Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:253

Zaaknummer

24-952/DH/RO

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 8 december 2025

in de zaak 24-952/DH/RO

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 5 maart 2025 op de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

gemachtigde: [kantoorgenoot]

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 9 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 19 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/117 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 5 maart 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:43) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

1.4 Op 17 maart 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 27 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig.

1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

2 VERZET

2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat de voorzitter op geen van de onderzoekpunten een duidelijk antwoord heeft gegeven op basis van juistheid, civielrechtelijke bewijslast, het aanwenden van procesformaliteiten en rechtmatig en strafrechtelijk handelen. Klager heeft dat als volgt onderbouwd:

1) Een advocaat die stelt dat zijn opdrachtgever aan een bij onherroepelijk vonnis opgelegde te garanderen bovenhandse afwikkeling en betaling van schadevergoeding heeft voldaan, moet daar een deugdelijk bewijs van betaling en kwijting kunnen laten zien. Kan hij dat niet dan is er sprake van bedrog en is er sprake van verduistering van een rekenkundige geldsom uit de boekhouding die alsnog door een registeraccount is vastgesteld. Echter deze delictsomschrijvingen vallen buiten de beoordeling van de civiele rechter. Daarnaast is de vraag op juistheid van voormelde stelling met betrekking tot de bewijslast die op de advocaat van het [ziekenhuis] rust onbeantwoord gebleven.

2) Een bankafschrift van een derdenrekening waarop geknoeid is met rekeningnummer en begunstigde om de schijn te wekken dat aan begunstigde mevrouw de S. vrijwarend de in rechte opgelegde afwikkeling en schadevergoeding zou zijn voldaan, valt onder bedrog en rekenkundige valsheid in geschrifte (productie 1). Daarnaast is deze handelwijze ook onrechtmatig. Een toetsing op juistheid is daarvan bij de voorzitter, maar ook bij de civiele rechter buiten beschouwing gebleven.

3) Op grond van het aanwenden van procesformaliteiten, waarvoor ik een advocaat had ingeschakeld om deze te dekken op rechtszittingen liet deze het afweten en is het rekenkundige vaststellingsrapport van de accountant buiten beschouwing van de handelsrechter gebleven. Daarnaast ontliep de advocaat van het [ziekenhuis] wederom de bewijslast om een deugdelijk bewijs van betaling en kwijting te overleggen. Rechtmatig ja of nee? Misbruik van procesrecht? Ja of Nee? Het antidateren en vervroegen van een uitspraak van een rechter om een rekenkundig vaststellingsrapport van een register accountant als bewijs buiten het oordeel van een rechter te houden is eveneens onrechtmatig en uitermate listig. Juist of onjuist? Het is bovendien verduistering van doorslaggevend rekenkundig bewijs vastgesteld door een rekenkundige.

4) Wat de vrijheid betreft van een advocaat en deurwaarder een opdracht dwangmatige incasso bij gebreke aan betaling te weigeren, houdt deze op indien er een onherroepelijk vonnis ligt wat bij gebreke aan deugdelijk bewijs van betaling met dwang moet worden geïncasseerd. Het weigeren daarvoor dwang toe te passen betekent een gedwongen afstand van vorderingsrecht bewerkstellingen. Wanprestatie of wanbetaling is dan een ver gepasseerd station. Het is afpersing van een geldsom die alsnog door een registeraccountant is vastgesteld maar destijds door [verweerders advocatenkantoor] onderhands afgerekend werd.

5) Over de rol van mijn vader in deze kwestie nog het volgende. Deze kreeg van [verweerders advocatenkantoor] op 17 april 2001 een bedrag van 4 ton in guldens voor het afleggen van twee uitermate belastende medische civielrechtelijke verklaringen in het [ziekenhuis] waarmee deze een medische dwangopname kon arrangeren ten einde mijn kantoorpand te [plaats] te onderhands te verkopen in 2005. Daarbij ging hij voorbij aan een notarieel bedongen garantie overeenkomst met de gemeente [plaats] die strekte tot voortzetting wonen werk, het verwerven van inkomen en pensioen. Mijn pensioenovereenkomst met de VOF bleef daardoor ook onaf gewikkeld (productie 2). Daarnaast ging hij voorbij aan de in rechte opgelegde garantie verplichting door de kantonrechter opgelegd in 2001 door het dossier van de VOF gedurende 3 maanden medische dwangopname in het [ziekenhuis] weg te halen bij de ontruiming van mijn pand waar hij de Bavo voor inschakelde. Op grond van deze gang van zaken meen ik toch wel te kunnen stellen dat mijn vad

2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3 FEITEN EN KLACHT

3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.

4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. Er worden dus ook geen getuigenverhoren gehouden. De raad zal het verzet ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. M. van Eck, W. Knoester, G. Sarier en D.G.M. van den Hoogen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 8 december 2025