Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:252

Zaaknummer

25-724/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerster mocht klager vragen niet meer te e-mailen om de kosten voor haar cliënte te beperken. Niet gebleken van ‘natrappen’ of ‘inwrijven’ door het vonnis aan klager op te sturen. Zij gaf daarin opvolging aan het vonnis en heeft haar verzoek om geen contact op te nemen mogen herhalen. Niet gebleken van vereenzelviging met de cliënte. Klacht kennelijk ongegrond. Misbruik van recht-bepaling.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 3 december 2025 in de zaak 25-724/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerster

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 21 oktober 2025 met kenmerk K117 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager is verwikkeling in een echtscheidingsprocedure met zijn ex-partner. De ex-partner wordt daarin bijgestaan door verweerster, waaronder in een kort geding. Daarin is onder andere verzocht (opnieuw) een contactverbod op te leggen aan klager.

1.2 Op 4 april 2025 heeft het kort geding plaatsgevonden. Na de zitting in kort geding heeft klager verweerster over de zaak aangeschreven. Verweerster heeft daarop op 7 april 2025 gereageerd niet in discussie te gaan en hem verzocht niet meer te benaderen ter financiële bescherming van haar cliënte. Klager heeft daarna in ieder geval van 17 april 2025 om 10:46 uur tot aan 18 april 2025 om 10:45 uur 12 e-mails gestuurd aan verweerster.

1.3 Op 18 april 2025 heeft de voorzieningenrechter een vonnis gewezen. Daarin is onder meer een contactverbod aan klager opgelegd, omdat hij aldus de voorzieningenrechter blijk heeft gegeven nog altijd niet te kunnen aanvaarden dat zijn ex-partner geen persoonlijk contact meer met hem wil en dat, telkens als er iets gebeurt wat klager niet zint, dit leidt tot een stortvloed aan reacties van zijn zijde.

1.4 Diezelfde dag heeft verweerster om 17:23 uur het vonnis doorgestuurd aan klager, met daarbij:

“Voor zover u deze nog niet heeft ontvangen treft u bijgaand het vonnis in kort geding, zoals vandaag gewezen door de rechtbank Den Haag. De inhoud van het vonnis is glashelder en onderstreept de visie van cliënte en mij dat uw verweren omtrent de inhoud en hoeveelheid van het contact met cliënte (en haar werkgever), de overdracht van het schilderij en de vakantie naar Spanje onterecht waren. Dat aan u een proceskostenveroordeling is opgelegd vanwege uw rigide opstelling zegt genoeg. Ik ga hier dan ook niet meer met u over in discussie.

Op grond van het vonnis dient u uw medewerking te verlenen aan de overdracht van het promotieschilderij aan cliënte middels het ophalen hiervan door de galeriehouder. Conform het vonnis geeft ik u hierbij 3 data (…).

Een eventuele inhoudelijke reactie op het vonnis kunt u achterwege laten. (…) ”

1.5 Op 29 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a) Verweerster heeft onprofessioneel gehandeld door zich te bedienen van teksten die niet anders op te vatten zijn dan als nodeloos en ongepast natrappen en het inwrijven van een gepretendeerde overwinning, wat in strijd is met de kernwaarde integriteit;

b) Verweerster heeft zich vereenzelvigd met het conflict.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

– het verloop van het geschil tot dan toe en

– de kans op succes van de procedure.

Relevante gedragsregels

4.3 Klager verwijt in zijn klacht(en) naar de Gedragscode voor advocaten in het Personen- en Familierecht uit de Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2025 krachtens de Wet op de Rechtsbijstand. Deze inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften, die regels bevatten waarnaar de advocaten die bij de Raad voor Rechtsbijstand zijn ingeschreven zich moeten richten (zie HvD 11 januari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:1 en HvD 8 maart 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:73). Verweerster is blijkens het register van de Raad voor Rechtsbijstand aldaar ingeschreven op onder meer het rechtsgebied ‘Personen- en Familierecht’. Dat betekent dat zij ook tuchtrechtelijk aan deze gedragscode gehouden worden. De relevante gedragscodes zijn:

Gedragscode 2: Hij werkt toe naar een nieuw en voor alle betrokkenen houdbaar evenwicht. Hij ontmoedigt een opvatting waarbij een familiezaak wordt beschouwd als een zaak die gewonnen of verloren kan worden.

Gedragscode 5: De advocaat hanteert een professionele distantie, maar de-escaleert waar dat nodig is. Hij onderkent de gebruikelijke emoties, maar wakkert ze niet aan. In correspondentie vermijdt hij taalgebruik dat de wederpartij of zijn advocaat diskwalificeert of als onnodig grievend ervaren kan worden.

Beoordeling

4.4 De e-mail van verweerster van 18 april 2025 is naar oordeel van de voorzitter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerster heeft klager al na afloop van de kortgedingzitting medegedeeld niet meer in discussie te gaan en dat hij haar ook niet meer moest e mailen, omdat haar cliënte met klem verzocht de kosten te beperken maar ook om haar cliënte emotioneel uit de wind te houden. Dat mocht verweerster in het belang van haar cliënte mededelen en valt ook onder de reikwijdte van haar belangenbehartiging. Klager heeft dat genegeerd en is blijven e-mailen. Verweerster heeft haar eerdere boodschap dan ook mogen herhalen in haar e-mail van 18 april 2025. In dat verband heeft zij klagers houding ook kunnen aanmerken als rigide, onder verwijzing naar de uitgesproken proceskostenveroordeling. In die context hoeft dat, anders dan klager meent, niet als ‘triomfantelijk’ te worden beschouwd.

4.5 Dat verweerster haar e-mail zonder aanleiding stuurde ziet de voorzitter niet in. Klager had sinds de dag ervoor in een tijdspanne van 24 uur al twaalf e-mails gestuurd en dat was nu juist het soort gedrag waar verweerster, in het belang van haar cliënte, paal en perk aan wilde stellen. Bovendien diende verweerster ook verhinderdata door te geven namens haar cliënte, wat zij ook heeft gedaan. Van handelen dat kan worden gekwalificeerd als “natrappen” of “inwrijven” is niet gebleken. Verweerster heeft enkel haar verzoek om geen contact meer op te nemen herhaald en opvolging gegeven aan het kortgedingvonnis. Klager stelt in zijn repliek dat verweerster al voordat zij het vonnis op 18 april 2025 heeft ontvangen (om 13:59 uur) om 12:54 uur heeft gedreigd met het incasseren van dwangsommen, maar dat heeft hij niet voorzien van een onderbouwing. Daaraan gaat de voorzitter dan ook voorbij.

4.6 Voor zover klager bij dit klachtonderdeel ook beoogd heeft om te klagen over de wijze waarop verweerster zich tegen deze tuchtklacht heeft verweerd, door klager te diskwalificeren en hem verwijten te maken over onder meer eerder door hem ingediende (tucht)klachten, ziet de voorzitter ook daarin geen klachtwaardig handelen. Het is aan een beklaagde advocaat om te bepalen hoe deze zich wil verweren tegen een tuchtklacht. Daarbij mag de tuchtklacht ook in perspectief worden geplaatst, zoals verweerster heeft gedaan. Dat zij klagers handelen in de familierechtelijke procedure heeft verwoord als ‘gal spuwen’, gelet op alle verwijten die klager jegens haar cliënte zou hebben gemaakt, acht de voorzitter in dat verband niet onnodig kwetsend, maar als functioneel voor haar betoog.

4.7 Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.8 Evenmin is gebleken dat verweerster zich heeft vereenzelvigd met haar cliënte. Dat zij de visie van haar cliënte deelt dat klagers verweren onterecht waren is daarvoor onvoldoende. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.

Misbruik van recht

4.9 Klager benoemt zijn echtscheidingsprocedure zelf ‘een vechtscheiding’. Daarbij is aan hem tweemaal (op 6 mei 2024 en 18 april 2025) een contactverbod opgelegd richting zijn ex-partner. Het heeft er alle kenmerken van dat klager zijn pijlen nu richt op de advocaat/advocaten van zijn ex-partner nu de deur richting zijn ex-partner is gesloten. Zo heeft klager heeft tot op heden twee klachten (zie ook zaaknummer 25-656/DH/DH waarin vandaag uitspraak wordt gedaan) ingediend over verweersters handelen als advocaat van zijn ex-partner. Ook tegen de andere advocaat van zijn ex-partner heeft klager al een klacht ingediend die (weliswaar nog niet onherroepelijk) ongegrond is verklaard (RvD Amsterdam 6 oktober 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:179). Het tuchtrecht is niet bedoeld om persoonlijke vetes voort te zetten. Klager moet er dan ook rekening mee houden dat nieuwe klachten over verweerster die gaan over of raken aan de echtscheidingsprocedure niet meer in behandeling zullen worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht.

Conclusie

4.10 De klacht is kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 3 december 2025