Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:247
Zaaknummer
25-118/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een conflict met de verhuurder. Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt, door namens één van de vennoten te dagvaarden in plaats van namens de vof. Verweerders bejegening van de vennoot die namens de vof optrad is verder niet zorgvuldig en zelfs onprofessioneel. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 1 december 2024 in de zaak 25-118/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
[…] v.o.f.
vertegenwoordigd door vennoot [C]
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 juni 2014 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 19 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/020 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren de heer [C] (namens klager) en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 31. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 16 maart 2025 en de door verweerder op 19 maart 2025 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 [C] en [vennoot] B.V. zijn vennoten van de vennootschap onder firma [klager] vof (klager).
2.3 Klager huurde vanaf 16 maart 2016 een bedrijfsruimte in Rotterdam en exploiteerde daarin een horecagelegenheid.
2.4 Per e-mail van 21 oktober 2021 heeft de verhuurder aan klager bericht dat het door klager gehuurde door funderingsherstel naar verwachting ongeveer 6 maanden niet gebruikt zal kunnen worden en na de werkzaamheden weer casco aan klager zal worden opgeleverd.
2.5 Klager en verhuurder hebben vervolgens uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd over de aan het gehuurde uit te voeren funderingswerkzaamheden, de kosten daarvan en de aansprakelijkheid. Zij kwamen hier niet uit.
2.6 Klager heeft zich daarop tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar, ARAG, gewend. ARAG heeft de zaak aan verweerder uitbesteed.
2.7 [C] vertegenwoordigde klager in de contacten met verweerder.
2.8 Op 10 maart 2022 heeft verweerder aan [C] een concept dagvaarding gezonden en er daarbij op gewezen dat primair wordt ingestoken op beëindiging van de relatie met de verhuurder.
2.9 [C] heeft namens klager op het concept gereageerd en na aanpassing van het gevorderde schadebedrag daarop zijn akkoord gegeven.
2.10 Verweerder heeft op 17 mei 2022 namens [C] en [vennoot] B.V. de dagvaarding laten betekenen aan de verhuurder. Daarin is – zakelijk weergegeven – gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden en de verhuurder te veroordelen de door klager geleden schade te vergoeden. Aan die vordering is ten grondslag gelegd dat de verhuurder al bij het aangaan van de huurovereenkomst wist dat funderingswerkzaamheden nodig zouden zijn maar daar geen melding van heeft gemaakt.
2.11 Per e-mail van 19 mei 2022 heeft [C] aan verweerder onder meer verzocht een afspraak te maken om de inmiddels geplande comparitie van partijen voor te bereiden.
2.12 Op 26 mei 2022 heeft [C] verweerder gemaild met de vraag om een reactie op zijn mail van 19 mei 2022 en meldt hij ook geen reactie op zijn terugbelverzoek te hebben gekregen. Daarnaast mailt hij verweerder het volgende:
“(…) Ik heb nogmaals de dagvaarding naar aanleiding van de reactie van de tegenpartij doorgenomen. Ik zou graag schrift en uitleg willen op de volgende vragen:
- Tenaamstelling in de dagvaarding van de eiser is [C] i.p.v. [klager] VOF volgens de tegenpartij. Ik schrok namelijk, want in de reactie van de wederpartij zegt hij dat ik ‘niet ontvankelijk’ wordt verklaard daardoor. Wat betekent dit exact? Wat zijn hiervoor de consequenties als hij gelijk krijgt?
- (….)
- Praktisch op alle punten in de dagvaarding komt de tegenpartij in zijn reactie met een uitgebreid betoog en jurisprudentie. Dit kom bij mij over alsof wij zo maar iets roepen zonder het te kunnen bewijzen of ook maar zelf huiswerk gedaan te hebben. Waarom hebben wij het zo aangepakt? Zit hier een strategie achter?
- Ook zou ik graag weten of er nog een optie is om extra bewijsstukken met een toelichting in te dienen voor de hoorzitting. Bent u daar sowieso aanwezig ook? (met mij).
Kortom, ik zou graag willen weten welke weg we aan het volgen zijn en hoe onze win-strategie eruit ziet. Ik heb namelijk het idee dat de tegenpartij er beter voor staat dan ik en dat wil ik even weghalen.
We hebben tot de hoorzitting gelukkig nog een paar weken te gaan. Ik zou mij graag goed op willen voorbereiden en ook wil ik weten wat er precies van mij wordt verwacht. Indien er nieuwe onderzoeken (door derde partijen) verricht moeten worden of nieuw bewijsmateriaal moeten verzamelen, zou ik graag z.s.m. willen weten, omdat dit toch wat tijd vergt.
(…)
Zou u mij een toelichting en advies willen mailen op mijn punten hierboven voor aanstaande maandag 30 mei? Graag zou ik dan daarna een afspraak maken voor de komende hoorzitting om even de puntjes op de i te zetten.”
2.13 Verweerder heeft op dezelfde dag als volgt op de e-mail van [C] gereageerd:
“Ik begrijp de verwijtende toon van je mail niet zo goed.
(…)
Ook zie ik niet zo goed in waarom je zou moeten schrikken van een standpunt van de wederpartij. Ik meende toch wel dat je begreep dat in een gerechtelijke procedure de standpunten vaak lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Daar gaat weinig schrik van uit in mijn optiek.”
2.14 Per e-mail van 27 mei 2022 laat [C] aan verweerder weten zijn mail niet verwijtend bedoeld te hebben maar vanwege de reactie van de wederpartij in de stress te zitten. Hij schrijft dat hij graag in Jip en Janneke taal uitgelegd zou willen krijgen wat dat alles voor de zaak betekent en wat voor gedachte en strategie er achter zit want dat hij het niet begrijpt. Hij herhaalt nog eens dat hij graag een afspraak wil maken om de zitting voor te bereiden en doet daarvoor vijf datumvoorstellen tussen 30 mei en 8 juni 2022.
2.15 Omdat een reactie op zijn e-mail van 27 mei 2022 uitbleef, heeft [C] verweerder per e-mail van 31 mei 2022 nogmaals om een reactie en een afspraak verzocht.
2.16 Diezelfde dag heeft verweerder per e-mail gereageerd en aan [C] het volgende geschreven:
“Ik vind dit soort berichten erg onprettig. Ik heb de implicaties van de procedure uitgelegd, nog daargelaten dat het een best begrijpelijke materie betreft. Maar nog een keertje dan; als insteek heb ik genomen ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie van de verhuurder, bestaande uit verzwijging en ontoelaatbaar stilzitten waar actie geboden was, wat dan nog schadebeperkend had kunnen zijn. Een ander soort vordering was niet te construeren. Vergeet niet dat Arag geen enkele proceduremogelijkheid voor jullie zag.
Stuur maar een goed chronologisch overzicht (met mails en foto’s) van de voorgeschiedenis, dan overleg ik dat nog uiterlijk 14 dagen voor de zitting van 5 juli aanstaande.
Ik heb tijd op 10 juni te 11.00 uur voor een bespreking, maar wil wel de aanvullende stukken eerder per mail ontvangen indien mogelijk.”
2.17 Per e-mail van 1 juni 2022 bevestigt [C] op 10 juni aanwezig te zijn en tijdig het chronologisch overzicht en de aanvullende stukken te zullen toezenden. In deze mail geeft hij verder aan dat het niet zijn intentie is geweest om in een mailwisseling terecht te komen die als onprettig wordt ervaren.
2.18 Op 7 juni 2022 heeft [C] aan verweerder het chronologische overzicht met aanvullende stukken verzonden.
2.19 Per e-mail van 8 juni 2022 bericht verweerder genoodzaakt te zijn de afspraak van 10 juni een week naar achteren te schuiven en stelt als nieuwe datum 17 juni te 11.00 uur voor.
2.20 Op de afspraak van 17 juni 2022 verschijnt verweerder te laat en draagt hij een korte broek en slippers.
2.21 Op 21 juni 2022 stuurt [C] verweerder de volgende e-mail:
“Hierbij alle procedures in 1 PDF bestand, zodat het achter elkaar gelezen kan worden.
De procedures C, H, I en S zijn als losse bestanden bijgevoegd, omdat deze niet in de grote file passen.
Procedure S is een filmpje en deze wordt in een aparte mail naar u verzonden.“
2.22 Verweerder stuurt [C] diezelfde dag de volgende reactie:
“Nu begrijp ik het nog niet. Nu lijkt het alsof je allemaal procedures hebt doorlopen. Ik weet daar niks van.
Het enige wat ik kan verzinnen is dat je “producties” bedoelt i.p.v. “procedures”. Klopt dat? En nu is het ook weer niet in een oogopslag duidelijk wanneer de ellende is begonnen (ik snap wel dat dat april 2016 is, maar het staat er niet.
Ik schrijf het er zelf allemaal wel bij. Dit was natuurlijk niet de bedoeling zo. Ik kan het toch niet helemaal laten om aan te geven dat jullie voor ondernemers met een universitaire achtergrond niet echt goed begrijpen wat nu de bedoeling is in een gerechtelijke procedure. Dit terwijl het in een gerechtelijke procedure echt de bedoeling is dat we gezamenlijk optrekken en met z’n drieën zo sterk mogelijk de zaak presenteren. Jullie inhoudelijk, ik juridisch.”
2.23 Per e-mail van diezelfde dag biedt [C] zijn excuses aan verweerder aan voor de ontstane verwarring voor het gebruik van de woorden productie/procedure. Bij deze mail heeft klager een gecorrigeerd document gevoegd waarin onder meer het woord ‘procedure’ steeds vervangen is door ‘productie’.
2.24 Verweerder reageert daar op zijn beurt – voor zover van belang – als volgt op:
“Ik ga geen Jip en Janneke taal bezigen naar iemand met een universitaire achtergrond hoor. Als dat is wat jullie van mij verlangen, dan ben ik niet de juiste advocaat voor jullie. Ik verwacht een pro actieve houding van mijn client die gericht is op een maximaal resultaat in een gerechtelijke procedure. Want dat streef ik zelf ook na. En van iemand met een geschoolde achtergrond verwacht ik wel dat men weet wat ik schrijf. Zo moeilijk is mijn taalgebruik niet.”
2.25 Op 5 juli 2022 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden.
2.26 Op 16 september 2022 heeft de kantonrechter vonnis gewezen. Daarbij is [C] als eiser niet-ontvankelijk verklaard en in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat de huurovereenkomst is gesloten door [klager] vof als huurster en dat is gebleken dat de dagvaarding niet door [klager] vof is uitgebracht. De kantonrechter overweegt dat dit geen vergissing is geweest die zich leent voor herstel maar dat gebleken is dat dit een weloverwogen keuze was.
2.27 Verweerder heeft het vonnis aan ARAG gezonden, voorzien van een toelichting waarom de kantonrechter in zijn ogen de plank heeft misgeslagen. ARAG heeft daarop gereageerd dat er sprake is van een beroepsfout door verweerder.
2.28 Per e-mail van 21 september 2022 heeft verweerder dit aan [C] laten weten en hem bericht dat hij de kwestie heeft aangemeld bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering. In deze mail nodigt hij [C] uit langs te komen op zijn kantoor.
2.29 Per e-mail van 21 september 2022 heeft de gemachtigde van de verhuurder namens laatstgenoemde aanspraak gemaakt op voldoening aan het vonnis en daarbij tevens melding gemaakt van het feit dat de herstelwerkzaamheden aan de fundering in januari 2023 zullen plaatsvinden.
2.30 Per e-mail van 23 september 2022 heeft [C] verweerder aansprakelijk gesteld en aangekondigd een klacht over hem te zullen indienen bij de deken. In diezelfde e-mail verzoekt [C} verweerder om een voorstel te doen om klager schadeloos te stellen.
2.31 Nadat tussen verweerder en [C] nog enige correspondentie heeft plaatsgevonden en de gemachtigde van de verhuurder een schikkingsvoorstel heeft gedaan, heeft ARAG bij e-mail van 22 oktober 2022 aan verweerder bericht de behandeling van de zaak op verzoek van klager en haar vennoten over te nemen. Verweerder heeft ARAG daarop het dossier doen toekomen.
2.32 Op 17 juni 2024 heeft [C] namens klager onderhavige klacht over verweerder ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:
a) een beroepsfout te hebben gemaakt door in de dagvaarding een verkeerde naam te vermelden waardoor [C] niet-ontvankelijk is verklaard;
b) een kwalitatief ondermaatse dagvaarding te hebben opgesteld door daarin geen jurisprudentie op te nemen en het gevorderde bedrag niet te voorzien van een onderbouwing;
c) de zaak van klager onvoldoende te hebben voorbereid;
d) onvoldoende telefonisch bereikbaar te zijn;
e) in zijn communicatie onvoldoende empathie en begrip voor emoties van [C} te tonen en niet naar [C] te luisteren en hem niet serieus te nemen;
f) diverse gedragsregels te hebben geschonden.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk hënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.
5.2 Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
Inhoudelijk
5.3 De diverse klachtonderdelen lenen zich in het licht van voorgaand toetsingskader voor gezamenlijke bespreking.
5.4 Uit het vonnis van de kantonrechter en het klachtdossier blijkt de raad dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door niet namens de vof maar slechts namens één van de vennoten te dagvaarden en dat dit geen vergissing was die zich leende voor herstel maar een weloverwogen keuze was. Zou verweerder deze fout niet hebben gemaakt, dan zou [C] niet niet-ontvankelijk zijn verklaard en zou de kantonrechter inhoudelijk over de vorderingen van klager hebben geoordeeld. De enige manier om dat doel alsnog te bereiken was opnieuw dagvaarden geweest. Zover is het vanwege de overname van de zaak door ARAG niet gekomen.
5.5 [C] heeft na lezing van de conclusie van antwoord van de verhuurder zijn zorgen over de mogelijke niet-ontvankelijkverklaring reeds aan verweerder geuit en aangedrongen op overleg daarover. Verweerder heeft de zorgen van [C] echter weggewuifd zonder deze met inhoudelijke argumenten te weerleggen. Wanneer hij toen serieus met de zorgen van [C] was omgegaan, zou hij zelf ook tot de conclusie (moeten) zijn gekomen dat hij een fout had gemaakt en had hij nog het nodige kunnen doen om die te herstellen. Dat hij voor de zorgen van [C] én zijn eigen fout in het geheel geen oog heeft gehad valt hem aan te rekenen.
5.6 Ook overigens is de bejegening van [C] door verweerder naar het oordeel van de raad niet zorgvuldig en zelfs onprofessioneel. Van een advocaat mag verwacht worden dat hij zijn cliënt serieus neemt en met respect behandelt. Dat heeft verweerder blijkens de diverse door hem in zijn e-mails aan [C] gedane uitlatingen niet gedaan. Zijn onmiskenbaar geïrriteerde en aanmatigende toon in diverse e-mails aan [C] is naar het oordeel van de raad ongepast en heeft [C] onzeker gemaakt en de indruk gegeven dat hij niet serieus werd genomen. Dat verweerder vervolgens op een -door verweerder uitgestelde- afspraak ook nog te laat en op slippers en in korte broek aan komt, heeft dit gevoel van klager begrijpelijkerwijs nog meer aangewakkerd. Verweerder heeft aangevoerd dat de combinatie van een onverenigbaarheid van karakters en het feit dat hij in september 2022 in een lastige privé-situatie verkeerde, er toe heeft geleid dat hij onbedoeld onprettig heeft gecommuniceerd. Naar het oordeel van de raad rechtvaardigt dit zi
5.7 Tot slot kan de raad op grond van de overlegde stukken niet concluderen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld wat betreft de inhoud van de dagvaarding en de onderbouwing van de vordering, maar ook hier weegt mee het vaststaande feit dat namens de verkeerde partij gedagvaard is.
5.8 De raad zal de klacht gelet op het hiervoor overwogene gegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 De raad neemt bij het bepalen van de aan verweerder op te leggen maatregel het volgende in acht.
6.2 In het nadeel van verweerder houdt de raad rekening met de ernst van de gedragingen, waarbij de raad meeneemt dat verweerder in zijn bijstand aan één cliënt op twee vlakken tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag heeft gehandeld. Hiermee heeft hij het vertrouwen van zijn cliënt maar ook het vertrouwen in de advocatuur beschaamd.
6.3 Daarnaast slaat de raad acht op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder. De raad heeft in 2021 aan verweerder een berisping opgelegd vanwege ‘niet integer handelen’. Dit betreft inhoudelijk een andere kwestie dan de onderhavige, maar het valt op dat ook in deze uitspraak de raad benoemt dat verweerder een toon aansloeg die een advocaat onwaardig is.
6.4 In het voordeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat verweerder na zijn beroepsfout zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook heeft hij ter zitting enig inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen getoond ten aanzien van de wijze waarop hij [C] heeft bejegend. Alles afwegend acht de raad de maatregel van berisping passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
Giffier Voorzitter
Verzonden op: 1 december 2025
