Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:272
Zaaknummer
25-569/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De over verweerster - als advocaat van een executeur in een nalatenschap - is kennelijk ongegrond verklaard.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2025 in de zaak 25-569/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 21 augustus 2025 met kenmerk 2453524. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klaagster van 2 september 2025.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster staat in een erfrechtkwestie de dochter van erflater bij. Erflater heeft ook nog een zoon uit een eerder huwelijk. Erflater is op 29 juli 2021 overleden. De dochter is enig erfgenaam in de nalatenschap van haar vader. De zoon is onterfd, maar heeft wel recht op zijn legitieme portie.
1.2 In een brief van 2 februari 2024 heeft de cliënte van verweerster een brief ontvangen van klaagster met de mededeling dat haar broer klaagster heeft gemachtigd om een beroep te doen op zijn legitieme portie en dat hij deze vordering aan klaagster gecedeerd heeft.
1.3 Verweerster heeft in een brief van 14 maart 2024 namens zijn cliënte aan klaagster gevraagd om gegevens, waaruit blijkt dat de broer de aan hem toekomende legitieme portie gecedeerd heeft aan klaagster, waaronder in ieder geval de ondertekende akte van cessie en een schriftelijke bevestiging van de cessie door de broer.
1.4 Op 14 maart 2025 heeft verweerster van klaagster een kopie van de akte van cessie ontvangen, waarin diverse passages zwart waren gemaakt en de mededeling dat een bevestiging van de broer niet wordt toegezonden.
1.5 In een e-mail van 22 maart 2204 heeft verweerster aan klaagster verzocht om toezending van een ongekuist afschrift van de ondertekende akte van cessie.
1.6 Op 16 april 2024 heeft klaagster laten weten de informatie niet te verstrekken en een procedure ex artikel 672 Rv bij de kantonrechter te zullen starten.
1.7 In een e-mail van 13 januari 2025 heeft klaagster voorgesteld om een verklaring op te stellen die de broer kan ondertekenen op het kantoor van verweerster en heeft gevraagd of verweerster daartoe bereid is.
1.8 Verweerster heeft op 23 januari 2025 voorgesteld dat de broer zijn verklaring aflegt ten overstaan van een notaris.
1.9 Klaagster heeft daarop in e-mails van 23 januari en 3 februari 2025 gereageerd en voorgesteld dat de broer de verklaring ondertekent en de handtekening laat legaliseren.
1.10 Verweerster heeft in een e-mail van 4 februari 2025 aangegeven niet af te wijken van haar eerdere voorstel dat de broer zijn verklaring aflegt ten overstaan van een notaris.
1.11 Op 4 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a) haar belangen onnodig of onevenredig te schaden door bewijs van cessie te verlangen middels een notariële akte; b) niet bij te dragen aan een minnelijke oplossing.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELINGMaatstaf 4.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
4.2 Klaagster stelt dat verweerster - als advocaat van een executeur in een nalatenschap - haar belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad door een bewijs van cessie te verlangen door midden van een notariële akte (klachtonderdeel a). Ook stelt klaagster dat verweerster niet heeft bijgedragen aan een minnelijke oplossing omdat verweerster niet wilde dat de legitimaris op haar kantoor kwam tekenen en verweerster een notariële akte verlangde (klachtonderdeel b).
4.3 De voorzitter volgt klaagster niet in deze verwijten. Bij de cliënte van verweerster bestond twijfel of zij in haar hoedanigheid van executeur de informatie waar de legitimaris recht op heeft, wel aan klaagster mocht verschaffen. Ook voor verweerster was dit niet duidelijk. Het gaat immers om een strikt persoonlijke vordering van de legitimaris. Het is (vanzelfsprekend) in het belang van een executeur dat niet alleen de gevraagde informatie aan de juiste rechthebbende wordt verschaft, maar uiteindelijk ook dat de uitkering van de legitieme portie aan de juiste rechthebbende wordt betaald. Een executeur dient immers rekening en verantwoording af te leggen over de afwikkeling van de nalatenschap. Een zorgvuldige uitvoering van haar opdracht brengt dan ook mee dat verweerster aan de hand van bewijsstukken (vooraf) vaststelt wie de rechthebbende op de legitieme portie is en de enkele mededeling dat dit zo is met een verwijzing naar artikel 3:194 lid 4 BW niet volstaat.
4.4 De informatie die vervolgens door klaagster aan verweerster is gestuurd, een ‘gekuiste’ akte van cessie, gaf de cliënte van verweerster de verlangde duidelijkheid niet, want zij kon op grond daarvan niet vaststellen of de cessie onvoorwaardelijk was. Verweerster heeft dan ook gemotiveerd bij klaagster aangegeven dat zij de ongekuiste akte van cessie wilde ontvangen. Klaagster heeft dit geweigerd en heeft aangekondigd om een procedure te starten. Later heeft klaagster voorgesteld om de legitimaris op het kantoor van verweerster een door verweerster op te stellen verklaring te laten ondertekenen, inhoudende dat klaagster bevoegd is. De gekuiste versie van de akte van cessie is echter door klaagster niet gestuurd en/of toegezegd. Verweerster heeft daarop voorgesteld dat, ter voorkoming van problemen in de toekomst, de legitimaris zijn verklaring aflegt ten overstaan van een notaris, waarvan de notaris een akte kan opmaken.
4.5 De voorzitter is van oordeel dat de verzoeken en voorstellen van verweerster - mede gelet op de omstandigheid dat klaagster heeft geweigerd om de ongekuiste akte van cessie te overleggen en de aankondiging van klaagster om een procedure te starten - redelijk en begrijpelijk zijn. Van het onnodig of onredelijk schaden van de belangen van klaagster is dan ook geen sprake. Ook is gelet op het voorgaande niet gebleken dat verweerster zich (op een tuchtrechtelijke wijze) onvoldoende heeft ingespannen om tot minnelijke oplossing te komen. Dit betekent dat de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 9 december 2025
