klachtonderdeel is wel ontvankelijk, omdat klager dit in de eerdere tuchtprocedure heeft willen inbrengen, maar daar geen gelegenheid voor kreeg. Deze klacht is ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 24 november 2025 in de zaak 24-912/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder gemachtigde: mr. A. Hendriks
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 7 mei 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 9 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/112 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij waren klager, alsmede verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 34.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager is gehuwd geweest. Begin augustus 2021 is de scheiding geïnitieerd, waarna klager en zijn (inmiddels) ex-partner hebben geprobeerd middels mediation overeenstemming te bereiken over de gevolgen van de echtscheiding. 2.3 Op 10 september 2021 heeft klager zich, na het mislukken van de mediation, tot verweerder gewend voor bijstand. 2.4 Op 7 december 2021 (om 13:42 uur) heeft verweerder klager en zijn (ondersteunende) broer per e-mail geïnformeerd over het bod van de ex-partner dat toen op tafel lag. Verweerder heeft daarbij onder meer geschreven: “[Ex-partner] ziet af van de 5 jaar partneralimentatie waartoe zij wettelijk gerechtigd is. Deze alsnog in een procedure vastgesteld te zien is funest voor de mogelijkheden om nog een hypotheek te krijgen. Houdt er rekening mee dat dit tenminste over 5 jaar een voordeel oplevert van minimaal € 25.000,-. (…) Hierbij speelt overigens de factor dat de huizenprijzen nu enorm stijgen en het langzamerhand voor [ex-partner] interessant wordt om van iedere verdere onderhandeling af te zien en de rechter te verzoeken om de woning te verkopen en verdelen van de overwaarde en voorts partneralimentatie te laten vaststellen.” 2.5 Op 7 december 2021 (om 15:09 uur) heeft verweerder aan de advocaat van de ex-partner, mr. B, onder meer geschreven: “Zoeven heb ik met mijn cliënt een voorstel besproken hetwelk hierbij gaat en cijfermatig in de bijlage wordt weergeven. Het voorstel is concreet dat de polis van Nationale Nederlanden “as is” wordt toegescheiden aan en op naam wordt gesteld van uw cliënte. Over de waarde spraken wij reeds eerder. Voorts zal cliënt de vrouw uitkopen voor een bedrag ad € 160.000,- en de woning in eigendom verkrijgen. De partneralimentatie wordt alsdan als afgekocht beschouwd voor de wettelijke duur. (…) Een harde voorwaarde voor cliënt is dat de totale financiering niet het bedrag van € 215.000,- overstijgt. Als en indien uw cliënte met dit voorstel wenst in te stemmen verneem ik uiteraard graag van u en zullen partijen overeenstemming hebben over de verdeling en aanstaande afwikkeling.” Bij de e-mail is een cijfermatig overzicht gevoegd. 2.6 Op 9 december 2021 heeft mr. B per e-mail aan verweerder bericht dat de oplossing akkoord is en dat hij een conceptechtscheidingsconvenant zal opstellen. Mr. B heeft verzocht om recente loonstroken, zodat hij een (kinder)alimentatieberekening kan maken. 2.7 Het dossier bevat een draagkracht- en alimentatieberekening van mr. B, gedateerd 16 december 2021. 2.8 Op 17 december 2021 heeft verweerder het (door mr. B opgestelde) concept-echtscheidingsconvenant en -ouderschapsplan aan klager en zijn broer gezonden. Verweerder schrijft daarbij dat hij het een en ander heeft doorgelezen en geen op- of aanmerkingen heeft. 2.9 Op 19 december 2021 heeft de broer van klager een document met vragen en opmerkingen over (onder meer) het echtscheidingsconvenant aan verweerder gezonden. Daarin heeft de broer onder meer vragen gesteld over de stijging van de hypotheeklast van € 215.858,- naar € 235.858,-. Ook heeft de broer een opmerking gemaakt over het bedrag van de maandelijkse kinderalimentatie. 2.10 Op 20 december 2021 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op de vragen. Hij heeft daarbij onder meer geschreven: “Bij een procedure zou je het risico lopen dat de waardebepaling van de woning wordt herzien en die is thans € 30.000,- hoger en daarbij zal er afkoop van partneralimentatie van ongeveer 25 tot 30.000,- moeten betalen of maandelijks 4 tot 500,-. Links of rechtsom zou de woning dan niet in eigendom kunnen komen van [klager].” 2.11 Op 22 december 2021 hebben klager en de ex-partner het echtscheidingsconvenant ondertekend. Hierin staat onder meer: “Artikel 1. Partneralimentatie 1.1 Partijen komen overeen dat na de ontbinding van hun huwelijk de een tegenover de ander niet tot betaling van een alimentatie gehouden zal zijn. 1.2 Uitzondering op artikel 1.1 is het volgende. Bij wijze van voorlopige voorziening betaalt de man de vrouw een bedrag van € 400,- per maand aan alimentatie, deze verplichting stopt op het moment dat de echtelijke woning aan hem wordt geleverd.” 2.12 Op 11 mei 2023 heeft klager een (eerste) klacht over verweerder ingediend bij de deken. 2.13 In een reactie op de klacht (dupliek d.d. 23 augustus 2023) heeft verweerder onder meer geschreven: “…met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat [klager] de woning niet zou kunnen behouden nu hij de uitkoop van de vrouw niet zou kunnen betalen. Immers, het was nu “op het randje”. Had de vrouw in overleg geen afstand gedaan van partneralimentatie dan was het al niet mogelijk om te herfinancieren.” 2.14 De raad van discipline heeft deze eerste klacht (bekend onder zaaknummer 23-703/DH/RO) op 4 maart 2024 op zitting behandeld. In de aanloop naar die zitting heeft klager op 17 februari 2024 aanvullende stukken ingediend. In deze aanvullende stukken is de klacht over het maken c.q. controleren van de draagkracht- en alimentatieberekening opgenomen. 2.15 Bij beslissing van 15 april 2024 heeft de raad van discipline op die (eerste) klacht van klager beslist. De klacht van klager zag onder meer op het volgende: “a) Verweerder is nalatig geweest in het controleren van het opgestelde echtscheidingsconvenant. De tekst wijkt af van wat partijen zijn overeengekomen, waardoor klager voor € 20.000,- is benadeeld;” In de beslissing is opgenomen dat de raad voorbij gaat aan de aanvullende klachtonderdelen die klager in zijn brief van 17 februari 2024 naar voren heeft gebracht (zie 3.2). De raad heeft bij de beoordeling van klachtonderdeel a) onder meer overwogen: “5.3 Allereerst beklaagt klager zich erover dat verweerder nalatig is geweest in zijn dienstverlening, omdat klager door het echtscheidingsconvenant een hypotheek van € 235.000,- heeft moeten aangaan terwijl hij een maximum van € 215.000,- als harde voorwaarde had gesteld. (…) 5.5 De raad stelt vast dat verweerder de door klager gestelde ‘harde’ voorwaarde dat de totale financiering van de woning niet het bedrag van € 215.000 zou overstijgen, bekend heeft gemaakt aan de advocaat van de wederpartij. Vervolgens heeft de advocaat van de wederpartij een conceptechtscheidingsconvenant opgesteld. Op basis van dat concept zou klager een hypotheek van € 235.000,- nodig hebben. Daarmee was klager bekend, gelet op de vragen die zijn broer op 19 december 2021 aan verweerder heeft voorgelegd. Desalniettemin heeft klager het echtscheidingsconvenant goedgekeurd en ondertekend. Als klager niet wilde instemmen met het echtscheidingsconvenant, had het op zijn weg gelegen om het convenant niet te aanvaarden en niet te ondertekenen.” 2.16 Op 26 april 2024 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld in verband met het niet controleren / narekenen van de door mr. B opgestelde draagkrachtberekeningen en alimentatieberekeningen. 2.17 Het dossier bevat tevens een draagkracht- en alimentatieberekening van klagers huidige advocaat mr. J, gedateerd 12 februari 2024 (rekendatum 1 juli 2021).
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: Klacht 7 mei 2024 a) Verweerder heeft de door de advocaat van de wederpartij opgestelde draagkracht- en alimentatieberekening niet gecontroleerd. 3.2 Als verweerder eigenhandig een draagkracht- en alimentatieberekening had opgesteld, had hij kunnen en moeten constateren dat de berekeningen van mr. B niet correct waren. Met de berekening van klagers huidige advocaat is gebleken dat de berekeningen van mr. B niet correct waren. Door deze fout heeft klager teveel c.q. onnodig alimentatie voldaan. Klager eist een bedrag van € 1.980,- in verband met de teveel betaalde kinderalimentatie en een bedrag van € 3.200,- in verband met onnodig betaalde partneralimentatie, beide vermeerderd met de wettelijke rente. Aanvulling 12 juli 2024 b) Verweerder heeft op meerdere tijdstippen aan klager voorgehouden dat de ex-partner bij een gerechtelijke procedure niet meer zou gaan afzien van vijf jaar aan partneralimentatie. Daaraan is door verweerder toegevoegd dat de ex-partner wettelijk zou zijn gerechtigd tot het verkrijgen van een partneralimentatie. c) Verweerder heeft klager voorgehouden dat de waarde van de woning aanzienlijk was gestegen en dat deze bij een gerechtelijke procedure zou worden herzien. Verweerder heeft aangegeven dat de waarde van de woning eind december 2021 al met € 30.000,- was toegenomen. 3.3 Klager stelt dat verweerder hem onder verkeerd voorgehouden feiten een beslissing heeft laten nemen tot het ondertekenen van het opgestelde convenant. Verweerder heeft klager zonder enig (eigen) onderzoek op meerdere punten voorzien van onjuiste informatie. Wanneer verweerder klager de juiste informatie had voorgehouden, zou hij nooit tot ondertekening van het opgestelde convenant zijn overgegaan. 3.4 Het door mr. B opgestelde convenant is bovendien niet in overeenstemming gebleken met de op 7 december 2021 gemaakte afspraken. Wanneer de premievrije polis van NN in de verdeling was opgenomen had klager zijn ex-partner (afgerond) voor € 140.000,- moeten uitkopen in plaats van € 160.000,- zoals in het convenant opgenomen. Klager eist aanvullend het bedrag van € 20.000,- waarvoor hij is benadeeld.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 4.2 Verweerder heeft uiteraard de berekening van mr. B gecontroleerd en nagerekend. Verweerder stelt dat de berekening van klagers huidige advocaat, mr. J, ten onrechte uitgaat van een zorgkorting. Deze was op klagers kwestie niet van toepassing en is daarom niet terug te lezen in het ouderschapsplan. Voor het overige komt de berekening van mr. B overeen met de berekening van mr. J. De berekening van mr. J wijkt nagenoeg niet af van de berekening van mr. B en verweerders berekening (als bijlage bij het verweer gevoegd) indien er wordt uitgegaan van de juiste gegevens. Verweerder voegt daaraan toe dat destijds is gezocht naar een oplossing waarmee klager, zijn ex-partner en de kinderen allemaal verder konden. De partneralimentatie maakte daarbij deel uit van een “package deal” en is in onderling overleg vastgesteld voor een korte termijn en de lange termijn. De gevonden oplossing was prima voor klager en klager heeft hier ook uitdrukkelijk mee ingestemd door het echtscheidingsconvenant te ondertekenen. Het was volgens verweerder in het belang van klager om een algehele ‘deal’ te maken en daarmee de woning voor een lager bedrag te verkrijgen en de ex-partner te doen afzien van een partneralimentatie voor de duur van vijf jaar. Er was inderdaad geen tot weinig ruimte voor de betaling van partneralimentatie, maar het ging om een tijdelijke regeling. 4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Klachtonderdelen b) en c) - ne bis in idem/misbruik van procesrecht 5.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 5.2 Klachten over het optreden van een advocaat dienen verder zoveel mogelijk te worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). 5.3 De raad stelt vast dat klachtonderdelen b) en c) betrekking hebben op verweerders bijstand aan klager bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant, specifiek met betrekking tot de partneralimentatie en de echtelijke woning. Klager maakt verweerder daarnaast ook (onder meer) het verwijt dat het opgestelde convenant niet in overeenstemming is gebleken met de gemaakte afspraken. Over dat laatste verwijt heeft de raad op 15 april 2024 al geoordeeld. Het ne bis in idem beginsel staat eraan in de weg dat daarover opnieuw wordt geklaagd. Reeds om die reden moet klager voor deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard. 5.4 Wat de overige verwijten in deze klachtonderdelen betreft geldt dat klager die in zijn eerdere klacht aan de orde had kunnen en moeten stellen, nu die verwijten ook neerkomen op de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant. De relevante correspondentie uit december 2021 – van verweerder met klager en zijn broer en tussen verweerder en mr. B – was reeds onderdeel van de eerdere klachtzaak (zie de in die beslissing opgenomen feiten). De raad is van oordeel dat deze verwijten zodanig verweven zijn met de eerdere klacht, dat van klager redelijkerwijs verlangd had mogen worden dat hij deze klachten al in de eerdere procedure aan de orde had gesteld. Dat geldt ook voor zover klager nu (weer) klaagt over de (naleving van de) kantoorklachtenregeling en belangenverstrengeling van mr. B. Naar het oordeel van de raad staan ook de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde daarom in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen. De klachtonderdelen b) en c) zijn daarom ook voor wat de overige verwijten betreft niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel a) 5.5 Dat is anders voor klachtonderdeel a). Klager heeft weliswaar hierover in de eerdere procedure niet geklaagd, maar hij heeft dit verwijt op 17 februari 2024 wel als aanvulling in die klachtprocedure willen inbrengen en daarvoor toen geen gelegenheid gekregen. Voor de inhoudelijke beoordeling geldt het volgende toetsingskader: 5.6 De klacht gaat over de dienstverlening door de (eigen) advocaat van klager. Gezien het bepaalde bij artikel 46 van de Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening moet rekening worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (vergelijk Hof van Discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32). 5.7 De raad zal het genoemde klachtonderdeel hierna aan de hand van deze maatstaf beoordelen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. 5.8 Het verwijt in dit klachtonderdeel ziet op de door mr. B opgestelde draagkracht- en alimentatieberekening die volgens klager onjuist is, gelet op (onder meer) de door zijn huidige advocaat opgestelde berekeningen. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat de gewraakte berekening onjuist is en de raad kan dat op grond van het klachtdossier ook niet vaststellen. De raad overweegt daarbij ook dat partijen voor de afwikkeling van de echtscheiding een ‘package deal’ overeengekomen zijn. Dat is een kwestie van geven en nemen. Klager had zich met deze ‘package deal’ dus ook akkoord verklaard met de afspraken over alimentatie die in het convenant en het ouderschapsplan zijn vastgelegd. De klacht is dan ook ongegrond. Verzoek schadevergoeding 5.9 De door klager geëiste schadevergoeding wordt afgewezen, alleen al vanwege het feit dat de raad de klacht deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaart. In het voorkomende geval zal klager zich daarvoor tot de civiele rechter moeten wenden.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdeel a) ongegrond; - verklaart de klacht voor het overige niet-ontvankelijk; - wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 november 2025
