Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:259
Zaaknummer
240280 en 240281
Inhoudsindicatie
Verschoningsrecht. Kernwaarden onafhankelijkheid, integriteit en betamelijkheid. Bestuursorgaan als cliënt en Wet open overheid.
Inhoudsindicatie
De oorsprong van de klachten ligt in het strafrechtelijk onderzoek Castor waarin het Openbaar Ministerie via een (heimelijke) strafrechtelijke vordering de beschikking kreeg over e-mailberichten waarvan later is komen vast te staan dat deze onder het verschoningsrecht vielen van de advocaat die de verdachten bijstond. Het hof is van oordeel dat verweerder de kernwaarde onafhankelijkheid heeft geschonden doordat verweerder zomaar op de juridische opvatting van zijn cliënt heeft gevaren dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht zouden vallen. Door kennis te nemen van de e-mails en deze voor het advies te gebruiken heeft verweerder zijn eigen verantwoordelijkheid om het verschoningsrecht van een andere advocaat te respecteren niet genomen en daarmee ook de kernwaarden integriteit en betamelijkheid geschonden. Het hof rekent het handelen van verweerder hem, gelet op het fundamentele en essentiële karakter van het verschoningsrecht in de rechtsstaat, zwaar aan. Verweerder heeft met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Rekening houdend met het betoonde inzicht van verweerder en gelet op alle omstandigheden van dit geval heeft het hof aan verweerder de maatregel van een berisping opgelegd.
Uitspraak
Beslissing van 12 december 2025 in de zaken 240280 en 240281
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager 1
gemachtigde: prof. mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Amsterdam
klager 2
klager 3
klager 4
klager 5
gemachtigden: prof. mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te Amsterdam en mr. T. de Greve,
advocaat te Amsterdam
tegen:
verweerder
gemachtigden: mrs. A.R.J. Croiset van Uchelen, F.C. Perrick en J.H. Lemstra, advocaten te Amsterdam
1 INLEIDING
1.1 In de strafzaak Castor (waarin klagers 2 tot en met 5 verdachten waren) heeft het Openbaar Ministerie via een (heimelijke) strafrechtelijke vordering gegevens uitgeleverd gekregen van een provider. Tussen deze gegevens zaten ook e-mails die betrekking hadden op (de aanloop naar) een opdracht aan een accountant. Op grond van de inhoud van deze e-mails ontstond bij het Openbaar Ministerie de indruk dat het verschoningsrecht door de advocaat van de verdachten (klager 1) werd misbruikt. Hierbij ging het om het, uit de uitgeleverde e-mails blijkende, voorstel van deze advocaat om een opdracht aan een accountant te laten verstrekken door advocaten van zijn kantoor in plaats van door één van de verdachten, zodat het accountantsonderzoek onder het verschoningsrecht zou vallen. Het Openbaar Ministerie was van mening dat deze e-mails niet onder het verschoningsrecht vielen, heeft de e-mails met verweerder gedeeld en heeft aan verweerder de opdracht verstrekt te adviseren over een mogelijke tuchtklacht tegen de advocaat van de verdachten. Verweerder heeft kennis genomen van de e-mails en heeft advies verstrekt zonder op voorhand de advocaat van de verdachten om toestemming te vragen of de deken te raadplegen. Nadien is in verschillende gerechtelijke procedures onherroepelijk vast komen te staan dat de e-mails wel onder het verschoningsrecht vielen.
1.2 Het hof is van oordeel dat verweerder de kernwaarde onafhankelijkheid heeft geschonden doordat verweerder de juridische opvatting van zijn cliënt heeft gevolgd dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht zouden vallen. Doordat verweerder het verschoningsrecht van de advocaat niet heeft gerespecteerd zijn ook de kernwaarden integriteit en betamelijkheid geschonden. Het hof rekent het handelen van verweerder hem, gelet op het fundamentele en essentiële karakter van het verschoningsrecht zwaar aan, en acht in beginsel een schorsing een passende maatregel. Rekening houdend met het betoonde inzicht van verweerder en gelet op alle omstandigheden van dit geval is echter een berisping passend en geboden.
1.3 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummers 23-884 en 23-898) een beslissing genomen op 9 september 2024. In deze beslissing is de klacht van klagers over verweerder ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:157 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 9 oktober 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van gemachtigden van verweerder; - nagekomen stukken van gemachtigden van verweerder, ontvangen door de griffie op 5 september 2025. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 september 2025. Daar zijn klager 1, verweerder, hun gemachtigden en de gemachtigden van klagers 2 tot en met 5 verschenen. Klager 1, diens gemachtigde en de gemachtigde van verweerder hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager 2, één van haar dochtervennootschappen (klager 3) , klager 4 en klager 5 zijn verdachten geweest in het strafrechtelijk onderzoek Castor. Zij werden daarin bijgestaan door onder meer klager 1 (hierna ook: mr. D). Tijdens het onderzoek heeft het Openbaar Ministerie via een heimelijke vordering stukken uitgeleverd gekregen, waaronder ook e-mails waarop het verschoningsrecht van mr. D rust. Inmiddels is vastgesteld dat het Openbaar Ministerie het verschoningsrecht in het onderzoek Castor heeft geschonden. Het Openbaar Ministerie heeft als gevolg daarvan de strafzaak geseponeerd. 3.3 Strafrechtelijk onderzoek Castor 3.3.1 Klager 2 is een vermogensbeheerder, waarvan klager 4 en klager 5 bestuurder zijn (geweest). Klager 3 is een dochtervennootschap van klager 4. 3.3.2 Onder leiding van het Functioneel Parket te ’s-Hertogenbosch (onderdeel van het Openbaar Ministerie) hebben rechercheurs van de Belastingdienst/FIOD vanaf 4 juli 2013 onder de codenaam Castor een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar klager 2, haar dochtervennootschappen en hun bestuurders. De verdenking betrof valsheid in geschrift en (gewoonte)witwassen. 3.3.3 Op 17 maart 2015 heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden bij klager 2. Klagers 2 tot en met 5 hebben diezelfde dag de bijstand ingeroepen van een aantal advocaten van [kantoor S, het kantoor van mr. D; hierna: kantoor S], onder wie mr. D. Deze advocaten hebben diezelfde dag aan het Openbaar Ministerie laten weten dat zij voor klagers 2 tot en met 5 optraden. 3.3.4 In april 2015 heeft mr. D de opdracht aan [accountant], de accountant van klager 2, gegeven om een onderzoek in te stellen naar de administratieve grondslag van de verdenkingen tegen klager 2, met de intentie dat de werkzaamheden en de resultaten van het onderzoek van [accountant] onder de werking van het verschoningsrecht van mr. D zouden vallen. 3.3.5 Begin september 2015 heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant, naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie ex artikel 126ng/ug, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, een machtiging verleend ter verkrijging van digitale gegevens van de ICT-dienstverlener van klager 2: hostingbedrijf [W] (hierna: [W]). Het betrof een zgn. heimelijke vordering over de periode van 11 maart 2015 tot en met 24 augustus 2015. Op dat moment zijn klager 2 en hun advocaten, onder wie mr. D, daarvan niet op de hoogte gesteld. 3.3.6 Op 10 september 2015 heeft [W] in totaal circa 2 miljoen items (documenten/e-mailberichten) uitgeleverd aan een organisatieonderdeel van de Belastingdienst: de Belastingdienst/FIOD (hierna ook: de [W]-gegevens). Hiervan is door de Belastingdienst/FIOD een (eerste) werkkopie gemaakt en deze is overgezet in het softwareprogramma Nuix. De [W]-gegevens zijn op deze manier voor nader onderzoek ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam. 3.3.7 Bij het zoeken in de gegevens ontstond bij het onderzoeksteam de indruk dat het verschoningsrecht door mr. D werd misbruikt. Hierbij ging het om het, uit de uitgeleverde e-mails blijkende, voorstel van mr. D om een opdracht door advocaten van kantoor S aan [accountant] te laten verstrekken, voor het uitvoeren van een onderzoek bij klager 2, zodat het onderzoek onder het verschoningsrecht zou vallen. De e-mails die hierop betrekking hadden, zijn overhandigd aan een belastingambtenaar, medewerker opsporing werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD Zuidoost, met het oog op het starten van een afzonderlijk tuchtrechtelijk onderzoek naar mr. D.
3.4 Het advies van 5 februari 2016
3.4.1 In een verklaring van het Openbaar Ministerie van 14 december 2023 is onder meer vermeld:
‘Inhoud en doel adviesvraag
Het Openbaar Ministerie heeft in december 2015 aan een advocaat van [kantoor van] [verweerder] - verzocht om advies uit te brengen over de vraag of voldoende grond bestond voor indiening van een tuchtklacht tegen mr. D ter zake van mogelijk oneigenlijk gebruik van zijn verschoningsrecht. De aanleiding hiervoor was dat uit e-mails tussen een verdachte en andere betrokkenen in het strafrechtelijk onderzoek Castor en haar vaste accountant een vermoeden van dergelijk oneigenlijk gebruik naar voren was gekomen. (…) Het Openbaar Ministerie heeft een beperkt aantal van de betrokken e-mails, ten aanzien waarvan het Openbaar Ministerie op dat moment het standpunt had ingenomen dat die niet onder het verschoningsrecht van mr. D vielen, aan [verweerder] verstrekt met het doel een advocaat-cliënt-vertrouwelijk advies te verkrijgen over de kans van slagen van een mogelijk bij de deken van de Orde van Advocaten in te dienen tuchtklacht tegen mr. D.
Gebruik advies in strafzaak en betrokkenheid advocaten [kantoor verweerder] bij beoordeling ex art.126aalid 2 Sv Het Openbaar Ministerie en bij het strafrechtelijk onderzoek Castor betrokken opsporingsambtenaren hebben de inhoud van het hiervoor bedoelde advies eveneens gebruikt in het kader van de strafzaak. Uit getuigenverhoren, interne notities en journalen is gebleken dat de inhoud van het advies een rol heeft gespeeld bij de beoordeling ex art. 126aa lid 2 Sv van deze met een gegevensvordering verkregen e-mails. Zo is de inhoud van het advies betrokken bij het verzoek om een herbeoordeling door de geheimhouder-officier van justitie van aanvankelijk door hem als geprivilegieerd aangemerkte e-mails. Na het uitbrengen van het advies, dat alleen was opgesteld voor de besluitvorming over indiening van een tuchtklacht tegen mr. D, zijn de betreffende e-mails geheel of ten dele door het Openbaar Ministerie ook gebruikt voor de onderbouwing van de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden in de strafzaak en voor tuchtklachten tegen enkele accountants. Dit gebruik van het advies en de e-mails heeft plaatsgevonden zonder overleg met en/of medeweten van [verweerder] (of een andere advocaat van [kantoor verweerder]). Advocaten van [kantoor verweerder] zijn niet betrokken geweest bij enige beoordeling ex art. 126aa lid 2 Sv door de geheimhouder-officier van justitie. De bijstand van advocaten van [kantoor verweerder] aan het Openbaar Ministerie was ten tijde van het gebruik beperkt tot het uitbrengen van het tuchtrechtelijke advies, en die bijstand strekte zich dus niet uit tot (advisering over) de strafzaak.’
3.4.2 De opdracht aan verweerder is door het Openbaar Ministerie verstrekt op 7 december 2015. Direct bij de adviesvraag ontving verweerder één pdf met een e-maillint van vier e-mails, op 13 januari 2016 gevolgd door een tweede pdf-bestand met een e-maillint van meerdere e-mails (hierna: de e-mails). Deze e-mails waren afkomstig uit de [W]-gegevens. Op het moment van de opdracht had het Openbaar Ministerie al daaraan voorafgaand intern het standpunt bepaald dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht vielen, en had ook al beslist zich in het strafproces van de cliënten van mr. D op dat standpunt te zullen stellen. Dit was verweerder bekend.
3.4.3 Verweerder heeft in het kader van zijn advisering bij het Openbaar Ministerie ook (onder meer) geverifieerd hoe en wanneer het Openbaar Ministerie de beschikking over deze e-mails had gekregen, waarna hem is bericht dat deze e-mails in het kader van een heimelijke opsporingshandeling van de e-mailprovider van de verdachte zijn verkregen, en dat verdachten en hun advocaten, waaronder mr. D, daar niet van op de hoogte waren (zodat dus ook geen beroep op het verschoningsrecht was gedaan en niet kon zijn gedaan).
3.4.4 Op 5 februari 2016 heeft verweerder zijn advies (hierna ook: het advies) aan de zaaksofficier van justitie doen toekomen. Het advies is ondertekend met de vermelding: landsadvocaat. Het advies maakt onderdeel uit van het dossier.
3.4.5 In het advies is vermeld dat het ziet op de vraag of op basis van de beschikbare informatie in deze casus voldoende grondslag bestaat voor het indienen van een tuchtklacht tegen mr. D door het Openbaar Ministerie. De casus is in het advies uitgewerkt. In het advies wordt uit de door het Openbaar Ministerie aan verweerder verstrekte e-mails (letterlijk) geciteerd en is ook overige informatie uit deze e-mails daarin vervat. In deze e-mails komen de namen van mr. D, (bestuurders, leden van de Raad van Commissarissen en procuratiehouder van) klager 2, een dochtervennootschap van klager 2, klager 4, klager 5 en de [accountant] voor. In de e-mails is onder meer informatie vervat over het verstrekken van een opdracht aan de [accountant] door kantoor S in plaats van door klager 2 in verband met het verschoningsrecht van de advocaat.
3.5 Op 7 september 2018 heeft het Openbaar Ministerie bij de deken van de Orde van Advocaten een tuchtklacht tegen mr. D ingediend. Deze tuchtklacht is op 19 oktober 2018 ingetrokken.
4 KLACHT
4.1 Voor zover in hoger beroep nog aan de orde houdt de klacht over verweerder, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De klachtomschrijving luidt:
a) verweerder had de opdracht om advies uit te brengen over een tuchtklacht tegen mr. D niet mogen aanvaarden en had dat advies in elk geval niet mogen uitbrengen, althans niet zonder voorafgaande consultering van [kantoor van mr. D, kantoor S], de deken en/of de rechter;
b) verweerder heeft hierbij ten onrechte kennisgenomen van e-mails die kenbaar onder het verschoningsrecht van mr. D vallen en heeft deze e-mails ten onrechte gebruikt;
c) verweerder heeft een onjuist advies uitgebracht over de vraag of i) de mails onder het verschoningsrecht van mr. D vielen en ii) mr. D (klager 1) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelde.
Deze klachtonderdelen (a, b en c) richten zich op de betrokkenheid van verweerder bij het advies van 5 februari 2016.
d) (…)
4.2 Ter zitting is door de gemachtigden van klagers expliciet aangegeven dat het hoger beroep zich niet richt tegen het oordeel van de raad met betrekking tot klachtonderdeel d). Dit onderdeel behoeft in hoger beroep derhalve geen bespreking meer.
5 BEOORDELING RAAD
Ontvankelijkheid
5.1 De raad heeft klagers 2 tot en met 5 niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot de klachtonderdelen 4a) en 4c) omdat zij bij die klachten geen eigen belang hebben.
Inhoudelijk
Klachtonderdeel 4a) het aanvaarden van de opdracht
5.2 Met betrekking tot dit klachtonderdeel heeft de raad overwogen dat het Openbaar Ministerie, net als iedere andere rechtzoekende, het recht heeft om zich bij te laten staan door zijn advocaat. Dat betekent volgens de raad ook dat het Openbaar Ministerie een advocaat desgewenst (vertrouwelijk) om advies kan vragen. Een ieder moet zich immers in vertrouwen tot een advocaat kunnen wenden om zijn rechtspositie te bepalen, ook in het kader van een mogelijk in te dienen tuchtklacht. Dat de aanvraag zag op de vraag of mr. D (klager 1) misbruik heeft gemaakt van zijn verschoningsrecht, maakt dat niet anders. Ook daarover moet het Openbaar Ministerie een advocaat om vertrouwelijk advies kunnen vragen. Die vraagstelling op zichzelf maakte ook niet dat verweerder de opdracht had moeten weigeren of dat hij – voorafgaand aan de aanvaarding van de opdracht – kantoor S, klager 1, de deken en/of de rechter had moeten consulteren.
Klachtonderdeel 4b) het kennisnemen van de e-mails
5.3 De raad is tot het oordeel gekomen dat het door verweerder kennisnemen en gebruiken van de betreffende e-mails onder de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Daartoe heeft de raad – samenvattend – het volgende overwogen. Vast is komen te staan dat de aan verweerder verstrekte e-mails verschoningsgerechtigde e-mails betroffen, gelet op de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 13 september 2018. Ook het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft dit op 2 mei 2023 vastgesteld. Die gerechtelijke uitspraken waren er op het moment van het aanvaarden van de opdracht en het kennisnemen van de e-mails door verweerder (eind 2015/begin 2016) echter nog niet. De raad is van oordeel dat het handelen van verweerder ex tunc moet worden beoordeeld, dus aan de hand van feiten en omstandigheden die destijds bekend waren.
5.4 Klagers hebben bij de raad gesteld dat verweerder ten onrechte kennis heeft genomen van stukken en informatie die onder het verschoningsrecht van klager 1 vallen. Hij had geen inbreuk mogen maken op het verschoningsrecht. Zij stellen dat het evident is dat het om verschoningsgerechtigde bescheiden ging en dat verweerder de deken, de rechter en/of klager 1 had moeten benaderen voorafgaand aan de beslissing om kennis te nemen van de bescheiden. Verweerder had moeten inzien dat het bij gebreke van rechterlijke toestemming verboden was dat het Openbaar Ministerie – en in het verlengde daarvan hijzelf als diens advocaat – zou beschikken over de vertrouwelijke e-mails.
5.5 Verweerder heeft bij de raad gesteld dat het Openbaar Ministerie de aan hem verstrekte e-mails rechtmatig had verkregen: de [W]-gegevens zijn na een vordering van de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris verkregen in het kader van strafvorderlijke onderzoekshandelingen. Verweerder heeft onder meer bij het Openbaar Ministerie geverifieerd hoe en wanneer het Openbaar Ministerie de beschikking over de e-mails had gekregen. Het Openbaar Ministerie was de instantie die op grond van de wet (in de eerste plaats) bevoegd was om te beoordelen of sprake is van verschoningsgerechtigde items in de zin van artikel 126aa lid 2 Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie had reeds intern het standpunt bepaald dat de betreffende e-mails géén geheimhouders stukken waren en besloten dit standpunt ook in het strafproces tegen klagers 2 tot en met 5 te willen innemen. Het ging bovendien niet om stukken die ‘onmiskenbaar’ vielen onder het verschoningsrecht: de e-mails waren namelijk gewisseld tussen betrokkenen van klager 2 en hun accountant en waren, voor zover klager 1 daarbij al was betrokken, in cc aan hem gericht.
5.6 In één van de civiele procedures tussen klager 1 en de Staat is tussen partijen discussie geweest over de vraag of sprake is van een zogenaamd tweesporenstelsel (de bescherming van artikel 98 Wetboek van Strafvordering of via artikel 126aa Wetboek van Strafvordering). Dat is feitelijk waar verweerder zich op beroept. In het geval van een doorzoeking ter inbeslagneming wordt van inbeslaggenomen stukken, in het geval de verschoningsgerechtigde zich ten aanzien van die stukken op zijn geheimhoudingplicht beroept, geen kennis genomen, maar dient de rechter-commissaris daarop eerst te beslissen (artikel 98 Wetboek van Strafvordering, het eerste ‘klassieke’ spoor). Dit is ook gebeurd bij de doorzoeking ter inbeslagneming bij [accountant] op 1 december 2016. De [W]-gegevens zijn echter niet op grond van artikel 98 Sv verkregen, maar via een heimelijke vordering op grond van artikel 126ng/ug Wetboek van Strafvordering.
5.7 De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie van 8 december 2023 onder meer geschreven dat duidelijk is dat de wetgever heeft gewild dat de officier van justitie de in artikel 126aa Wetboek van Strafvordering bedoelde selectie en filtering van verschoningsgerechtigde informatie zou uitvoeren. Volgens hem kan geen discussie bestaan over het feit dat het Wetboek van Strafvordering een tweesporenstelsel kent voor de omgang met verschoningsgerechtigde informatie. Het eerste spoor: het klassieke domein, met artikel 98 Wetboek van Strafvordering als belangrijkste artikel en de rechter-commissaris de belangrijkste autoriteit. Het tweede spoor wordt beheerst door artikel 126aa Wetboek van Strafvordering en valt dus in de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie. De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing van 12 maart 2024 overwogen dat het huidige Wetboek van Strafvordering niet is afgestemd op opsporingsbevoegdheden zoals het vorderen van gegevens die gebruik maken van moderne technieken of aansluiten op moderne vormen van verwerking van gegevens. De Hoge Raad spreekt van ‘knelpunten’ en ’lacunes’ in de huidige wetgeving, noemt in dat verband nadrukkelijk artikel 126aa Wetboek van Strafvordering en maakt melding van de vraag of de officier van justitie de betreffende filtering kan (doen) verrichten of dat die filtering plaats moet vinden door of onder regie van een rechter-commissaris. De Hoge Raad heeft daarom, in afwachting van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, enkele uitgangspunten geformuleerd, waarbij ook wordt overwogen dat ‘rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de opsporingsambtenaren en het openbaar ministerie tot de datum van deze beslissing niet bedacht konden zijn op de wijze waarop in deze beslissing concreet uitwerking is gegeven aan de met het verschoningsrecht samenhangende uitgangspunten’.
5.8 Naar het oordeel van de raad was het eind 2015/begin 2016 niet evident dat het Openbaar Ministerie de betreffende e-mails niet rechtmatig onder zich had. Verdedigbaar was dat het Openbaar Ministerie de stukken rechtmatig had verkregen. Ook ging het niet zonder meer om verschoningsgerechtigde stukken: het ging voor een groot deel om correspondentie tussen betrokkenen van klager 2 en [accountant]. Mede naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad (van 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110) was er discussie over de vraag of correspondentie waarbij een notaris (net als een advocaat een professioneel verschoningsgerechtigde) in de cc stond wel onder het verschoningsrecht viel. Gezien de concrete omstandigheden van het geval – de e-mails leken rechtmatig verkregen, het was op dat moment niet evident dat het om verschoningsgerechtigde items ging en kennisneming was noodzakelijk om de cliënt (vertrouwelijk) te adviseren – is het naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder kennis heeft genomen van de e-mails en hij deze heeft gebruikt ten behoeve van zijn (vertrouwelijke) advisering. Verweerder had er weliswaar voor kunnen kiezen om de deken te raadplegen alvorens kennis te nemen van de betreffende e-mails en dat was achteraf bezien ook aan te raden geweest, maar dat hij dat niet heeft gedaan acht de raad in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat verweerder de rechter of klager 1 niet heeft geraadpleegd, acht de raad evenmin onbegrijpelijk. Er was hiervoor geen rechtsingang (zoals de rechter-commissaris in het strafrecht) en het betrof een intern vertrouwelijk advies, op basis van heimelijk verkregen informatie, waardoor geen sprake kon zijn van hoor en wederhoor bij klager 1.
5.9 De situaties in de door klagers aangehaalde uitspraken van het Hof van Discipline van 7 juli 2014 (ECLI:NL:TAHVD:2014:214) en 30 mei 2022 (ECLI:NL:TAHVD:2022:105) zijn naar het oordeel van de raad wezenlijk anders dan de situatie in deze zaak. Anders dan in genoemde uitspraken het geval was, was in de nu voorliggende zaken (destijds) geen sprake van onmiskenbaar onrechtmatig verkregen of evident geprivilegieerde e-mails.
Klachtonderdeel 4c) de inhoud van het advies van 5 februari 2016
5.10 De raad heeft overwogen dat beoordeeld moet worden of verweerder de belangen van klager 1 – niet zijnde zijn cliënt – nodeloos en/of op ontoelaatbare wijze heeft geschaad (gelet op het toepasselijke toetsingskader) door te adviseren zoals hij deed. Dat is een beperktere toets dan wanneer de eigen cliënt over de kwaliteit van het advies zou klagen. In alle gevallen moet de inhoud van het advies ex tunc worden beoordeeld. Hoewel duidelijk is dat de conclusies in het advies achteraf onjuist zijn gebleken, betekent dat volgens de raad nog niet dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het advies van verweerder schetst een afgewogen en voldoende genuanceerd beeld van de stand van het recht toentertijd. Dat verweerder niet beschikte over de definitieve opdrachtbevestiging aan [accountant] of dat hij in zijn advies niet ook heeft gewezen op Europese jurisprudentie, maakt volgens de raad nog niet dat door het advies de belangen van klager 1 nodeloos en/of op ontoelaatbare wijze zijn geschaad. Daarvan zou naar het oordeel van de raad pas sprake zijn als het advies niet verdedigbaar of kennelijk onjuist zou zijn. Dat geldt niet voor het advies beoordeeld naar de destijds in februari 2016 geldende normen, jurisprudentie en wetgeving. Verweerder kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van wat het Openbaar Ministerie en/of de [Belastingdienst/]FIOD vervolgens met zijn advies heeft gedaan.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klagers
6.1 In de basis leggen klagers aan hun beroep ten grondslag dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende toepasselijke tuchtrechtelijke norm, inhoudende dat een advocaat geen kennis mag nemen van correspondentie die onder het verschoningsrecht van een andere advocaat kan vallen. In zo’n situatie dient eerst aan de advocaat wiens verschoningsrecht het betreft expliciet toestemming te worden gevraagd om de correspondentie te mogen lezen. Bij twijfel of correspondentie als vertrouwelijk is aan te merken, dient de advocaat de deken te consulteren. Als die bemiddeling niet tot resultaat leidt, is de beoordeling voorbehouden aan de rechter.
6.2 Er is volgens klagers geen enkele reden om deze norm aan te passen voor de landsadvocaat en evenmin als het Openbaar Ministerie de cliënt is die aangeeft dat het verkregen materiaal rechtmatig is verkregen, omdat dit niet betekent dat het materiaal daarmee zijn vertrouwelijke karakter heeft verloren. Deze norm blijft ook onverkort van kracht als de advocaat wordt gevraagd het materiaal te beoordelen op eventueel verschoningsgerechtigde inhoud. Ook maakt het niet uit of de advocaat of zijn cliënt zélf het verschoningsgerechtigde materiaal vervolgens in een procedure gebruikt.
6.3 Voor verweerder was (mede gelet op de onderwerpregels van de e-mails) duidelijk dat hij was komen te beschikken over mogelijk verschoningsgerechtigde correspondentie. Verweerder had zich primair met klager 1 moeten verstaan (en anders de deken) omdat het voor verweerder kenbaar was dat klager 1 zou kunnen stellen dat de correspondentie onder zijn verschoningsrecht viel. Daarom mocht verweerder ook niet afgaan op het oordeel van zijn cliënt (het Openbaar Ministerie) dat het materiaal rechtmatig was verkregen en geen verschoningsgerechtigde communicatie bevatte.
6.4 Vervolgens hebben klagers acht beroepsgronden aangevoerd:
1) klagers 2 tot en met 5 zijn ten aanzien van de klachtonderdelen a) en c) ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; 2) de raad heeft ten onrechte kennelijk bepalend geacht of de e-mails naar hun vorm of uiterlijke kenmerken (evident) geprivilegieerd waren; 3) de raad heeft ten onrechte geoordeeld dat verweerder (slechts) aan te raden was de deken te raadplegen en dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar was dat verweerder dat heeft nagelaten; 4) de raad heeft ten onrechte veel aandacht besteed aan de vraag of het Openbaar Ministerie de e-mails rechtmatig onder zich had dan wel onrechtmatig had verkregen; 5) de raad heeft ten onrechte geoordeeld dat het voor verweerder noodzakelijk zou zijn geweest om kennis te nemen van de e-mails om de cliënt (vertrouwelijk) te kunnen adviseren; 6) de raad heeft ten onrechte geoordeeld dat het niet onbegrijpelijk is dat verweerder niet de rechter of klager 1 heeft geraadpleegd omdat er geen rechtsingang zou bestaan; 7) de raad heeft ten onrechte geoordeeld dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt treft ten aanzien van de inhoud van het advies van 5 februari 2016; 8) het is onjuist en onbegrijpelijk dat de raad meent dat verweerder zijn advies heeft opgesteld met de zorgvuldigheid die van een redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden.
6.5 Klagers ronden hun beroepschrift af met het wijzen op het belang van de onderhavige zaak vanwege de precedentwerking die klagers vrezen in het geval de beslissing van de raad in hoger beroep in stand blijft.
Verweer
6.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Toetsingskader
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. Artikel 10a, lid 1 Advocatenwet luidt als volgt:
‘In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep:
a. onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt;
b. partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt;
c. deskundig en kan hij beschikken over voldoende kennis en vaardigheden;
d. integer en onthoudt hij zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; en
e. vertrouwenspersoon en neemt hij geheimhouding in acht binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen.’
7.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
7.3 Het hof beoordeelt de klacht aan de hand van de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden, en de beroepsgronden.
Overwegingen hof
Vooraf 7.4 Het hof stelt voorop dat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij de raad blijkt dat, voordat de raad de omschrijving van de klachten aan partijen voorhield, hij partijen heeft verzocht, als die omschrijving niet zou kloppen, dat aan te geven. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij de raad blijkt niet dat nadat de raad de omschrijving van de klachten heeft voorgehouden partijen daarmee uitdrukkelijk en ondubbelzinnig hebben ingestemd. Tegen de omschrijving van de klacht door de raad en de totstandkoming van die omschrijving zijn geen beroepsgronden gericht. Het hof moet dus uitgaan van de door de raad gegeven omschrijving van de klacht. De regel dat bij de beoordeling van de klacht uitgegaan moet worden van de omschrijving ervan is tuchtrechtelijk van belang omdat verweerder dan precies weet waarop de klacht ziet en hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. (Zie onder meer: HvD 27 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:114.)
Ontvankelijkheid klagers 2 tot en met 5 ten aanzien van klachtonderdelen a) en c) 7.5 Klagers 2 tot en met 5 zijn door de raad niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot de klachtonderdelen a) en c).
7.6 Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het advocatenklachtrecht er niet voor een ieder maar slechts voor diegene die door een handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn eigen belang wordt getroffen (HvD 2 juli 2015, ECLI:TAHVD:2015:332, HvD 14 februari 2022 ECLI:NL:TAHVD:2022:34 en HvD 1 juli 2024 ECLI:NL:TAHVD:2024:193). Volgens klagers 2 tot en met 5 is dat aan de orde omdat het verschoningsrecht bedoeld is om de vertrouwelijkheid tussen hen en hun advocaat mr. D te beschermen.
7.7 De belangen van klagers 2 tot en met 5 worden niet rechtstreeks geraakt door het (geven van) advies door verweerder aan het Openbaar Ministerie over de vraag of door het Openbaar Ministerie een tuchtklacht kan worden ingediend tegen hun advocaat (klachtonderdeel a) en evenmin door de inhoud van dat advies (klachtonderdeel c). Uitsluitend klager 1 (hierna: mr. D) heeft bij deze klachtonderdelen direct belang, omdat deze klachtonderdelen rechtstreeks raken aan zijn positie als advocaat en de eerbiediging van zijn verschoningsrecht.
7.8 Voor klagers 2 tot en met 5 ontstaat pas een rechtstreeks, eigen belang op het moment dat verweerder bij zijn advisering aan zijn cliënt gebruik maakt van door het verschoningsrecht geprivilegieerde e-mailcommunicatie tussen klagers 2 tot en met 5 en hun advocaat mr. D. Dat betreft klachtonderdeel b.
7.9 De tegen dit onderdeel van de beslissing van de raad gerichte beroepsgrond slaagt daarom niet. Met de raad is het hof van oordeel dat klagers 2 tot en met 5 geen eigen, rechtstreeks belang hebben bij de inhoudelijke beoordeling van de tuchtklachten a) en c). Deze tuchtklachten raken uitsluitend de belangen van mr. D.
Algemene overwegingen verschoningsrecht en geheimhoudingsplicht advocaat
7.10 Artikel 11a Advocatenwet, lid 1 luidt als volgt:
‘Voor zover niet bij wet anders is bepaald, is de advocaat ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht. Dezelfde verplichting geldt voor medewerkers en personeel van de advocaat, alsmede andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening.’
7.11 Het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk om bijstand en advies tot een advocaat moet kunnen wenden houdt in dat de cliënt van een advocaat erop moet kunnen vertrouwen dat wat de cliënt zijn advocaat als zodanig toevertrouwt niet in de openbaarheid komt. Daartoe rust op de advocaat een geheimhoudingsplicht. De advocaat komt dan ook het recht toe zich van een eventuele verplichting tot het verschaffen van informatie te verschonen: het verschoningsrecht. De advocaat die tot geheimhouding is verplicht, moet zich tegenover derden op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschonings-gerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een cliënt die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. Het belang van het verschoningsrecht is onder meer tot uitdrukking gebracht in artikel 53a Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht, artikel 218 Wetboek van Strafvordering en artikel 165, lid 2, onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
7.12 Het verschoningsrecht is niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt of het belang dat de veiligheid van personen wordt gewaarborgd – ook betreffende datgene waarvan de wetenschap de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd – zwaarder moet wegen dan de eerbiediging van het verschoningsrecht. Voorts is het verschoningsrecht niet absoluut op grond van uit de wet volgende inbreuken op het verschoningsrecht, zoals bijvoorbeeld de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en, zoals hierna uiteen wordt gezet, de Wet open overheid (hierna: Woo; tot 1 mei 2022 Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob)) .
7.13 In de relatie van de cliënt en zijn advocaat doet zich een wettelijke inbreuk op het verschoningsrecht voor als de cliënt een bestuursorgaan is. Een bestuursorgaan valt onder de werking van de Woo. Bij de toepassing van deze wet wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving (artikel 2.5 Woo). Daarbij heeft eenieder recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij de Woo gestelde beperkingen (artikel 1.1 Woo). Deze uitgangspunten golden ook onder de tot 1 mei 2022 van toepassing zijnde Wob.
7.14 Artikel 11a Advocatenwet regelt niet in welke gevallen onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie mag worden verstrekt. Derhalve bevat deze bepaling geen bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter: dit artikel staat dus niet aan de verplichte openbaarmaking op grond van de Woo (voorheen: de Wob) in de weg. (ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:605; ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1975 en ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:133.)
7.15 Verder is van belang dat de uit hoofde van artikel 11a Advocatenwet voor de advocaat geldende geheimhoudingsverplichting niet een verplichting is waar het bestuursorgaan aan is gebonden. Deze norm, de verplichting tot de geheimhouding, richt zich tot de advocaat en niet tot het bestuursorgaan. (ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:605; ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1975 en ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:133.) Voor het bestuursorgaan staat ingevolge de Woo (voorheen: de Wob) de verplichting om openbaarheid te betrachten voorop. Een bestuursorgaan moet respectievelijk kan openbaarmaking weigeren op de in de Woo limitatief vermelde absolute respectievelijk relatieve weigeringsgronden. Bij de relatieve weigeringsgronden moet het bestuursorgaan (of eventueel de bestuursrechter) het belang van openbaarmaking van informatie afwegen tegen andere belangen; deze belangenafweging kan ertoe leiden dat informatie die de advocaat geheim moet houden toch openbaar wordt (vgl. ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5627). Het belang van de advocaat om zijn in artikel 11a Advocatenwet opgenomen geheimhoudingsverplichting na te leven is immers niet een belang dat het bestuursorgaan regardeert. Het verschoningsrecht in het algemeen is voorts geen zelfstandige grond om openbaarmaking van onder de Woo vallende informatie te weigeren. De wetgever heeft deze weigeringsgrond immers niet in de Woo opgenomen. Voor buitenwettelijke weigeringsgronden is in het systeem van de Woo geen plaats. (ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870.)
7.16 Resumerend volgt uit het vorenstaande dat als de cliënt van een advocaat een bestuursorgaan is, de advocaat het niet zelf in de hand heeft dat door hem geheim te houden informatie al dan niet openbaar wordt omdat openbaarheid van informatie bij de overheid hoofdregel is. Een advocaat die een bestuursorgaan als cliënt heeft dient zich daar bij kwesties rondom het verschoningsrecht bewust van te zijn.
Klachtonderdeel a): het geven van advies of een tuchtklacht kan worden ingediend 7.17 Klachtonderdeel a) luidt:
‘a) verweerder had de opdracht om advies uit te brengen over een tuchtklacht tegen mr. D niet mogen aanvaarden en had dat advies in elk geval niet mogen uitbrengen, althans niet zonder voorafgaande consultering van [kantoor van mr. D, kantoor S], de deken en/of de rechter;’
7.18 Uitgaande van deze in hoger beroep vaststaande klachtomschrijving mocht verweerder de opdracht aanvaarden advies te geven over de vraag of een tuchtklacht tegen een advocaat – in deze zaak mr. D – kon worden ingediend. Dit is niet anders nu de opdrachtgever van verweerder het Openbaar Ministerie was. Alvorens deze opdracht te aanvaarden hoefde verweerder ook niet eerst kantoor S of een externe partij (zoals de deken of een rechter) te consulteren. Ook was het voor het aanvaarden van de opdracht niet noodzakelijk kennis te nemen van de geprivilegieerde e-mails.
7.19 Het voorgaande geldt eveneens voor het uitbrengen van dit advies, zolang daarbij door de advocaat die het advies geeft geen kennis wordt genomen van informatie die onder het verschoningsrecht kan vallen van de advocaat op wie het advies betrekking heeft. Indien dat wel het geval is, ontstaat een geheel andere situatie en op die situatie ziet klachtonderdeel b) dat hierna wordt behandeld.
7.20 Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b): het kennisnemen en het gebruik van de e-mails
7.21 Informatie die onmiskenbaar vertrouwelijk van aard is in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt, mag niet gebruikt worden door anderen buiten die relatie. Dit betekent dat ook een andere advocaat daarvan geen kennis mag nemen, behoudens uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming van de eerstgenoemde advocaat, zeer bijzondere omstandigheden of wettelijke uitzonderingen. (Vgl. HvD 20 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:7.) Het oordeel omtrent de vraag of informatie binnen de relatie advocaat-cliënt als vertrouwelijk is aan te merken en onder het verschoningsrecht valt, komt in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde advocaat (de informatiebron). Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om informatie waarvan kennisneming zou leiden tot schending van zijn beroepsgeheim, moet dat standpunt worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:105.)
Adviesopdracht 7.22 Verweerder ontving op 7 december 2015 van zijn cliënt de adviesopdracht te onderzoeken of tegen mr. D een tuchtklacht kon worden ingediend. Uit de onder 3.4.1 vermelde verklaring van 14 december 2023 van het Openbaar Ministerie en de inhoud van het advies van 5 februari 2016 blijkt dat de mogelijke tuchtklacht gericht zou zijn op vermeend misbruik van het verschoningsrecht door mr. D. Dit beoogde doel van het advies was verweerder dan ook bekend bij het aanvaarden van de adviesopdracht. Verweerder was er ook mee bekend dat het Openbaar Ministerie intern het standpunt had bepaald dat de tegelijkertijd bij het verlenen van de opdracht door het Openbaar Ministerie aan verweerder verstrekte e-mails niet onder het verschoningsrecht van mr. D vielen en dat het zich in het strafproces tegen de cliënten van mr. D op het standpunt zou stellen dat deze e-mails niet onder het verschoningsrecht vielen. Verweerder was er voorts ook mee bekend dat door de cliënt verstrekte e-mails door een heimelijke opsporingshandeling van de e-mailprovider van de verdachte door de cliënt waren verkregen, dat verdachten en hun advocaten daar niet van op de hoogte waren en dat dus mr. D niet in de gelegenheid was geweest zich op zijn verschoningsrecht te beroepen.
Wetenschap verweerder op 7 december 2015: raadpleging deken 7.23 Reeds de wetenschap van verweerder van het doel van de adviesaanvraag in samenhang met de wetenschap dat zijn cliënt in het kader van het strafrechtelijke onderzoek tegen de cliënten van mr. D een standpunt had ingenomen over de toepasselijkheid van het verschoningsrecht (van mr. D) met betrekking tot de bij de opdrachtverstrekking verstrekte e-mails, had verweerder ertoe moeten brengen zijn advieswerkzaamheden onmiddellijk te pauzeren (HvD 7 juli 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:214 en HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:105, r.o. 6.22.). Daarmee was, zoals klagers ook betogen en anders dan de raad heeft overwogen, immers al klip en klaar dat het mogelijk ging om informatie waarbij het verschoningsrecht van mr. D in het geding was.
7.24 Daarmee faalt de stelling van verweerder dat hij alleen kon toetsen of mr. D misbruik maakte van zijn verschoningsrecht door de betreffende e-mails te lezen (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, r.o. 2.4.2). Verweerder had zijn cliënt in beginsel mee moeten delen dat hij eerst mr. D toestemming moest vragen om de door zijn cliënt verstrekte e-mails te mogen lezen. Met de raad is het hof van oordeel dat het vragen van toestemming van mr. D in dit geval toentertijd niet voor de hand lag, omdat mr. D niet op de hoogte was, en ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek tegen zijn cliënten op dat moment niet op de hoogte mocht raken, van het feit dat de e-mails in het bezit waren van het Openbaar Ministerie. In dit geval had verweerder dus, na overleg met zijn cliënt en in het geval zijn cliënt de opdracht door zou zetten, in het kader van zorgvuldig handelen in ieder geval de deken moeten raadplegen, hetgeen hij heeft nagelaten. Het vorenstaande was, zoals klagers stellen en anders dan de raad heeft overwogen, ten tijde van de opdrachtverlening voor het advies op 7 december 2015 de voor een advocaat reeds bekende tuchtrechtelijk voorgeschreven procedure. (HvD 7 juli 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:214.)
Afgaan door verweerder op het (juridische) standpunt van zijn cliënt 7.25 Het verweer van verweerder dat hij mocht afgaan op het standpunt van het Openbaar Ministerie omdat het Openbaar Ministerie, naar toen werd aangenomen, de instantie was die in het kader van het strafproces (in de eerste plaats) mocht beoordelen of de informatie onder het verschoningsrecht viel, getuigt van een miskenning van de kernwaarde onafhankelijkheid en de eigen verantwoordelijkheid van een advocaat. Deze kernwaarde houdt in dat een advocaat zich onafhankelijk opstelt ten opzichte van zijn cliënt, ook al is die cliënt het Openbaar Ministerie. De advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om het verschoningsrecht van een andere advocaat te respecteren.
7.26 Deze onafhankelijkheid ten opzichte van zijn cliënt had in dit geval ten eerste verweerder ertoe moeten brengen het standpunt van zijn cliënt met professionele distantie te bezien. Daarbij had verweerder zich, voordat hij verder ging met zijn (advies)werkzaamheden en zeker voordat hij kennis nam van de e-mails, kunnen en moeten realiseren dat het (juridische) standpunt van zijn cliënt dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht van mr. D vielen onjuist zou kunnen zijn (zoals later ook is gebleken). Verweerder mocht niet, zoals hij wel heeft gedaan, zomaar op de juridische opvatting van zijn cliënt varen.
7.27 Ten tweede was aan de adviesaanvraag in het kader van een mogelijke tuchtklacht tegen mr. D inherent dat het aan verweerder zelf was te handelen zoals een advocaat behoort te handelen als het verschoningsrecht van een andere advocaat in het geding is of kan zijn. Daarmee is gegeven dat het standpunt van de cliënt van verweerder in het kader van het gebruik van de e-mails in het strafproces tegen de verdachten, cliënten van mr. D, in de kern voor verweerder irrelevant was.
7.28 Voor verweerder was het belang aan de orde dat hij het verschoningsrecht van een andere advocaat niet zou schenden. Het belang van verdachten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of een strafproces dat het verschoningsrecht van hun advocaat (door het Openbaar Ministerie) wordt gerespecteerd is een ander belang dan het belang dat een advocaat het verschoningsrecht van een advocaat van de verdachten respecteert. Anders dan de raad in wezen heeft overwogen is dus niet van belang dat eind 2015 en begin 2016 het niet evident onjuist was dat het Openbaar Ministerie in de strafzaak van de verdachten, de cliënten van mr. D, meende zonder tussenkomst van de (straf)rechter voor het strafrecht te mogen beslissen of informatie wel of niet verschoningsgerechtigd was. De stand van het strafrecht op dat moment was van geen belang voor de afweging die verweerder moest maken, omdat advies werd gevraagd omtrent een mogelijk tuchtrechtelijk verwijt tegen mr. D, hetgeen geen verband hield met de strafzaak tegen de cliënten van mr. D of een strafrechtelijk onderzoek naar mr. D.
Cliënt van verweerder heeft geen rechterlijk oordeel gevraagd 7.29 In HvD 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:105 is geoordeeld dat wanneer de deken wordt geraadpleegd over de vraag of informatie als vertrouwelijk is aan te merken en onder het verschoningsrecht valt en bemiddeling niet tot resultaat leidt, de beoordeling is voorbehouden aan de rechter.
7.30 Onder beroepsgrond 6 stellen klagers dat, anders dan de raad heeft overwogen, er voor de cliënt van verweerder wel een rechtsingang was (artikel 181 of 552a Wetboek van Strafvordering). Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat op 7 december 2015 deze rechtsingang niet voor de hand lag, omdat mr. D er niet van op de hoogte was, en ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek tegen zijn cliënten op dat moment niet op de hoogte mocht raken, van het feit dat de e-mails in het bezit waren van het Openbaar Ministerie.
7.31 Daarbij komt dat het verschoningsrecht niet absoluut is en dat verschillende rechters voor verschillende rechtsgebieden verschillend kunnen oordelen over de vraag of informatie onder het verschoningsrecht valt (HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 7.4; vgl. HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456 en vgl. ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870). Een rechterlijk oordeel dat (slechts) betrekking zou hebben gehad op het gebruik van de e-mails in het strafproces tegen de cliënten van mr. D, verdachten in de strafzaak Castor, was, anders dan klagers kennelijk menen, niet zonder meer bepalend voor de afweging die verweerder moest maken. Ook daarom slaagt beroepsgrond 6 niet.
Vertrouwelijkheid van de in het advies vervatte informatie over de e-mails was niet gegarandeerd 7.32 Verweerder heeft nog gesteld dat zijn cliënt recht heeft op vertrouwelijke advisering door een advocaat en dat het advocatentuchtrecht er niet aan in de weg staat dat een advocaat vertrouwelijk intern advies uitbrengt aan zijn cliënt over de tuchtrechtelijke beoordeling van handelen van een andere advocaat. Voorts heeft verweerder gesteld dat het advies hooguit zou kunnen leiden tot een vertrouwelijke, (niet-openbare), procedure bij de tot geheimhouding gehouden deken. De deken zou zich, aldus verweerder, in die procedure ook kunnen uitlaten over de vraag of de e-mails wel gebruikt mochten worden ter onderbouwing van de tuchtklacht – en zou dat dan ook doen vóórdat (eventueel) werd toegekomen aan de (openbare) procedure bij de Raad van Discipline.
7.33 Hierbij gaat verweerder, evenals de raad, er echter aan voorbij dat de vertrouwelijkheid van het advies over de e-mails die mogelijk onder het verschoningsrecht van mr. D vielen en ook van de in het advies vervatte informatie over die e-mails niet was gegarandeerd. De cliënt was het Openbaar Ministerie en het Openbaar Ministerie is een bestuursorgaan.
7.34 Daarmee was het mogelijk dat het advies op grond van de toen geldende Wob openbaar zou worden. Deze openbaarmaking kent beperkingen, onder meer als een strafrechtelijk onderzoek of een strafvervolging doorkruist dreigt te worden door openbaarmaking van informatie. De gronden die aan openbaarmaking op grond van de Wob in de weg stonden bij informatie die betrekking heeft op een strafrechtelijk onderzoek of een strafvervolging (onder meer: artikel 10, lid 2, onderdelen c en g Wob en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) waren echter niet aan de orde omdat het advies niet was bestemd voor het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van de cliënten van mr. D of een mogelijke strafvervolging van de cliënten van mr. D. Evenmin was aan de orde dat het advies niet openbaar kon worden omdat het deel uitmaakte van het strafdossier van de cliënten van mr. D dat (na de dagvaarding voor het onderzoek ter terechtzitting van deze cliënten) aan de strafrechter was voorgelegd: in dat geval zou de bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter van artikel 365, lid 4 en 5 Wetboek van Strafvordering (en niet de Wob) van toepassing zijn. (ABRvS 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1879.)
7.35 Zoals verweerder heeft benadrukt en volgt uit de onder 3.4.1 vermelde verklaring van 14 december 2023 van het Openbaar Ministerie werd aan verweerder advies gevraagd in verband met een mogelijke tuchtklacht tegen mr. D en niet om een advies voor het gebruik van de e-mails in het (mogelijke) strafproces tegen de verdachten in de strafzaak Castor, de cliënten van mr. D. Verweerder kon er dan ook niet van uitgaan dat de gronden voor een weigering van openbaarmaking in verband met een strafrechtelijk onderzoek of een strafvervolging aan, in beginsel: verplichte, openbaarmaking door zijn cliënt in de weg zouden staan.
7.36 Hieraan doet niet af, dat, zoals ook blijkt uit de onder 3.4.1 vermelde verklaring van 14 december 2023 van het Openbaar Ministerie, deze buiten toedoen van verweerder het advies is gaan gebruiken voor het strafrechtelijke onderzoek tegen de verdachten in de strafzaak Castor, de cliënten van mr. D terwijl het daarvoor niet was bedoeld. Verweerder kon dit vooraf niet weten en hij was daar ook niet bij betrokken.
7.37 Omdat het advies van verweerder dus niet zag op het (mogelijke) strafproces tegen de verdachten in de strafzaak Castor, de cliënten van mr. D, had verweerder er rekening mee moeten houden dat het allerminst uitgesloten was dat het advies openbaar zou worden en daarmee de daarin vervatte informatie waarvoor het verschoningsrecht van mr. D (mogelijk) gold ook openbaar zou worden. Het verweer tijdens het onderzoek ter zitting van verweerder - naar aanleiding van de opmerking van het hof dat het aspect van de Wob in het debat tussen partijen onderbelicht was gebleven - dat een verzoek om openbaarmaking zou stranden op de in de Wob opgenomen weigeringsgrond ‘intern beraad’ (artikel 11 Wob; artikel 5.2 Woo) – wat daar ook van zij – gaat eraan voorbij dat het niet in de macht van verweerder lag dat zijn cliënt zich op die weigeringsgrond zou beroepen om openbaarmaking te voorkomen, nog daargelaten dat de bestuursrechter die weigeringsgrond wellicht niet honoreert. Verder wordt verwezen naar 7.13 tot en met 7.16.
7.38 Met betrekking tot de stelling van verweerder dat zijn cliënt recht heeft op vertrouwelijke advisering door een advocaat is het hof met klagers van oordeel dat tuchtrechtelijk gezien dit belang van de cliënt moet wijken voor het belang dat een advocaat het verschoningsrecht van een andere advocaat respecteert, althans dat tot zo’n advisering niet kan worden overgegaan als niet de toestemming van de verschoningsgerechtigde advocaat is verkregen of de deken met die advisering instemt.
Tussenconclusie 7.39 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zonder toestemming van mr. D of instemming van de deken geen kennis had mogen nemen van de e-mails, laat staan dat hij deze had mogen gebruiken. Verweerder heeft door kennis te nemen van de e-mails en deze voor het advies te gebruiken ogenschijnlijk lichtvaardig het juridische standpunt van zijn cliënt gevolgd en zijn onafhankelijkheid ten opzichte van zijn cliënt uit het oog verloren. Door kennis te nemen van de e-mails en deze voor het advies te gebruiken heeft verweerder zijn eigen verantwoordelijkheid om het verschoningsrecht van een andere advocaat te respecteren niet genomen en daarmee niet integer gehandeld en niet gehandeld zoals een advocaat betaamt.
Klachtonderdeel b) is gegrond 7.40 Uit het voorgaande volgt dat – anders dan de raad heeft geoordeeld – klachtonderdeel b) gegrond is.
Klachtonderdeel c): de inhoud van het advies
7.41 Zoals hiervoor in overweging 7.5 tot en met 7.9 uiteengezet, heeft uitsluitend mr. D een rechtstreeks, eigen belang bij de behandeling van dit klachtonderdeel.
7.42 In hoeverre het advies van verweerder onjuist was acht het hof een civielrechtelijke kwestie die buiten het bereik van het tuchtrecht valt. Het hof zal zich daarom, anders dan de raad, niet uitgebreid uitlaten over de inhoud van het advies en daar ook geen kwalificaties aan verbinden. Dit geldt ook ten aanzien van de door mr. D gestelde gevolgen van dit advies voor hemzelf en, zo begrijpt het hof, het strafrechtelijk onderzoek. Het eerste valt niet onder de klachtomschrijving en het laatste valt reeds buiten het bereik van dit klachtonderdeel omdat klagers 2 tot en met 5 ten aanzien van dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk zijn.
7.43 Het hof meent dat het advies de toepasselijke, beperkte tuchtrechtelijke toetsing doorstaat. Het is niet aan het hof om het advies inhoudelijk te beoordelen op de (volledige) juistheid ervan.
7.44 Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Slotsom
7.45 Het hof acht in tegenstelling tot de raad klachtonderdeel b) gegrond. Het handelen van verweerder is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
7.46 Dit betekent dat de beslissing van de raad op dit onderdeel vernietigd zal worden en het hof zich zal uitlaten over een maatregel.
8 MAATREGEL
8.1 Het hof stelt vast dat verweerder een ernstig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt doordat hij met zijn handelwijze de kernwaarden onafhankelijkheid, integriteit en betamelijkheid heeft geschonden.
8.2 Verweerder wist bij de opdrachtverlening dat hij van zijn cliënt informatie had gekregen die mogelijk onder het verschoningsrecht van mr. D viel. Die wetenschap had voor verweerder een rode vlag moeten zijn. In plaats daarvan heeft verweerder de e-mails gelezen en gebruikt, waarbij verweerder volledig is afgegaan op het juridische standpunt van zijn cliënt dat de e-mails niet onder het verschoningsrecht van mr. D zouden vallen. Verweerder heeft daarmee de kernwaarde onafhankelijkheid miskend. Het hof rekent verweerder dit zwaar aan. Juist nu in dit geval de cliënt het Openbaar Ministerie is en de e-mails betrekking hadden op een strafrechtelijk onderzoek, heeft verweerder met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. In het bijzonder bij zo’n met verstrekkende bevoegdheden uitgeruste overheidsorganisatie, die zelf strafrechtelijk onaantastbaar is (HR 23 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0429), past een onafhankelijke en kritische houding van de advocaat. Het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot een verschoningsgerechtigde advocaat moet kunnen wenden is één van de fundamenten van de rechtsstaat. Dit belang vereist dat een advocaat het verschoningsrecht van een andere advocaat respecteert. Door dit niet te doen heeft verweerder dit fundament uit het oog verloren en daarmee de kernwaarden integriteit en betamelijkheid geschonden.
8.3 Het hof constateert dat de gemachtigden van verweerder zich tot en met de spreekaantekeningen in hoger beroep op het standpunt zijn blijven stellen dat verweerder kennis mocht nemen van de e-mails omdat zijn cliënt het standpunt had ingenomen, en in het strafproces zou gaan innemen, dat die niet onder verschoningsrecht van mr. D vielen. Tevens werd tijdens het onderzoek ter zitting gerefereerd aan het, ook in de stukken benadrukte, feit dat de informatie van het Openbaar Ministerie kwam, ter zitting aangeduid ‘als niet zomaar een cliënt’. Deze processuele houding getuigt van een tekortschietend inzicht in met name de kernwaarde onafhankelijkheid. In zo’n geval acht het hof in beginsel een (al dan niet voorwaardelijke) schorsing een passende maatregel.
8.4 Verweerder zelf heeft evenwel desgevraagd tijdens het onderzoek ter zitting verklaard, dat hij met de wetenschap van nu in vergelijkbare omstandigheden eerst de deken zou raadplegen. Deze verklaring laat zien dat verweerder tot het inzicht is gekomen dat zijn handelen tuchtrechtelijk niet door de beugel kan. Daarom en gelet op alle omstandigheden van dit geval acht het hof een berisping passend en geboden.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager 1 betaalde griffierecht van € 50,-- en het door klagers 2 tot en met 5 betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager 1 (forfaitair); b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klager 1 en € 1.050 kosten rechtsbijstand voor klagers 2 tot en met 5; c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; d) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van in totaal € 2.150,-- aan kosten van klagers binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummers schriftelijk aan verweerder door.
9.4 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,-- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 9 september 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder zaaknummers 23-884 en 23-898, voor zover klachtonderdeel b) ongegrond is verklaard;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart klachtonderdeel b) gegrond,
10.3 legt aan verweerder de maatregel van een berisping op;
10.4 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van 2 x € 50,- aan klagers; 10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van in totaal € 2.150,-- aan klagers, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
10.7 bekrachtigt de beslissing voor het overige voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk, C.H. van Breevoort-de Bruin, H.H. Tan en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 12 december 2025.
