Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:271
Zaaknummer
25-584/AL/GLD
Inhoudsindicatie
voorzittersbeslissing. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd of anderszins de belangen van de wederpartij of zichzelf voorop heeft gesteld. Verweerder heeft de werkzaamheden uitgevoerd zoals afgesproken in de aangepaste opdrachtbevestiging en heeft daarna geweigerd om nog verder werkzaamheden voor klager te doen. Naar het oordeel van de voorzitter staat het een advocaat vrij om die keuze te maken. Verweerder heeft zich in dit geval op zorgvuldige wijze onttrokken. Kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 8 december 2025
in de zaak 25-584/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 29 augustus 2025 met kenmerk K 24/123.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op enig moment zijn klager en zijn echtgenote gescheiden. Op 4 april 2019 heeft de rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een geschil over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.
1.2 Op 20 augustus 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna ook: het gerechtshof) arrest gewezen.
1.3 Klager heeft in zijn e-mail van 22 augustus 2024 aan verweerder te kennen gegeven dat hij het arrest ontoereikend vond en dat daarin onjuistheden stonden. Klager vroeg verweerder om overleg over verder te ondernemen stappen.
1.4 Op 23 augustus 2024 heeft verweerder via e-mail aan klager uitgelegd wat de uitspraak van het Gerechtshof betekende en welke verdere stappen klager kon ondernemen.
1.5 Klager en verweerder hebben op 4 september 2024 met elkaar gemaild en gebeld. Om 12:49 uur heeft klager onder meer het volgende aan verweerder geschreven:
Ik geef geen toestemming om gelden te verrekenen via de derdengeldenrekening. Tevens geef ik geen toestemming om het beslag op de garageboxen op te heffen. Het factuurbedrag van declaratie nummer JJ24/180, met datum 4 september 2024, zal in oktober worden voldaan, zoals we voorafgaand aan het sturen van de factuur hebben afgesproken. De investeringszaak is nog niet afgerond vanwege het tegenbeslag dat is gelegd.
In ons telefoongesprek gaf u emotioneel aan dat het nu genoeg is en dat u na vijf jaar procederen betaald wilt krijgen, waarna u de telefoon ophing. Ik wil benadrukken dat ik u altijd heb betaald voor de werkzaamheden die u voor mij heeft verricht in eerdere zaken. Deze specifieke zaak verloopt onder toevoeging, en nu er gelden op uw derdengeldenrekening staan, hoeft u zich geen zorgen te maken over betaling. U weet bovendien, gezien onze eerdere samenwerkingen, dat ik u altijd heb betaald.
Wat ik echter betreur, is dat u probeert mij te dwingen om niet verder te procederen in deze zaak, terwijl het mijn recht is om dit te doen. Het lijkt erop dat uw focus meer ligt op het ontvangen van betaling dan op het correct vertegenwoordigen van mijn belangen als advocaat. Dit is niet in lijn met de verplichtingen die u heeft onder de Advocatenwet en de Gedragsregels voor advocaten.(…)
Verder wil ik benadrukken dat ik in mijn eerdere mailwisseling van vandaag simpelweg heb gevraagd om dit helder en eenvoudig te houden en optimaal te handelen, zodat de zaak niet onnodig lang voortduurt. Ik wil dat deze zaak zo snel mogelijk tot een einde komt. Dat is in ons beider belang. Het is mij duidelijk dat u van de zaak af wilt! Mocht u weigeren verdere stappen te ondernemen of de zaak stopzetten, zal ik dat beschouwen als contractbreuk en ben ik genoodzaakt verdere juridische stappen te ondernemen.
Verweerder heeft hierop om 13:17 uur als volgt gereageerd:
Ik heb het gesprek voor nu beëindigd. Ik wens mij nu eerst te bezinnen op de ontstane situatie en mij te beraden op de vraag of ik je nog verder kan bijstaan, alvorens ik je van een nadere reactie zal voorzien
1.6 Op 5 september 2024 heeft verweerder onder meer het volgende aan klager geschreven:
Zoals toegezegd heb ik de zaak even voor mijzelf op een rijtje gezet en kom ik inhoudelijk terug op wat nu te doen. In de tussentijd bereikte mij ook jouw bericht van woensdag 4 september 2024. Ik denk daarom dat het goed is om de zaken even goed samen op een rijtje te zetten en eventuele kou uit de lucht te nemen. Ik kan dan ook gewoon nog verdere werkzaamheden voor je verrichten. (…)
Als jij je kunt vinden in dit verhaal dan verneem ik dit graag van je. Ik zal dan een nieuw dossier voor je aanmaken en de opdracht duidelijk aan je bevestigen.
1.7 In de daarop volgende dagen hebben klager en verweerder gecorrespondeerd over de te ondernemen stappen en de invulling van de bijstand van verweerder aan klager.
1.8 Klager heeft op 11 september 2024 om 21:38 uur onder meer aan verweerder geschreven:
Bedankt voor de opdrachtbevestiging van 10 september 2024. Ik heb deze zorgvuldig doorgenomen en zou graag mijn opdracht willen aanpassen. Mijn voorstel is om op dit moment één correspondentie op te stellen naar de vertegenwoordiger van [naam wederpartij] met een kopie naar de rechter. (…)
Voor deze opdracht ben ik bereid een bedrag van € 1.500,- te betalen. In de komende 3 tot 4 weken kunnen we de volgende stappen evalueren en een verdere opdracht formuleren, waarbij we ook een nieuw tarief kunnen afspreken, indien nodig. (…)
Ik hoop dat dit verzoek past binnen jouw morele en ethische gronden. Ik zie graag je reactie tegemoet, zodat we de correspondentie zo snel mogelijk kunnen opstellen en versturen.
1.9 Op 12 september 2024 hebben klager en verweerder met elkaar gecorrespondeerd. Verweerder heeft die dag aan klager een opdrachtbevestiging gemaild, waarin onder meer is opgenomen:
(…)
In eerste instantie wordt door u slechts de opdracht aan mij verstrekt om een schrijven op te stellen waarin gewag wordt gemaakt van de betwisting van een - nog nader te onderbouwen - gedeelte van de vordering en het voorstel om een bedrag gelijk aan het bedrag waarvoor beslag is gelegd gereserveerd te houden op de derdengeldenrekening. Indien de wederpartij géén akkoord geeft overweegt u nadere juridische stappen, echter daarvoor zal alsdan een aparte opdracht overeenkomst worden opgesteld. U bent ermee bekend dat een executiegeschil slechts succesvol kan worden afgerond indien u daadwerkelijk bewijsstukken van de overboekingen kunt overleggen.
Indien de gelden wel zullen worden bevroren (zoals op uw verzoek voor te stellen), zullen wij tevens een nieuwe opdrachtovereenkomst sluiten over het eventuele vervolgtraject c.q. een opvolgende opdracht. Alsdan zult u aan mij bewijsstukken en een overzicht sturen van de door u verrichte betalingen zodat deze kunnen worden gecommuniceerd aan de deurwaarder. (…)
Gelet op de goede verstandhouding en het feit dat reeds overeenstemming is bereikt over de betaling van de werkzaamheden die tot en met heden door mij zijn verricht (deze factuur zal door u uiterlijk op 16 oktober 2024 worden voldaan, waarna partijen over en weer finaal zijn gekweten terzake de op ieder van hen rustende verplichtingen terzake), ben ik bereid om de hierboven weergegeven werkzaamheden te verrichten tegen een gereduceerd uurtarief van € 165,00 (i.p.v € 200,00) exclusief 6% bureaukosten en 21% btw (het Voor de eerste 3 brieven die mijnerzijds worden verzonden (dat is uw uitgangspunt) zal mijn tarief bovendien worden gemaximeerd tot € 1.500,00 inclusief btw. Ik ga er echter vanuit dat dit maximumbedrag bij lang en na niet zal worden gedeclareerd. (…)
- Om 10:48 uur: heeft verweerder ook aan klager geschreven:
(…) Ik kan uiteraard één brief opstellen en de opdracht daartoe beperken. Het toezenden van de brief aan de rechtbank is niet mogelijk/zinvol. (…)
- Om 12:54 uur: heeft klager zijn akkoord gegeven met de opdrachtbevestiging.
1.10 In zijn e-mail van 10 oktober 2024 heeft klager aan verweerder uitgebreid zijn visie op de zaak gegeven in reactie op een e-mail van verweerder van 23 september 2024 en heeft daarin gemeld dat hij een executiegeschil wil starten. Ook gaf klager daarin aan dat hij pas tot betaling van de facturen van verweerder over zou gaan op het moment dat de zaak volledig was afgerond en aan door hem gestelde voorwaarden was voldaan. Verder heeft hij daarover geschreven:
Vanwege mijn eerdere ervaringen met het [naam kantoor verweerder] en de recente e-mailwisseling heb ik nu meer dan voldoende informatie om mogelijke vervolgstappen te ondernemen. Ook in uw meest recente e-mail van 7 oktober 2024 heeft u uiteindelijk erkend dat het volledige bedrag intact moest blijven en dat er geen enkele verrekening mocht plaatsvinden. Dit is iets wat ik sinds augustus 2024 meerdere malen per correspondentie heb verzocht. U raakte zelfs emotioneel, omdat u enkel uw eigen financiën voor ogen hield. Zelfs de eenvoudige vraag om het paspoort-ID op te nemen in de correspondentie richting TeRecht kwam pas aan bod toen ik een opdracht voor een aanzienlijk bedrag voorstelde. Dit wekt de indruk dat uw financiële belangen zwaarder wegen dan mijn verdediging. Het feit dat u niet wilde vragen naar het ID [naam] is een teken dat u primair de belangen van [naam wederpartij] voor ogen houdt, zoals dat ook in eerdere zaken het geval was.
Toch ben ik van mening dat u momenteel uw uiterste best doet om ervoor te zorgen dat de gelden en de garageboxen niet verdwijnen. (…)
1.11 Tussen klager en verweerder is hierna een vertrouwensbreuk ontstaan. Verweerder heeft, na overleg met de deken, aan klager medegedeeld dat hij niet langer als advocaat voor hem zal optreden.
1.12 Op 14 oktober 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.13 Op 22 oktober 2024 heeft klager een klacht over verweerder bij zijn kantoor ingediend.
1.14 Op 14 november 2024 heeft de klachtenfunctionaris geoordeeld dat de klacht van klager over verweerder ongegrond is.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de opdracht van klager onzorgvuldig uit te voeren.
Toelichting: Verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen bij de behandeling van de zaak en heeft meer aandacht besteed aan de belangen van de wederpartij dan aan die van klager. Ook heeft verweerder geweigerd om alternatieve juridische strategieën te overwegen, ondanks verzoeken van klager om bewijsstukken te gebruiken en passende acties te ondernemen. Dit is duidelijk te zien aan de manier waarop de bijstand door verweerder vanaf augustus 2024 verliep;
b) zijn bijstand onzorgvuldig te beëindigen en daarmee in strijd te handelen met Gedragsregel 14 waardoor klager schade heeft geleden.
Toelichting: Verweerder heeft abrupt zijn bijstand beëindigd, zonder afronding van de opdracht en zonder klager voldoende tijd en ondersteuning te bieden om een nieuwe advocaat te vinden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
3.2 Volgens verweerder heeft hij de door klager verstrekte opdracht zorgvuldig uitgevoerd. Hij heeft jarenlang met volle inzet de belangen van klager behartigd in diverse procedures.
Klachtonderdeel b)
3.3 Verweerder betwist dat hij de bijstand onzorgvuldig heeft beëindigd. Met klager heeft hij afgesproken dat de opdracht van 12 september 2024 werd beperkt tot het opstellen van een brief. Die opdracht heeft verweerder afgerond. De daarna van klager ontvangen e-mail heeft een ernstige vertrouwensbreuk veroorzaakt. Daarom heeft hij daarna geen werkzaamheden meer voor klager willen behandelen.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
4.4 Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd of anderszins de belangen van de wederpartij of zichzelf voorop heeft gesteld. Verweerder heeft dit ook gemotiveerd betwist. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerder niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht.
4.5 Van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake, zodat de voorzitter klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond zal verklaren.
Klachtonderdeel b)
4.6 Waar beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich aan de zaak te onttrekken zal acht worden geslagen op gedragsregel 14 lid 3 waarin is bepaald dat, als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze dient te doen en er voor zorg dient te dragen dat zijn cliënte daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt (aldus artikel 7:402 lid 2 BW en de daarmee strokende gedragsregel 14 leden 2 en 3).
4.7 Klager heeft op 12 september 2024 ingestemd met de aangepaste opdrachtbevestiging van verweerder. In die opdrachtbevestiging zijn duidelijke afspraken gemaakt over onder meer de door verweerder voor klager te verrichten werkzaamheden als ook over de betaling door klager uiterlijk op 16 december 2024 van een nog openstaande factuur. Als onbetwist staat vast dat verweerder de afgesproken werkzaamheden heeft gedaan. Klager heeft verweerder daarna gevraagd om nog andere werkzaamheden voor hem te verrichten, wat verweerder heeft geweigerd. Nog los van het feit dat het een advocaat vrij staat om geen werkzaamheden voor een cliënt te willen doen, had verweerder gelet op de toonzetting en suggestieve opmerkingen van klager in zijn e-mail van 16 oktober 2024 en de omstandigheid dat klager de factuur niet op 16 oktober 2024 had voldaan, meer dan voldoende reden om voor klager geen werkzaamheden meer te willen doen. Verweerder en de klachtenfunctionaris van zijn kantoor hebben hierover ook duidelijk en op correcte wijze met klager gecommuniceerd zodat hem duidelijk moet zijn geworden dat hij op zoek moest naar een nieuwe advocaat.
4.8 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder op dit punt niet tuchtrechtelijk heeft gehandeld, zodat ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond zal worden verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 december 2025
