Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:245
Zaaknummer
25-654/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een VvE-kwestie. Klacht deels niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan een eigen, rechtstreeks betrokken belang en voor het overige kennelijk ongegrond. Niet gebleken van onder meer opzettelijke intimidatie, het nemen van onnodige juridische stappen, onnodig kwetsende uitlatingen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 november 2025 in de zaak 25-654/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van 25 september 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk R 2025/088 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 27. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 20 oktober 2025.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster is eigenaar van een appartementsrecht dat deel uitmaakt van een vereniging van eigenaren (hierna: VvE). 1.2 V is volgens het register van de Kamer van Koophandel sinds 2013 bestuurder van de VvE. In een mail d.d. 26 april 2018 heeft V geschreven dat zij heeft besloten haar werkzaamheden neer te leggen. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel bleef ongewijzigd. 1.3 Eind december 2021 is tussen klaagster en de overige VvE-leden een geschil ontstaan, nadat zij toestemming van de VvE wenste voor een gerealiseerde verbouwing. Volgens de overige VvE-leden is waterschade ontstaan door de verbouwing. 1.4 Op 5 januari 2022 heeft VvE-lid S klaagster aansprakelijk gesteld voor (vooralsnog) € 85.000,- wegens schade door de lekkage. 1.5 V heeft namens de VvE verweerder benaderd om de belangen van de VvE te behartigen. Verweerder heeft met VvE-leden V, S en Van E overleg gevoerd. 1.6 Op 7 februari 2022 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van de VvE plaatsgevonden. Daarbij was verweerder namens de VvE aanwezig. Klaagster werd vertegenwoordigd door haar partner en twee advocaten. Tijdens de ALV heeft verweerder diverse voorwaarden aan klaagster gesteld om toestemming van de VvE te krijgen, waaronder vergoeding van de schade aan S. 1.7 Op 22 april 2022 heeft klaagster aan verweerder, met haar advocaten in de cc, geschreven: “Dear [verweerder], please note [advocatenkantoor] is not involved in a discussion related to plumbing and therefore I invite you not to contact them in regard to this topic. If you represent my neighbours in this matter please contact me directly or have them contact me directly, as they prefer. I frankly see no benefit to have lawyers involved in plumbing or architect matters that are not the speciality of lawyers. (…)” Klaagster heeft daarna met haar advocaten afgesproken dat alle onderhandelingen via de advocaten bleef lopen en dat zij dat niet zelf ging doen. 1.8 Op 27 juni 2022 heeft een ALV plaatsgevonden. Namens klaagster waren hierbij haar partner en één van de advocaten aanwezig. Ook was architect B op haar verzoek aanwezig, die een toelichting over de bouwwerkzaamheden heeft gegeven. Deze ALV is bij afwezigheid van V voorgezeten door S. Na stemming is besloten dat klaagster de algemene ruimtes binnen twee maanden moest terugbrengen in de oorspronkelijke staat en een standleiding moest (terug)plaatsen en is een procesvolmacht verleend aan het bestuur om tegen klaagster te procederen. 1.9 Op 26 juli 2022 heeft een advocaat namens klaagster een verzoekschrift tot vernietiging van de op de ALV genomen besluiten ingediend. 1.10 Op 3 november 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarin heeft hij onder meer opgenomen: “(…) 24. Partijen komen er niet uit. Aan de VvE ligt het niet, die heeft te maken gehad met een illegale aanbouw, veel overlast, schade en een onwillige veroorzaker en is toch nog onder voorwaarden bereid tot toestemming. (…)” 1.11 Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de kantonrechter de besluiten over de algemene ruimtes en de standleiding vernietigd. De procesvolmacht is niet vernietigd. 1.12 Op 18 september 2023 heeft verweerder in een processtuk geschreven: “(…) anders is de woning straks verkocht, zit [klaagster] in Bergamo en heeft [S] niets.” 1.13 Op 13 januari 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarin heeft hij onder meer opgenomen: “Bij iedere kik schakelt zij haar advocaat in, om weer nieuwe juridische wegen te vinden om de VvE en daarmee de afzonderlijke eigenaren het leven zuur te maken. (…) De algemene verwijzing naar redelijkheid en billijkheid is misplaatst. [Klaagster] woont niet aan [het adres]. Zij heeft niet op dagelijkse basis te maken met de afvoer, rioollucht. Onder het mom van redelijkheid en billijkheid wil zij haar particuliere mening doordouwen ten koste van de eigenaren die wel daar wonen en al jaren te maken hebben met de terreur van [klaagster]. Iedere redelijkheid aan haar kant is afwezig, haar beroep op redelijkheid acht de VvE beschamend.” 1.14 Op 7 april 2024 heeft V zich uitgeschreven als bestuurder van de VvE. Op 15 juli 2024 heeft een ALV plaatsgevonden, waarin onder meer VvE-lid Van E is benoemd tot voorzitter. Hiertegen is namens klaagster verzoekschrift tot vernietiging van dat besluit ingediend. De kantonrechter heeft de verzoeken bij beschikking van 10 februari 2025 afgewezen. 1.15 Op 17 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder heeft zich als advocaat van de VvE gesteld, terwijl daarvoor geen toestemming was gegeven door een geldig bestuur en hij dat niet heeft geverifieerd. b) Verweerder geeft onjuiste, misleidende en lasterlijke uitspraken gedaan over klaagster die het geschil hebben doen escaleren, door: 1. opzettelijk intimidatie te ondersteunen; 2. onnodige juridische stappen te ondernemen; 3. beledigende en smadelijke uitspraken te doen; 4. klaagster te verzoeken om afstand te doen van haar eigendomsrechten; 5. het proces bij de notaris te belemmeren; 6. ongeautoriseerd gebruik te maken van VvE-gelden. c) Verweerder maakt misbruik van zijn beroep op zijn geheimhoudingsplicht om te verhullen dat hij geen geldig volmacht had om namens de VvE op te treden. d) Verweerder heeft gedragsregel 15 geschonden door gelijktijdig de VvE als de persoonlijke belangen van V, S en Van E te vertegenwoordigen. 2.2 Ter onderbouwing van haar klacht wijst klaagster op de gedragsregels 1, 2, 6, 7, 9, 16 en 19. 2.3 Klaagster verzoekt daarnaast om een schadevergoeding, alsmede om intrekking en rectificatie van de beledigende uitspraken die verweerder namens de VvE heeft gedaan. Klaagster wijst ten aanzien van haar schade op € 55.000,- aan juridische kosten, waarvan € 25.000,- wegens de onbevoegde vertegenwoordiging door verweerder, 27 maanden vertraging in de verkoop van haar appartement, illegale verhogingen van de VvE-bijdrage en emotionele en reputatieschade.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader Ontvankelijkheid 4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). 4.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 4.3 Daarnaast heeft alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen het recht om hierover een klacht in te dienen. 4.4 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Beoordeling Klachtonderdelen a en b6: belangenbehartiging voor de VvE en facturatie 4.5 De voorzitter is van oordeel dat klaagster geen eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij klachtonderdelen a en b6. Beide klachtonderdelen ziet op de advocaat-cliëntrelatie tussen verweerder en de VvE. Het is dan ook slechts aan (het bestuur van) de VvE om daarover te klagen. Klaagster heeft daarbij als lid van de VvE slechts een afgeleid belang en kan daarover dus niet via het tuchtrecht klagen. Als zij van mening is dat de VvE verweerder niet als advocaat had mogen inschakelen, dan kan zij de VvE daarover aanspreken. Dat geldt ook voor de kosten die de VvE daarvoor heeft gemaakt. Klachtonderdelen a en b6 zijn kennelijk niet-ontvankelijk. Klachtonderdeel b1: opzettelijke intimidatie 4.6 Klaagster maakt diverse verwijten aan verweerder op dit onderdeel. De voorzitter zal deze verwijten hierna een voor een bespreken. 4.7 Klaagster verwijt verweerder de eis van € 85.000,- van S te ondersteunen, terwijl verweerder op de ALV van 7 februari 2025 heeft verklaard dat die eis niet namens de VvE maar van S in privé was. De klacht is op dit onderdeel niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet. Dit gaat over handelen van 7 februari 2022, zodat klaagster daarover uiterlijk op 7 februari 2025 had kunnen klagen. Klaagster heeft dat pas gedaan op 17 februari 2025. De voorzitter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het artikel 46g, tweede lid, van de Advocatenwet, omdat klaagster tijdens deze ALV is vertegenwoordigd door haar partner en twee advocaten en geacht kan worden dat zij vóór 17 februari 2025 al door hen is geïnformeerd over hetgeen tijdens de ALV is besproken. 4.8 Klaagster verwijt verweerder te hebben geweigerd om de door klaagster ingeschakelde architect een toelichting te laten geven op de ALV van 27 juni 2022. Daargelaten dat verweerder niet de voorzitter was van deze ALV, is het de voorzitter op basis van de notulen gebleken dat de architect een toelichting heeft kunnen geven. De klacht is op dit onderdeel dus in strijd met de feitelijke gang van zaken en is dus kennelijk ongegrond. 4.9 Klaagster verwijt verweerder geen vragen te hebben gesteld aan de in 2019 ingeschakelde ingenieur van de gemeente. De klacht is op dit onderdeel kennelijk ongegrond. Verweerder is pas vanaf 2022 betrokken bij de kwestie, zodat hem ook niet kan worden verweten dat hij ruim 3 jaar daarvoor geen vragen heeft gesteld aan de ingenieur van de gemeente. 4.10 Klaagster verwijt verweerder bij de rechtbank een verklaring te hebben ingediend van [rioleringsbedrijf] als standpunt van de VvE, terwijl [rioleringsbedrijf] expliciet heeft aangegeven niet in het geschil betrokken te willen worden. Ook heeft verweerder de aanvullende bewijzen van klaagster genegeerd. De voorzitter acht de klacht ook op dit punt kennelijk ongegrond. Verweerder heeft namens zijn cliënte verweer mogen voeren tegen het verzoekschrift van klaagster, onder meer door deskundigenverklaringen zoals van [rioleringsbedrijf] in te dienen. Als [rioleringsbedrijf] geen toestemming zou hebben gegeven voor het indienen van die verklaring, dan kan alleen zij (en niet klaagster) daarover een klacht indienen. Verweerder was ook niet gehouden om de aanvullende bewijzen van klaagster te volgen. Hij mocht namens zijn cliënten een afwijkend standpunt innemen. Klaagster had haar aanvullende bewijzen zelf kunnen indienen in de procedure. 4.11 Klaagster verwijt verweerder tot slot intimidatie en pesterijen in de hand te werken door namens de VvE te reageren op klaagsters communicatie, waardoor de andere VvE-leden hun individuele verantwoordelijkheid konden ontlopen. Ook heeft verweerder geweigerd met klaagster over de problemen met de pijp in gesprek te gaan en heeft hij uitsluitend met de andere VvE-leden gecommuniceerd. Het is niet klachtwaardig dat verweerder namens de andere VvE-leden reageert op klaagsters berichten. Het behoort immers tot de belangenbehartiging van een advocaat om namens de cliënt met wederpartijen te corresponderen. Waarom de VvE-leden daardoor hun individuele verantwoordelijkheid zouden kunnen ontlopen, is de voorzitter niet gebleken. Het is de voorzitter verder niet gebleken dat verweerder ondoelmatig heeft gehandeld door met klaagsters advocaten te blijven corresponderen ondanks haar bericht van 22 april 2022. Sterker nog, uit de aanvullende stukken van klaagster (waaronder een dekenstandpunt van klaagsters klacht over een van haar eigen advocaten) volgt dat klaagsters advocaten juist met haar hebben afgesproken dat alle onderhandelingen via de advocaten blijven gaan en dus niet via klaagster. Klachtonderdeel b2: onnodige juridische stappen 4.12 Klaagster verwijt verweerder haar onnodige juridische stappen te hebben laten zetten tegen de VvE doordat verweerder onmogelijke voorwaarden voor toestemming heeft gesteld, zoals het akkoord gaan met de vordering van S en een notariële verklaring dat klaagster structurele schade zou hebben veroorzaakt. 4.13 De voorzitter ziet daarin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder mag doorgeven onder welke voorwaarden zijn cliënte akkoord zou gaan met de toestemming. Dat klaagster zich daar niet in kon vinden en zich genoodzaakt voelde om een procedure te starten, kan verweerder niet worden aangerekend. Klachtonderdeel b2 is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b3: beledigende en smadelijke uitspraken 4.14 Klaagster verwijt verweerder haar te hebben afgeschilderd als iemand die naar Italië zou vluchten om haar aansprakelijkheid te ontlopen, een zeurpiet, gewelddadig, agressief en zelfs als terrorist. Klaagster wijst op de termen “zij maakt het leven zuur”, “de terreur van [klaagster]” en “onwillige veroorzaker”. 4.15 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft namens de VvE naar voren willen brengen dat de bewoners veel overlast ervaren van klaagster. Dat heeft hij met de drie genoemde citaten gedaan. Anders dan klaagster doet voorstellen, heeft verweerder haar geen terrorist genoemd, maar dat haar handelen als terreur wordt ervaren. Hoewel dat als kwetsend kan worden ervaren, heeft dat in het dagelijks taalgebruik een aanzienlijk minder scherpe lading dan ‘terrorist’. Gelet op de context waarin verweerder dit heeft gebruikt, was dit ondersteunend voor zijn betoog. Daarmee is hij binnen de aan hem toekomende vrijheid gebleven. Datzelfde geldt ook voor zover klaagster wordt verweten het leven van de andere VvE-leden zuur te maken of onwillig te zijn. 4.16 De voorzitter stelt verder vast dat verweerder enkel heeft geschreven “(…) anders is de woning straks verkocht, zit [klaagster] in Bergamo en heeft [S] niets”. Anders dan klaagster, leest de voorzitter daar niet in dat verweerder klaagster afschildert als iemand die het land uit vlucht om aansprakelijkheid te ontlopen. 4.17 Uit het dossier blijkt de voorzitter verder niet dat verweerder klaagster heeft afgeschilderd als een zeurpiet, gewelddadig of agressief. Klaagster verwijt op dat punt naar productie 23 bij haar klacht, maar dat is een e-mailwisseling tussen de VvE-leden waarbij verweerder niet betrokken was en waar de genoemde uitlatingen ook niet uit volgen. De voorzitter maakt uit productie 16 op dat klaagster volgens haar advocaat door de andere VvE-leden als ‘gewelddadig’ zou zijn bestempeld, maar dit kan verweerder dus niet worden aangerekend. De klacht is in zoverre kennelijk ongegrond. 4.18 Ook zou verweerder talloze valse uitspraken hebben gedaan in processtukken, waaronder dat: - klaagster de discussie in april 2022 had onderbroken, terwijl juist S niet reageerde; - klaagster misbruik maakte van het rechtssysteem; - klaagster de pijp had afgesloten; - klaagsters herhaalde pogingen om een ALV te beleggen, werden gekarakteriseerd als theater voor de rechtbank. De voorzitter is van oordeel dat het niet aan de tuchtrechter is om hierover te oordelen, maar dat deze kwesties thuishoren in de procedure(s) bij de kantonrechter. Als klaagster meent dat deze stellingen van verweerder onjuist waren, dan kon zij dat aldaar bestrijden. Klaagster heeft dit klachtonderdeel verder ook onvoldoende onderbouwd. Zij heeft gewezen op productie 24 bij haar klacht, maar dat betreft notulen van een ALV en geen processtukken van verweerder. Ook op dit punt is de klacht kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b4: verzoek om afstand te doen van eigendomsrechten 4.19 Klaagster verwijt verweerder haar te hebben verzocht om afstand te doen om in haar eigen appartement te wonen. 4.20 De voorzitter ziet ook hierin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder heeft dit verzoek namens zijn cliënte kunnen doen en als klaagster het daar niet mee eens was, dan kon zij dat afwijzen. Dat heeft ze kennelijk ook gedaan. Klachtonderdeel b4 is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b5: belemmering van het proces bij de notaris 4.21 Klaagster verwijt verweerder het proces bij de notaris te hebben vertraagd, omdat V de notaris had geïnformeerd dat de gewijzigde splitsingsakte volgens verweerder niet correct was opgesteld en dat deze ongeautoriseerde wijzigingen bevatte. 4.22 De voorzitter ziet ook hierin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Van verweerder mag worden verwacht dat hij zijn cliënte informeert als hij onjuistheden in de gewijzigde splitsingsakte ziet. Dat het proces bij de notaris vervolgens langer duurt, omdat die onjuistheden (eventueel) moeten worden rechtgezet, is nu eenmaal een risico dat eigen is aan juridische procedures. Klachtonderdeel b5 is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c: beroep op geheimhoudingsplicht 4.23 Klaagster verwijt verweerder onterecht een beroep te doen op zijn geheimhoudingsplicht om te voorkomen dat boven water komt dat hij niet namens de VvE mocht optreden. Ze wijst in dat verband op de transparantieverplichting in artikelen 5:124 en 5:125 van het BW. 4.24 De voorzitter acht dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. Het is aan verweerder te bepalen op welke wijze hij zijn verweer op de tuchtklacht wenst te voeren. Als hij meent daarin beperkt te zijn omdat de informatie onder zijn geheimhoudingsplicht valt, dan kan hij daarop een beroep doen. Hij hoeft bovendien geen verantwoording af te leggen richting klaagster, maar slechts naar zijn eigen cliënte: de VvE. Voor zover de VvE gehouden is om transparantie te verschaffen richting klaagster, is dat iets wat speelt tussen klaagster en de VvE. Klachtonderdeel d: schending gedragsregel 15 4.25 Klaagster verwijt verweerder in strijd te handelen met gedragsregel 15 door gelijktijdig voor de VvE als haar individuele leden op te treden. 4.26 Het is vaste rechtspraak dat een wederpartij zich niet op deze gedragsregel kan beroepen. Een cliënt behoort geheel vrij te zijn in de keuze van zijn advocaat, zonder inmenging van de wederpartij daarin. Een beroep op deze gedragsregel komt een wederpartij ook niet toe als hij stelt een belang te hebben bij het (niet) optreden door de advocaat voor een of verschillende cliënten. Dat is slechts anders als die wederpartij er in die zin bij betrokken is dat de wederpartij zelf een (voormalige) cliënt van de advocaat (of een kantoorgenoot van de advocaat) is. Dat is klaagster niet. Klaagster komt dus geen beroep toe op gedragsregel 15. Dit klachtonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk. Afsluitende opmerkingen 4.27 Voor zover klaagster ook bedoeld heeft te klagen over dat zij geen notulen heeft ontvangen van de ALV van 7 februari 2022 of de opname daarvan, geldt dat het aan de VvE en niet aan verweerder is om voor verspreiding daarvan zorg te dragen. Mocht dit als klacht zijn bedoeld, dan is die kennelijk ongegrond. 4.28 Omdat de klachten niet gegrond zijn, ziet de voorzitter ook geen reden om een schadevergoeding toe te wijzen.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - klachtonderdelen a, b6 en d, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk; - klachtonderdeel b1 deels niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, en deels kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet; - de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 november 2025
