Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:248

Zaaknummer

25-315/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een incassoprocedure. Verweerder heeft aan klager onvoldoende duidelijkheid verschaft over wat hij nu precies van klager verwachtte en waarom. Het had op verweerders weg gelegen om klager expliciet en schriftelijk op de risico’s van het dagvaarden namens de verkeerde entiteit te wijzen. De raad legt een waarschuwing op.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 1 december 2025 in de zaak 25-315/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 19 augustus 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 12 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K163 2024 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 07 (inhoudelijk) en 1. tot en met 9. (procedureel). Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 28 mei 2025 door klager nagezonden stukken.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klager is werkzaam als belastingadviseur en in die hoedanigheid verbonden aan het samenwerkingsverband […] (hierna: B&R).

2.3 Het samenwerkingsverband wordt gevormd door vennootschap onder firma [klager] Belastingadviseurs (hierna: de vof) en [X] Belastingadviseurs B.V. en is niet ingeschreven in het Handelsregister.

2.4 De vennoten van de vof zijn klager, zijn echtgenote en Mr [klager] Beheer & Advies B.V. (van wie klager directeur en enig aandeelhouder is).

2.5 Klager verzorgde in de jaren 2012-2018 als belastingadviseur voor - onder meer - de heer [B] (hierna: [B] c.s.) de loonheffing-, BTW-, IB- en Vpb-aangiften. Een schriftelijke overeenkomst lag hieraan niet ten grondslag. De facturen voor deze werkzaamheden werden door klager verzonden op briefpapier van B&R. Het btw-nummer dat op deze facturen vermeld staat is van de vof, evenals het rekeningnummer.

2.6 [B] c.s. hebben op enig moment meerdere facturen onbetaald gelaten en de verschuldigdheid daarvan betwist. Klager heeft zich, nadat inschakeling van een deurwaarder niet tot het gewenste resultaat leidde, voor de inning van deze facturen tot verweerder gewend. Op 29 september 2020 bevestigt verweerder de opdracht aan klager.

2.7 Verweerder heeft [B] c.s. vervolgens aangeschreven inzake de openstaande facturen.

2.8 In reactie daarop heeft de heer [B] op 13 oktober 2020 aan verweerder bericht de vordering(en) te betwisten; klager zou de werkzaamheden waarop de facturen zien niet of slecht hebben uitgevoerd. Voors is betwist dat een vaste tariefafspraak met klager is gemaakt. Verweerder heeft deze mail aan klager doorgestuurd en hem verzocht om een uittreksel van de KvK ‘zodat nagegaan kan worden welke entiteit aangeschreven moet worden’.

2.9 Op 20 januari 2021 heeft verweerder aan klager de concept dagvaarding toegezonden. In zijn begeleidende mail heeft hij klager verzocht aan te geven wat de correcte naam en het KvK nummer zijn van de entiteit die de vorderingen instelt. Klager heeft daarop diezelfde dag geantwoord: “KvK nummer V.O.F. [klager] Belastingadviseurs: [nummer]”.

2.10 Per e-mail aan verweerder van 21 januari 2021 heeft klager op de concept dagvaarding gereageerd. In die mail heeft hij onder meer opgemerkt:

“Wat de juridische status van mijn praktijk betreft:

Op al mijn briefpapier, inclusief de facturen, staat onderaan vermeld dat [X] & [klager[ Belastingadviseurs een maatschap is van (besloten) vennootschappen

Ik heb een blanco eerste vel als bijlage meegezonden.”

2.11 Verweerder heeft klager vervolgens diezelfde dag per e-mail bericht dat het logopapier niet leidend is voor de vraag welke entiteit de correcte is en verzocht om een uittreksel van de KvK.

2.12 Verweerder heeft er uiteindelijk voor gekozen te dagvaarden namens de vof. [B] c.s. hebben in eerste aanleg en hoger beroep betoogd dat de vof niet hun wederpartij is.

2.13 Bij tussenvonnis van 23 juni 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld dat de vof de wederpartij is van [B] c.s. en de accountantswerkzaamheden heeft verricht, zodat de vof in beginsel betaling van de facturen kan vragen. Bij eindvonnis van 15 december 2021 heeft de rechtbank de vorderingen van de vof vervolgens afgewezen omdat deze onvoldoende onderbouwd waren.

2.14 Klager heeft verweerder verzocht namens hem hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank.

2.15 In zijn opdrachtbevestiging voor het hoger beroep d.d. 17 februari 2022 heeft verweerder klager er - onder meer en zakelijk weergegeven - op gewezen dat er geen enkele onduidelijkheid meer mag bestaan over de wijze waarop is gefactureerd, dat de werkzaamheden waarop de facturen zien duidelijk moeten zijn en dat de entiteit waarvoor de werkzaamheden zijn verricht ook duidelijk moet zijn.

2.16 Op 3 maart 2022 heeft verweerder aan klager de concept appeldagvaarding toegezonden.

2.17 Op 8 maart 2022 heeft verweerder namens de vof hoger beroep ingesteld. [B] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarop heeft verweerder namens klager bij memorie van 29 november 2022 gereageerd.

2.18 Het gerechtshof heeft bij arrest van 25 juli 2023 geoordeeld dat onvoldoende naar voren is gebracht voor het oordeel dat de vof partij is of is geworden bij de overeenkomst van opdracht die [B] c.s. hebben gesloten voor het verrichten van administratieve werkzaamheden, althans dat [B] c.s. dit redelijkerwijs had moeten begrijpen. Aldus is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de vof als opdrachtnemer recht heeft op betaling van de facturen. De vordering is om die reden afgewezen.

2.19 Klager heeft verweerder begin augustus 2023 aansprakelijk gesteld. Verweerder heeft de aansprakelijkstelling conform de van toepassing zijnde polisvoorwaarden bij zijn verzekeraar gemeld. De verzekeraar heeft op 4 november 2023 het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een beroepsfout en aansprakelijkheid van verweerder afgewezen.

2.20 Op 12 december 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de klachtenfunctionaris van zijn kantoor. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de klachtenfunctionaris klager bericht van oordeel te zijn de klacht ongegrond te achten.

2.21 Op 19 augustus 2024 heeft klager een klacht ingediend over verweerder.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door namens een verkeerde procespartij procedures te voeren bij de rechtbank en het gerechtshof.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk h

5.2 Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.

Inhoudelijk

5.3 De raad stelt voorop dat de wijze waarop klagers zijn ondernemingen heeft ingericht en het feit dat hij de verschillende namen door elkaar gebruikte tezamen met het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst met [B] c.s. voor de nodige verwarring zorgt. Dat wordt ook geïllustreerd door het feit dat rechtbank en gerechtshof op basis van hetzelfde feitencomplex tot andersluidende oordelen over de contractuele situatie komen.

5.4 Verweerder heeft de nodige moeite gedaan om de feiten helder te krijgen en daarover de nodige vragen aan klager gesteld. Hij heeft steeds aan klager gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over de in de correspondentie met [B] c.s. gebruikte handelsnamen ([X] & [klager] Belastingadviseurs, vof [klager] belastingadviseurs en Maatschap BR&T) en over de vraag welk van deze entiteiten met [B] c.s. heeft gecontracteerd. Daarbij heeft hij er herhaaldelijk op gewezen dat nergens uit blijkt dat de vof daarbij partij is.

5.5 Bij zijn bevraging van klager heeft verweerder naar het oordeel van de raad aan klager echter onvoldoende duidelijkheid verschaft over wat hij nu precies van klager verwachtte en waarom. Het had op zijn weg gelegen om klager expliciet en schriftelijk op de risico’s van het dagvaarden namens de verkeerde entiteit te wijzen, zodat voor klager duidelijk was wat het belang was van zijn antwoorden op de aan hem gestelde vragen. Uit de e-mail correspondentie tussen klager en verweerder blijkt de raad dat dit klager niet duidelijk was. Nu verweerder heeft nagelaten die duidelijkheid te geven, heeft hij daarmee onvoldoende zorgvuldig gehandeld.

5.6 De raad volgt klager bovendien in zijn stelling dat hij alleen maar met dagvaarden op naam van de vof heeft ingestemd, omdat dat volgens verweerder ‘de enige mogelijkheid’ was. De e-mail van verweerder aan klager d.d. 9 juni 2021 bevestigt dit, nu verweerder hierin schrijft dat het advies van verweerder is om de dagvaarding op naam van de vof te doen uitgaan ‘omdat hij uitsluitend kon dagvaarden op naam van een entiteit die in het Handelsregister was ingeschreven en dit de enige entiteit met een dergelijke inschrijving was’. Die veronderstelling is feitelijk echter onjuist en de gevolgen daarvan komen voor rekening van verweerder.

5.7 Gelet op het hiervoor overwogene is de klacht naar het oordeel van de raad gegrond.

6 MAATREGEL

6.1 Gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging, de door klager zelf veroorzaakte onduidelijkheid ten aanzien van de inrichting van zijn ondernemingen, de wel door klager verrichte inspanningen om de feiten helder te krijgen, acht de raad het opleggen van een maatregel passend en geboden. In aanmerking genomen dat verweerder een schoon tuchtrechtelijk verleden heeft, komt de raad tot het opleggen van een waarschuwing.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klager,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 1 december 2025