Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:254

Zaaknummer

25-102/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Geen sprake van onnodig kwetsende uitlatingen. Verweerders beeldspraak had neutraler gekund, maar daarmee is hij nog niet door de tuchtrechtelijke ondergrens gezakt. Niet gebleken dat verweerder onjuiste feiten naar voren heeft gebracht. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 8 december 2025

in de zaak 25-102/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 9 december 2023 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 12 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K259 2023 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerder van 4 maart 2025 en van klaagster van 18 juni 2025.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Tussen klaagster en haar ex-partner (hierna: de man) loopt een langdurig geschil over de omgang met hun kind. Verweerder staat daarin de man bij sinds in elk geval 2020.

2.3 Op 27 december 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarin is onder meer opgenomen:

“1. Het is al weer de zoveelste procedure van de vrouw waar de man mee wordt geconfronteerd. De rode raad in deze procedures is dat de vrouw het ergens niet mee eens is en/of zij de omgang tussen de man en zijn dochter probeert te beperken.

(…)

4. De waarheid is dat de man zeker bereid is akkoord te gaan met vervangende toestemming voor een vakantie, doch wel voor zover dat niet ten koste gaat van de (summiere) contacten die hij met zijn dochter heeft en daarnaast niet ten koste gaat van het belang van de minderjarige.

5. De minderjarige [dochter] gaat sinds december 2022 naar school. Het kan niet de bedoeling zijn dat zij allerlei schooldagen gaat missen, zoals kennelijk wel de bedoeling was/is (de vrouw wil met haar op vakanties in de periodes van 12 december 2022 tot 12 januari 2023 en van 1 mei tot en met 31 mei 2023).

6. Het kan ook niet de bedoeling zijn dat [de dochter] elk weekend met haar moeder op pad gaat naar het buitenland omdat de vrouw aldaar inkopen gaat doen. [De dochter] zal haar rust in de weekenden moeten hebben, zeker nu zij naar school gaat. Bovendien valt niet in te zien waarom zij niet bij haar vader kan verblijven als de vrouw voor haar werk naar het buitenland moet. Het mes snijdt aan twee kanten: de vrouw kan rustiger haar werk uitvoeren en [de dochter] heeft meer contact met haar vader.

7. Voorts merkt de man op dat de zorgregeling onder grote druk komt te staan met de vele data waar de vrouw mee komt. Haar schema loopt tot en met 2023 waarin de vrouw toestemming vraagt voor alleen al in 2023 maar liefst 24 weekenden (! ), naast de volle maand die zij voor mei 2023 verzoekt.

8. Wanneer denkt de vrouw dat de man nog omgang met [de dochter] kan hebben….? En krijgen we eind 2023 een nieuw verzoekschrift om toestemming te krijgen voor 24 weekenden en een paar maanden vakantie in 2024?

9.Tenslotte stelt de man dat de vrouw met haar verzoek het belang niet van [de dochter] niet voorop stelt. Zoals reeds aangegeven gaat zij sinds december 2022 naar school. Hoe is het mogelijk dat de vrouw het volproppen van 24 weekenden in het buitenland in het belang van [de dochter] kan vinden? Het verzoek van de vrouw mist elke realiteitszin.

19, De man wenst op te merken dat hij bij reële verzoeken voor een verblijf in het buitenland zeker bereid is om te kijken naar toestemming, mits daarbij ook duidelijk is wat de exacte data en verblijfslocaties zijn.

11. De man vermoedt dat de vrouw, met het oog op het hoger beroep tegen de beslissing met betrekking tot het gezamenlijk gezag, op deze wijze wil aantonen dat de uitvoering van het gezamenlijk gezag niet werkt en daarom dit soort confrontaties opzoekt en procedures aanhangig maakt.

Proceskostenveroordeling

12. De man stelt dat de handelswijze van de vrouw een halt moet worden toegeroepen. De vrouw voert de ene na de andere procedure. Daarbij procedeert zij op toevoeging (hetgeen overigens wel vragen oproept nu zij kennelijk wel de financiële mogelijkheden heeft om binnen 9 maanden een maand naar Spanje, een maand naar Aruba en een maand naar Azië/Thailand op vakantie te gaan).

13. De man komt niet in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand. Het kan niet zo zijn dat de man financieel leeg loopt om de ene na de andere procedure en de vrouw op kosten van de staat en de belastingbetaler een vrijblijvend abonnement op procedures heeft.

14. De vrouw procedeert nodeloos en maakt misbruik van recht. Het onderhavige verzoek is kansloos en absoluut niet in het belang van [de dochter]. De vrouw handelt hiermee ook in strijd met de belangen van de man, niet alleen vanwege de torenhoge kosten maar ook vanwege de zorgregeling tussen hem en [de dochter].

15. Gezien de vele reeds aanhangig gemaakte procedures en onderhavig verzoekschrift verzoekt de man aan de vrouw een signaal af te geven door haar te veroordelen in de kosten van het geding. De kosten zullen, gezien haar vakantieplanning, voor haar geen probleem moeten zijn. (…)”

2.4 Op 15 januari 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij de kinderrechter. Verweerder heeft in die procedure bij zelfstandig verzoek verzocht om te bepalen dat de moeder medewerking dient te verlenen aan de uitvoering van de zorgregeling op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de kinderrechter het verzoek afgewezen, omdat de kinderrechter ‘op grond van de omstandigheden geen reden [heeft] om aan te nemen dat het opleggen van een dwangsom de situatie zal oplossen’.

2.5 Op 14 februari 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarop verweerder namens zijn cliënt om een dwangsom heeft verzocht.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a) Verweerder heeft zich onnodig kwetsend uitgelaten over klaagster;

b) Verweerder heeft in strijd met gedragsregel 8 en artikel 21 Rv feiten gesteld waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze onjuist waren;

3.2 In haar aanvullend stuk van 18 juni 2025 heeft klaagster nieuwe klachtonderdelen naar voor gebracht, die zien op verweerders pleitnota van een zitting van 5 maart 2025 en op verweerders verzoek aan klaagsters advocaat om een bij de rechtbank ingediende brief van klaagster, waarin wordt verwezen naar deze tuchtklacht, in te trekken bij gebreke waarvan verweerder een klacht tegen deze advocaat zou indienen. Er kunnen echter geen nieuwe klachtonderdelen worden geformuleerd op het moment dat een tuchtklacht door de deken aan de raad is voorgelegd. Klachten moeten namelijk bij de deken worden ingediend (artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet). De raad zal hierna dus niet ingaan op deze nieuwe klachtonderdelen.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

– belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

– verloop van het geschil tot dan toe en

– kans op succes van de procedure.

Klachtonderdeel a): onnodig kwetsende uitlatingen

5.3 Het eerste verwijt ziet op het verweerschrift als genoemd in overweging 2.3, waarin verweerder heeft gesteld dat klaagster nodeloos procedeert en misbruik van het recht maakt.

5.4 Verweerder heeft namens zijn cliënt gesteld dat verweerster nodeloos procedeert, omdat zij (volgens de man) een kansloos verzoek heeft ingediend dat tegen de belangen van de dochter en ook de zorgregeling zou ingaan. Dat heeft verweerder in zakelijke bewoording gedaan. Dat verweerder dit ‘misbruik van recht’ heeft genoemd is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat dit de juridisch term daarvoor is. Het is daarbij niet aan de tuchtrechter, maar aan de bevoegde rechter om te oordelen of daarvan sprake is. Dat laat onverlet dat verweerder dit naar voren heeft mogen brengen.

5.5 Daarnaast heeft verweerder ook de rechtbank mogen vragen om een signaal af te geven dat klaagster te veel procedures zou starten, door een proceskostenveroordeling op te leggen. Dat stond hem in het belang van zijn cliënt vrij om te doen, omdat deze daar kennelijk een zware financiële druk van ondervond. Voor het toewijzen van een proceskostenveroordeling in het familierecht, in afwijking van de standaard dat iedere partij de eigen kosten draagt, moeten voldoende argumenten worden aangedragen. In dat verband heeft verweerder, onder verwijzing naar het gestelde misbruik van recht en de al gevoerde procedures, er ook op kunnen wijzen dat zijn cliënt anders dan klaagster niet in aanmerking kwam voor een toevoeging en dus de volle kosten betaalde. Hoewel de beeldspraak ‘vrijblijvend abonnement op procedures’ neutraler geformuleerd had kunnen worden, is de raad van oordeel dat verweerder daarmee nog niet door de tuchtrechtelijke ondergrens is gezakt. Daarbij geldt ook op dit punt dat het niet aan de tuchtrech

5.6 Voor zover klaagster met dit klachtonderdeel ook bedoeld heeft te klagen over door verweerder gevraagde dwangsommen om klaagster te bewegen de zorgregeling na te komen, beschikt de raad over onvoldoende stukken om daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen vast te stellen. Ook hier geldt dat verweerder dit verzoek heeft mogen doen ter behartiging van de belangen van zijn cliënt en dat het in beginsel aan de bevoegde rechter is om te oordelen of dat verzoek terecht is.

5.7 Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b): onjuiste feiten

5.8 Klaagster verwijt verweerder daarnaast ook onjuiste feiten naar voren te hebben gebracht. Zij wijst er in dat verband op dat verweerder in elke procedure aangeeft dat de man met elke vakantietoestemming heeft meegewerkt, terwijl dat niet het geval is. Ook zou de man hebben gelogen dat hij de dochter bij haar roepnaam noemt terwijl hij haar derde voornaam gebruikt, dat klaagster haar een iPhone heeft gegeven waarop zij de dochter ieder uur belt en dat klaagster de dochter dingen zou vertellen over haar vader. Klaagster verwijt verweerder de man te hebben verdedigd op basis van onwaarheden. Tot slot zou verweerder op dit punt een gekleurde waarheid hebben aangeleverd op een zitting, door een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming in te dienen zonder de oplegnota van de klachtencommissie.

5.9 Het is de raad niet gebleken dat verweerder op dit punt onjuiste feiten heeft gepresenteerd. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.10 Over het meewerken aan vakanties, kan de raad niet vaststellen dat verweerder dit zo heeft gepresenteerd zoals klaagster hem verwijt. De raad stelt vast dat hij in het verweerschrift, dat is opgenomen in overweging 2.3, juist naar voren heeft gebracht dat de man alleen instemt met reële vakantieverzoeken. Kennelijk was de man het niet eens met de hoeveelheid reizen die klaagster met de dochter wenste te maken, mede omdat de dochter naar school zou gaan. Verweerder heeft dit standpunt van de man naar voren mogen brengen als uitleg waarom de man niet met de door klaagster verzochte vakanties/reizen wenste in te stemmen.

5.11 Daarnaast zou de man de dochter steeds bij haar derde voornaam aanspraken, in plaats van haar roepnaam. Klaagster heeft in dat verband vele Facebook- en WhatsApp-berichten van de man ingediend waaruit dit zou blijken. Het is de raad op basis van het dossier echter niet bekend waar verweerder dit zou hebben herhaald. Bovendien geldt dat hij mag uitgaan van de informatie die hij van zijn cliënt krijgt. Als zijn cliënt ontkent dit te doen, dan mag verweerder daarvan uitgaan. Daarbij is het de raad ook niet gebleken dat verweerder weet had van de genoemde Facebook- en WhatsApp-berichten. Het is aan klaagster om dit gemotiveerd te weerleggen, als zij dat relevant achtte voor de procedure.

5.12 Wat betreft de iPhone, dat klaagster dingen zou vertellen aan de dochter en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming zijn deze verwijten niet geconcretiseerd of onderbouwd met stukken. Daarover kan de raad op basis van het voorliggende dossier niets vaststellen. Voor zover verweerder daarover iets gesteld zou hebben, geldt ook hier het uitgangspunt dat hij mag uitgaan van de informatie die hij van zijn cliënt heeft gekregen.

5.13 De raad zal klachtonderdeel b) dan ook ongegrond verklaren.

Conclusie

5.14 De raad zal de klacht in het geheel ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. M. van Eck, W. Knoester, G. Sarier en D.G.M. van den Hoogen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 8 december 2025